Выбрать главу

‘Er wordt nooit strijd gevoerd in Shara, Rhand Altor. Men zegt dat ook daar de Trollok-oorlogen hebben gewoed,’ – er waren eveneens Trolloks opgedoken in de Aiel Woestenij, waarna ze het Aielland de Stervensgrond noemden – ‘maar als er daarna ook maar één veldslag is geweest, dan is die nooit tot de handelsposten doorgedrongen. Er komen maar weinig berichten van Shara’s handelsposten binnen. Ze zeggen dat hun land altijd een en onverdeeld is geweest, dat er niet zoveel naties zijn en het er altijd vreedzaam is. Nadat je als de Car’a’carn uit Rhuidean was gekomen, heeft het nieuws over jou en over de titel die de natlanders jou geven zich verspreid. De Herrezen Draak. Het nieuws is naar de handelsposten langs de Grote Slenk en de Klippen van de Dageraad getrokken.’ Rhuarcs ogen waren kalm en vast, hij was er niet bezorgd over. ‘Nu komen er berichten uit het Drievoudige Land terug. Er wordt gevochten in Shara en de Sharanen in de handelsposten vragen wanneer de Herrezen Draak de wereld zal gaan breken.’

Opeens smaakte de wijn zuur. Weer een land als Tarabon en Arad Doman, verscheurd en verdeeld door nieuws over hem. Hoe ver deinden de rimpelingen door? Waren er oorlogen vanwege hem gaande, waar hij nooit van zou horen, in landen waar hij nooit van had gehoord? De dood rijdt mee op mijn schouder, mompelde Lews Therin. De dood wandelt in mijn voetafdrukken. Ik ben de dood. Huiverend zette Rhand zijn roemer op de tafel. Hoe ver wilden de Voorspellingen gaan met al die kwellende duidingen en grootse, op zichzelf terugkerende verzen? Werd hij verondersteld Shara, of hoe het land ook heette, aan Cairhien en de andere landen toe te voegen? De gehele wereld? Hoe was dat mogelijk, wanneer hij Tyr en Cairhien niet eens volledig beheerste? Dat zou meer tijd kosten dan een mensenleven. Andor. Ook al was hij voorbestemd in elk land een scheuring te brengen, de hele wereld te verscheuren, dan nog wilde hij Andor veilig voor Elayne bewaren. Hoe dan ook.

‘Shara, of hoe het ook heet, ligt hier heel ver vandaan. Ik doe één stap tegelijk en Sammael is de volgende.’

‘Sammael,’ beaamde Rhuarc. Berelain huiverde en ledigde haar roemer.

Een tijdlang spraken ze over de Aiel die nog steeds naar het zuiden trokken. Rhand was van plan de hamer die in Tyr werd gevormd, zichtbaar zo groot te maken dat alles wat Sammael tegen hem in het veld kon brengen, verpletterd kon worden. Rhuarc leek tevreden, maar Berelain klaagde dat er meer mannen in Cairhien moesten blijven. Tot Rhuarc haar stil maande. Ze mompelde iets over dat hij voor zijn eigen bestwil veel te koppig was, maar sprak verder over de pogingen de boeren weer naar hun land terug te krijgen. Ze dacht dat er volgend jaar geen behoefte meer zou zijn aan graan uit Tyr. Als er aan de droogte ooit een einde kwam. Als dat niet gebeurde, zou Tyr niet eens voldoende graan voor zichzelf hebben, laat staan voor andere naties. De eerste tekenen van handel werden weer zichtbaar. Er kwamen steeds meer kooplieden uit Andor, Tyr, Morland en uit het noorden van de Grenslanden. Een schip van het Zeevolk had die ochtend zelfs het anker laten vallen in de rivier, wat ze heel vreemd vond, zo ver van zee, maar ze waren welkom.

Berelains gezicht werd steeds zakelijker en haar stem klonk bruusk, terwijl ze rond de tafel schoof, waarbij ze stapels papieren oppakte en weer neerlegde. Ze noemde wat Cairhien nodig moest kopen en wat het zich kon veroorloven, wat het nu had aan te bieden en wat het over zes maanden en over een jaar beschikbaar zou hebben. Afhankelijk van het weer, natuurlijk. Ze ging er aan voorbij alsof het van weinig belang was, hoewel ze Rhand effen aankeek met een blik die zei dat als hij de Herrezen Draak was, hij de manier behoorde te vinden om aan de hitte een eind te maken. Rhand had haar wulps en verleidelijk, doodsbang, uitdagend of heel hooghartig meegemaakt, maar nog nooit op deze manier. Ze leek een andere vrouw. Rhuarc, die pijp rokend op een van zijn kussens zat, leek vermaakt naar haar te kijken. ‘... die school van jou zou wat goeds kunnen opleveren,’ zei ze fronsend naar een lang papier dat vol stond met fijne kleine lettertjes, ‘als ze eens een tijdlang geen nieuwe dingen bedenken, maar gewoon maken wat ze eerder hebben bedacht.’ Ze tikte met een vinger tegen haar lippen en tuurde naar niets in het bijzonder. ‘Jij hebt gezegd hun al het goud te geven waarom ze vragen, maar als je me toestaat wat achter te houden, tenzij ze echt...’

