Hij stuurde Corman en Havien terug naar hun groep en Rhand liep verder met Rhuarc en Berelain naast hem en de rest achter hem. Een optocht. Alleen trommels en trompetten ontbraken. Het gekletter van oefenzwaarden klonk achter hem weer op. Ook een verandering, hoe klein dan ook. Zelfs Moiraine die de Voorspellingen van de Draak lang had bestudeerd, had niet geweten of zijn breken van de wereld een nieuwe Eeuw zou brengen, maar hij wist zeker dat hij veranderingen bracht, hoe dan ook. Blijkbaar evenveel toevallig als opzettelijk.
Nadat ze de deur hadden bereikt van de werkkamer die Berelain en Rhuarc deelden – opgaande zonnen versierden de hoge panelen van het glanzend donkere hout, wat aangaf dat die kamer eenmaal voor koninklijk gebruik was bestemd – bleef Rhand staan en draaide zich om naar Sulin en Urien. Als hij hier niet alle lijfwachten kon wegsturen, kon dat nergens, ik ben van plan ongeveer een uur na zonsopgang naar Caemlin terug te keren. Tot dan kunnen jullie de tenten bezoeken, je vrienden opzoeken en proberen geen bloedige vetes te beginnen. Als jullie erop staan, mogen er twee blijven om me tegen de muizen te beschermen. Ik denk niet dat er op deze plek iets groters op me af zal springen.’
Urien grijnsde even en knikte, hoewel hij een gebaar op hoofdhoogte maakte naar een Cairhienin en mompelde: ‘Muizen kunnen hier heel groot zijn.’
Even dacht Rhand dat Sulin bezwaar zou maken. Haar vlakke blik duurde echter maar kort voor ze knikte, nog steeds met een stijf dichtgeknepen mond. Ongetwijfeld zou hem alles worden uitgemeten wanneer alleen de Speervrouwen het konden horen. Het grote werkvertrek was een toonbeeld van grote tegenstellingen, ook nu hij het voor de tweede keer zag. Op het hoge witgepleisterde plafond vormden rechte lijnen en hoeken ingewikkelde vaste patronen, net als op de muren en op een brede open haard van blauw marmer. In het midden van de kamer stond een stevige tafel die bedolven was onder papieren en kaarten die een soort grens aangaven. In de twee hoge smalle vensters aan een kant van de haard stonden op een brede vensterbank aardewerken potten met planten die fijne rood-witte bloempjes droegen. Aan die kant van de tafel hing aan de lange muur een muurtapijt met schepen op zee, mannen die netten met olievis ophaalden, de bron van Mayenes welvaart. Een houten borduurring met een naald en een rode draad op een werkje dat half af was, lag op een stoel met een hoge rug die breed genoeg was om er lekker met opgetrokken benen in te zitten als Berelain dat wenste. Er lag een vloertapijt met bloemenpatronen van goud, rood en blauw, en op een klein tafeltje naast de stoel waren een zilveren wijnkan en roemers op een zilveren schaal zichtbaar, alsmede een dun in leer gebonden boek met goudopdruk, wat aangaf dat dat Berelains plekje was. De vloer aan de andere kant van de tafel was onzichtbaar onder vele lagen felgekleurde kleedjes en rode, blauwe en groene kussens met kwasten, die overal in het rond lagen. Een tobakszak, een korte pijp en een tang lagen naast een afgedekte koperen ketel boven op een kleine, met koper beslagen kist. Op een iets grotere kist met ijzeren banden stond een ivoren beeldje van een slungelig dier dat volgens Rhand in het echt niet bestond. Zo’n twintig boeken in alle maten, van zo klein dat ze in een jas pasten, tot zo groot dat zelfs Rhuarc twee handen zou moeten gebruiken om ze op te rapen, stonden in een nette rij op de grond langs de muur. Aiel maakten alles wat ze nodig hadden in de Woestenij zelf, met uitzondering van boeken. Marskramers die boeken verkochten, verdienden bij de Aiel fortuinen. ‘Goed,’ zei Rhand, nadat de deur was gesloten en hij alleen was met Berelain en Rhuarc. ‘Hoe is de toestand echt?’
‘Zoals ik al zei,’ antwoordde Berelain. ‘Zo goed als verwacht mag worden. Er wordt op straat meer over Caraline Damodred en Toram Riatin gepraat, maar de meeste mensen zijn de oorlog zo zat dat ze er voorlopig geen willen zien.’
