Выбрать главу

De regeling leek goed uit te werken. Evenals bij Semaradrid en Weiramon in Tyr, aanvaardden de Cairhienin een persoon uit Mayene als bewindvoerster zowel omdat zij geen Aielse was als omdat Rhand haar had aangesteld. Berelain wist wat ze te doen had en luisterde tenminste naar Rhuarcs raad als hij voor de stamhoofden sprak die in Cairhien waren achtergebleven. Ongetwijfeld had ze ook nog met de Wijzen te maken – hun bemoeizucht zou verdwijnen op de dag dat de Aes Sedai die verloren – maar tot nog toe had zij hen niet genoemd. ‘En Egwene?’ vroeg Rhand. is zij al iets beter?’ Berelains lippen persten zich ietwat op elkaar. Ze mocht Egwene niet. Nou ja, Egwene kon haar niet uitstaan. Voor zover hij wist bestond er geen aanleiding voor, maar het was er.

Rhuarc stak beide handen uit. ‘Voor zover Amys het me vertelt.’ Amys was niet alleen een Wijze maar ook zijn vrouw. Een ervan, hij had twee vrouwen, een Aielgewoonte die Rhand vreemd vond. ‘Ze zegt dat Egwene nog steeds rust nodig heeft, lichte oefeningen, voldoende eten en frisse lucht. Ik geloof dat ze op de koele uurtjes van de dag wat rondwandelt.’ Berelain schonk hem een zuinige blik; de lichte glans van zweet op haar gezicht deed niets af aan haar schoonheid, maar Rhuarc zweette natuurlijk helemaal niet.

‘Ik zou haar graag willen spreken. Als de Wijzen het me toestaan,’ voegde Rhand eraan toe. De Wijzen stonden even fors op hun voorrechten als elke Aes Sedai die hij ooit had ontmoet, en ze hielden er bij sibbehoofden, stamhoofden en misschien voornamelijk wel de Car’a’carn stevig aan vast. ‘Maar we gaan eerst...’ Ergens had hij heel vaag lawaai opgevangen, toen ze in de buurt kwamen van zo’n plek waar een gangmuur overging in een zuilenrij met een balustrade. Het gekletter van oefenzwaarden. In het voorbijlopen keek hij omlaag. Dat was hij tenminste van plan, maar wat hij op de plavuizen van de hof beneden zag, bracht hem zwijgend tot stilstand. Onder de ogen van een Cairhienin met een stijve rug in een eenvoudige grijze jas, zwaaide een tiental bezwete vrouwen in paren met oefenzwaarden, sommigen in rijkleding, anderen in mannenkleren. De meesten waren onhandig maar verbeten de zwaardvormen aan het oefenen, terwijl anderen vloeiend van houding in houding overgingen, maar aarzelend met de houten lattenbundel zwaaiden. Allen toonden een alles omhullende, grimmige vastberadenheid, hoewel de grimmigheid waarschijnlijk in meelijwekkend gelach losbarstte, wanneer iemand besefte een fout te hebben gemaakt.

De man met de stijve rug klapte in zijn handen en de hijgende vrouwen stopten en vonden steun op hun oefenzwaarden. Verschillenden bewogen hun armen omdat ze er niet aan gewend waren. Uit het niets leken dienaren te verschijnen die buigend en kniebuigend dienbladen voorhielden met kannen en bekers. Voor Cairhiense dienaren droegen ze vreemde livreien. Wit. Gewaden of jassen en broeken, maar volkomen wit.

‘Wat is dat?’ vroeg hij. Rhuarc maakte een geluid van afkeer. ‘Sommige Cairhiense vrouwen zijn zeer onder de indruk van de Speervrouwen,’ zei Berelain met een glimlach. ‘Ze willen Speervrouw worden. Maar dan wel met een zwaard, neem ik aan, niet met speren.’ Sulin verstijfde verontwaardigd en handtaal flitste tussen de Speervrouwen heen en weer; de gebaren leken woedend. ‘Het zijn dochters van adellijke huizen,’ vervolgde Berelain. ik heb ze hier ondergebracht want hun ouders willen het niet toestaan. Er zijn nu ruim een tiental scholen in de stad die vrouwen de zwaardkunst bijbrengen, maar velen sluipen er stiekem heen om zich te oefenen. Het zijn natuurlijk niet alleen vrouwen. In het algemeen lijken de jongere Cairhienin zeer onder de indruk van de Aiel. Ze nemen ji’e’toh aan.’

‘Ze verknoeien het,’ gromde Rhuarc. ‘Velen vragen naar onze manieren en wie zou niet willen onderwijzen wat juist is! Zelfs aan een boomdoder.’ Hij leek te willen spugen. ‘Maar ze luisteren naar wat verteld wordt en veranderen het.’