Jalani stak haar blonde hoofd om de deur – Aiel leken niets te begrijpen van aankloppen – en zei: ‘Mangin is hier om met Rhuarc te spreken, en met jou, Rhand Altor.’

‘Zeg hem dat ik heel graag later met hem...’ begon Rhand, maar Rhuarc onderbrak hem kalm.

‘Je moet nu met hem praten, Rhand Altor.’ Het gezicht van het stamhoofd stond ernstig. Berelain had het lange papier op de tafel teruggelegd en keek aandachtig naar de vloer.

‘Goed dan,’ zei Rhand langzaam.

Jalani’s hoofd verdween en Mangin kwam binnen. Hij was langer dan Rhand en was een van de Aiel die de Drakenmuur waren overgestoken om Hij die komt met de dageraad te zoeken, een van de handvol krijgers die de Steen in Tyr hadden veroverd. ‘Zes dagen geleden heb ik een man gedood,’ begon hij zonder verdere inleiding. ‘Een boomdoder en ik moet weten of ik toh jegens jou heb, Rhand Altor.’

‘Jegens mij?’ zei Rhand. ‘Je kunt jezelf verdedigen, Mangin. Licht, je weet dat...’ Opeens zweeg hij en keek in grijze ogen die weinig toonden maar zeker geen angst. Nieuwsgierigheid misschien. Rhuarcs gezicht vertelde hem weinig, Berelain weigerde hem nog steeds aan te kijken. ‘Hij heeft je toch aangevallen, niet?’

Mangin schudde licht het hoofd, ik zag dat hij verdiende te sterven, dus heb ik hem gedood.’ Hij zei het heel terloops, alsof hij had gezien dat de afvoer schoongemaakt moest worden en dat hij dat toen had gedaan. ‘Maar jij hebt gezegd dat we de eedbrekers niet kunnen doden, behalve in de strijd of als ze ons aanvallen. Heb ik nu toh jegens jou?’

Rhand herinnerde wat hij had gezegd... hem zal ik ophangen. Zijn borst voelde strak aan. ‘Waarom verdiende de man de dood?’

‘Hij droeg iets waarop hij geen recht had,’ antwoordde Mangin. ‘Wat dan? Wat droeg hij, Mangin?’

Rhuarc gaf antwoord en wees op zijn linker onderarm. ‘Dit.’ Hij bedoelde de Draak die zich om zijn arm slingerde. Stamhoofden lieten die niet vaak zien en spraken er zelden over. Bijna alles rond de merktekenen was gehuld in geheimen en de hoofden wilden dat graag zo houden. ‘Het was uiteraard iets met inkt en naalden en zo.’ Een huidplaatje.

‘Hij deed alsof hij stamhoofd was?’ Rhand besefte dat hij naar een uitvlucht zocht... hem zal ik hangen. Mangin was een van de eersten geweest die hem hadden gevolgd.

‘Nee,’ antwoordde Mangin. ‘Hij was aan het drinken en praalde met wat hij niet behoorde te hebben. Ik zie je ogen, Rhand Altor.’ Hij grijnsde opeens. ‘Het is lastig. Ik had het recht hem te doden, maar nu heb ik toh jegens jou.’

‘Je deed er verkeerd aan hem te doden. Je kent de straf voor moord.’

‘Een touw om de nek, zoals deze natlanders plegen te doen.’ Mangin knikte nadenkend. ‘Zeg me maar waar en wanneer; ik zal er zijn. Moge je vandaag water en schaduw vinden, Rhand Altor.’

‘Moge je water en schaduw vinden, Mangin,’ gaf Rhand bedroefd ten antwoord.

‘Ik neem aan,’ zei Berelain, toen de deur achter Mangin dichtviel, ‘dat hij echt uit eigen vrije wil naar zijn strop zal lopen. O, kijk me niet zo aan Rhuarc. Ik ga niet tegen hem of de eer van de Aiel in.’