‘Er wordt gezegd dat tienduizend soldaten uit Andor zich bij hen hebben gevoegd,’ begon Rhuarc, die met de duim zijn pijn stopte. ‘Geruchten vermenigvuldigen alles altijd met tien, zo niet twintig, maar het kan moeilijkheden geven als het waar is. De verkenners zeggen dat hun aantal nog niet zo groot is, maar als we ze aan hun lot overlaten, kan het erger worden dan vervelend. De geelvlieg is bijna te klein om te zien, maar als hij een eitje in je huid achterlaat, verlies je een arm of been voor hij uitvliegt – als hij je niet doodt.’ Rhand gromde nietszeggend. De opstand van Darlin in Tyr was niet de enige waarmee hij had af te rekenen. Huis Riatin en Huis Damodred, de laatste twee Huizen die de Zonnetroon hadden bezet, waren voor Rhands komst verbitterde tegenstanders geweest en zouden het waarschijnlijk weer zijn als hij verdween. Nu hadden ze hun onderlinge strijd neergelegd – ogenschijnlijk tenminste, wat er onder het oppervlak plaatsvond, kon bij Cairhienin iets geheel anders zijn – om net als Darlin krachten te verzamelen op een plek die Toram en Caraline veilig achtten. In hun geval waren dat de eerste heuvels van de Rug van de Wereld, zo ver mogelijk van de stad vandaan, maar toch nog in het land zelf. Ze hadden hetzelfde samenraapsel aan mannen onder zich als Darlin: edelen van voornamelijk lagere adel, dakloze landmensen, enkele echte geharde huurlingen en misschien een paar voormalige struikrovers. En wellicht had Nial hier eveneens de hand in, net als bij Darlin.
Die lage heuvels waren lang zo ondoordringbaar niet als Haddon Mirk, maar Rhand hield zich afzijdig. Hij had te veel vijanden op te veel plaatsen. Als hij inhield om hier Rhuarcs geeivlieg plat te slaan, kon hij ergens anders rekenen op luipaardklauwen in zijn rug. Hij was van plan het luipaard als eerste aan te pakken. Al had hij graag geweten waar de andere luipaarden zich bevonden.
‘Hoe staat het met de Shaido’s?’ vroeg hij, en hij legde de Drakenstaf op een half opengerolde kaart. Daarop stond het noorden van Cairhien en de bergketen die Therins Dolk werd genoemd. De Shaido-Aiel waren wellicht geen luipaard zoals Sammael, maar waren wel sterker dan Hoogheer Darlin of vrouwe Caraline. Berelain overhandigde hem een roemer wijn en hij bedankte haar. ‘Hebben de Wijzen ergens iets over Sevanna’s bedoelingen verteld?’ Volgens hem hadden er toch minstens een of twee een beetje kunnen luisteren en rondkijken, wanneer ze naar Therins Dolk reisden. Hij durfde er wat om te verwedden dat de Shaido-Wijzen dat deden wanneer ze ten zuiden van de Gaelin kwamen. Over allebei de dingen zei hij natuurlijk niets. De Shaido had dan misschien ji’e’toh achter zich gelaten, maar Rhuarc koesterde het aloude Aielstandpunt over verspieders. Het standpunt van de Wijzen was een heel andere zaak, hoewel moeilijk viel vast te stellen wat dat precies was.
‘Ze zeggen dat de Shaido vesten aan het inrichten is.’ Rhuarc zweeg en gebruikte een tang om een heet kooltje uit de met zand gevulde koperen ketel op zijn pijp te drukken. Toen die brandde, vervolgde hij: ‘Ze denken dat de Shaido’s het plan hebben nooit meer naar het Drievoudige Land terug te keren. Ik deel die mening.’ Rhand streek met zijn hand door zijn haren. Caraline en Toram als een zweer en de Shaido’s die zich voorgoed aan deze kant van de Drakenmuur vestigden. Een veel gevaarlijker mengseltje dan Darlin. En de onzichtbare vinger van Alanna leek hem bijna aan te raken, is er nog ander goed nieuws?’
‘Er is strijd in Shamara,’ zei Rhuarc met de pijp in zijn mond. ‘Waar?’ vroeg Rhand.
‘Shamara. Of Shara. Ze geven hun land vele namen. Co’dansin, Tomaka, Kigali en nog weer anders. Ze kunnen allemaal te goeder trouw zijn of allemaal niet. Ze liegen zomaar, dat volk. Rol elke rol zijde af die je van hen koopt, anders zul je merken dat alleen de buitenkant echte zijde is. En als je de volgende keer in de handelspost bent en toevallig de man tegenkomt die handel met je dreef, zal hij ontkennen jou te hebben gesproken of al eerder iets aan jou te hebben verkocht. Als je volhoudt, zullen de anderen hem doden om jou tevreden te stellen en vervolgens zeggen dat hij alles zou doen om zijn zijde te verkopen. Ten slotte proberen ze je water voor wijn aan te smeren.’
‘Waarom is strijd in Shara goed nieuws?’ vroeg Rhand zachtjes. Hij wilde het antwoord niet echt weten. Berelain luisterde belangstellend. Afgezien van de Aiel en het Zeevolk wist niemand meer van de afgesloten landen achter de Woestenij dan dat er ivoor en zijde vandaan kwamen. Dat, en de verhalen in De Reizen van ]aim Kimstapper, die waarschijnlijk voor het grootste deel verzonnen waren. Nu Rhand er echter aan dacht, herinnerde hij zich dat het liegen en de verschillende namen eerder waren genoemd. De voorbeelden van Kimstapper pasten echter niet bij die van Rhuarc, voor zover hij nog wist.