‘Nee, dat doen ze niet,’ sprak Berelain hem tegen. ‘Ze passen het alleen aan, denk ik.’ Rhuarcs wenkbrauwen rezen iets en ze zuchtte. Havien trok een diep beledigd gezicht omdat zijn vorstin werd tegengesproken. Noch Rhuarc of Berelain merkte het op, zij hadden alleen aandacht voor Rhand. Hij had het gevoel dat er een woordenwisseling gaande was die het tweetal al eerder had gevoerd. ‘Ze veranderen het,’ herhaalde Rhuarc nadrukkelijk. ‘Die dwazen daar beneden in het wit beweren dat ze gai’shain zijn. Gai’shain!’ De andere Aiel mompelden en opnieuw flitste de handtaal bij de Speervrouwen rond. Havien begon wat verontrust om zich heen te kijken, in welke veldslag of strijd werden ze overwonnen? Welke toh hebben ze opgeroepen? U hebt mijn verbod op vechten in de stad onderschreven, Berelain Paeron, niettemin gaan ze vaak een tweegevecht aan in verborgen hoeken en plaatsen waarna de verliezer het wit aantrekt. Als iemand een ander aanraakt, terwijl ze allebei gewapend zijn, vraagt de geraakte om een tweestrijd en als die wordt geweigerd, trekt hij het wit aan. Wat heeft dat te maken met eer en verplichting? Ze veranderen alles zo dat een Sharaan nog zou blozen. Het zou gestopt moeten worden, Rhand Altor.’

Berelains kaak kreeg een strakke lijn, en haar handen op haar rok balden zich tot vuisten. ‘Jongemannen vechten altijd.’ Haar toon was zo neerbuigend dat men bijna zou kunnen vergeten dat ze zelf ook jong was. ‘Maar nadat ze hiermee zijn begonnen, is er niemand in een tweegevecht meer gedood. Geen een. Dat alleen maakt het waard ermee door te gaan. Bovendien heb ik vaders en moeders, waarvan sommigen met macht, afgebekt, die wensten dat hun dochters naar huis werden gestuurd. Ik wil die jonge vrouwen niet onthouden wat ik hun heb beloofd.’

‘Je mag ze houden als je dat wilt,’ merkte Rhuarc op. ‘Leer ze het zwaard, als ze dat willen. Maar laat ze niet beweren dat ze ji’e’toh volgen. Maak er een eind aan dat mensen het wit aantrekken en beweren gai’shain te zijn. Wat zij doen is beledigend.’ Zijn kille blauwe ogen keken Berelain recht aan, maar haar grote zwarte ogen bleven voortdurend op Rhand gericht.

Hij aarzelde slechts even. Hij meende te begrijpen wat de jongere Cairhienin tot ji’e’toh dreef. Binnen zo’n twintig jaar waren ze tweemaal door de Aiel verslagen, en ze zouden zich wel afvragen waar het geheim lag. Of misschien dachten ze dat hun nederlagen enkel aantoonden dat de levenswijze van de Aiel beter was. De Aiel waren zichtbaar van streek. Zij zagen het als een bespotting van hun overtuigingen, maar feitelijk leken sommige Aielmanieren waardoor ze gai’shain werden, even merkwaardig. Het spreken met een man van zijn schoonvader of een vrouw van haar schoonmoeder – of zoals de Aiel het zeiden, van de tweedevader en tweedemoeder – werd als zo vijandig beschouwd dat er wapens getrokken konden worden, tenzij die ouderen er als eersten over hadden gesproken. Als de beledigde partij in plaats daarvan de spreker daarna aanraakte, was dat binnen ji’e’toh hetzelfde als het aanraken van een gewapende vijand zonder hem kwaad te doen. Daarmee werd veel ji verworven en het vroeg om veel toh, maar de aangeraakte kon eisen dat hij gai’shain werd gemaakt om de eer van de ander en hun eigen verplichting te verminderen. Onder ji’e’toh moest een gepaste eis om gai’shain te mogen zijn worden ingewilligd, dus kon een man of een vrouw als gai’shain eindigen, omdat hij een man of vrouw van zijn schoonvader of -moeder had genoemd. Dat was nauwelijks minder dwaas dan wat deze Cairhienin deden. Eigenlijk kwam het neer op één ding. Hij had Berelain de leiding gegeven, hij moest haar steunen. Zo eenvoudig was dat. ‘Cairhienin beledigen jou louter door het feit dat ze Cairhienin zijn, Rhuarc. Laat ze maar. Wie weet, misschien leren ze uiteindelijk zoveel dat jullie ze niet meer hoeven te haten.’

Rhuarc gromde zuur en Berelain glimlachte. Tot Rhands verrassing leek ze heel even van plan haar tong tegen de Aielman uit te steken. Maar dat verbeeldde hij zich natuurlijk. Ze was maar enkele jaren ouder dan hij, maar regeerde al over Mayene toen hij nog schaapherder in Emondsveld was.