Выбрать главу

‘Mervin mag wat mij betreft een nieuwe Eeuw brengen,’ zei hij droogjes. Werd het ding geacht muziek voort te brengen? Al dat gepiep? ‘Ik heb Herid niet gezien. Is hij vergeten naar beneden te komen?’ Idrien zuchtte weer. Herid Fel was een Andoraan die op de een of andere manier in de librije van Cairhien was blijven hangen – een student in de geschiedenis en wijsbegeerte, noemde hij zichzelf – en nauwelijks van het soort dat ze aan haar boezem sloot. ‘Mijn heer Draak. Hij komt nooit zijn kamer uit, behalve als hij naar de librije gaat.’ Het afscheid vereiste een kleine toespraak die hij afstak op een kruk met de Drakenstaf in zijn arm, waarbij hij vertelde dat hun scheppingen prachtig waren. Sommige konden, voor zover hij wist, dat ooit best zijn. Daarna kon hij er met Jalani en Dedric vandoor. En met Lews Therin en Alanna. Ze lieten een opgewekt gebabbel achter zich. Hij vroeg zich af of er, afgezien van Idrien, ooit iemand in de school een wapen had uitgevonden.

Herid Fels werkkamer lag op een van de hogere verdiepingen, waar het uitzicht niet meer voorstelde dan het donkere pannendak van de school, een plein en een gelede toren die al het andere afschermde. Herid beweerde dat hij toch nooit naar buiten keek. ‘Jullie kunnen hier wachten,’ zei Rhand, toen ze bij een smalle deur kwamen. De kamer erachter was ook smal. Rhand zag verbaasd dat Jalani en Dedric meteen instemden.

Opeens klikten enkele dingetjes in elkaar. Jalani had niet eenmaal afkeurend naar zijn zwaard gekeken, iets waar zij anders een punt van maakte, sinds hij uit het overleg met Rhuarc en Berelain was gekomen. Noch zij, noch Dedric had het paard in de stal echt goed bekeken, of een minachtende opmerking gemaakt over dat zijn eigen benen goed genoeg waren, ook iets dat ze regelmatig deed.

Terwijl Rhand zich naar de deur wendde, bevestigden ze het bijna, doordat Jalani Dedric van boven tot onder opnam. Kort, maar beslist met openlijke belangstelling en een glimlach. Dedric negeerde haar zo nadrukkelijk dat hij net zo goed naar elders had kunnen staren. Zo deden de Aiel het: net doen of je het niet begreep tot de vrouw zich wat duidelijker uitsprak. Zij zou hetzelfde hebben gedaan als hij met kijken was begonnen.

‘Veel plezier, samen,’ zei Rhand over zijn schouder, wat twee geschokte blikken opleverde, en hij ging naar binnen.

De kleine kamer leek bijna helemaal uit boeken en rollen en stapels papier te bestaan. Overvolle planken bekleedden de wanden tot aan het plafond, behalve waar de deur en twee openstaande raampjes waren. De tafel lag onder de boeken en papieren en nam veel plaats in; er lagen boeken in een hoop op een tweede stoel en hier en daar op nog lege, kleine stukjes vloer. Herid Fel was een stevige man die keek alsof hij die ochtend vergeten was zijn dunne grijze haren te kammen. Hij had zijn gedoofde pijp tussen de tanden geklemd en de voorkant van zijn gekreukelde bruine jas zat onder de as. Hij keek Rhand even met zijn ogen knipperend aan en zei opeens: ‘O, ja. Natuurlijk. Ik was van plan...’ Hij keek fronsend naar het boek in zijn handen, zette zich achter de tafel en ging zachtjes mompelend met een vinger door enkele losse blaadjes papier. Hij keerde terug naar het titelblad en krabde zijn hoofd. Ten slotte keek hij Rhand weer aan en knipperde opnieuw verbaasd met zijn ogen. ‘O, ja. Waarover wilde je ook alweer praten?’

Rhand maakte de tweede stoel leeg, legde boeken en papier op de vloei; bekroonde de stapel met de Drakenstaf en ging zitten. Hij had in de school getracht met anderen te praten, met wijsgeren en geschiedkundigen, geleerde vrouwen en gevorderde leerlingen, en het leek of je een Aes Sedai probeerde vast te praten. Ze waren heel zeker van de zaken waar ze zeker van waren en voor het overige verdronken ze je in woorden die van alles konden betekenen. Ze werden boos als je aanhield – ze leken dan te denken dat hij hun kennis betwijfelde, blijkbaar een enorme, grote fout – of hun woordenstroom werd zo groot dat hij nog maar de helft begreep, of ze werden onderdanig en probeerden uit te vissen wat hij wilde horen, zodat ze het hem konden zeggen. Herid was anders. Een van de zaken die nooit lang in zijn hoofd bleven hangen, was dat Rhand de Herrezen Draak was, wat Rhand best vond. ‘Wat weet je over Aes Sedai en zwaardhanden, Herid? Over de binding?’

‘Zwaardhand? Binding? Evenveel als ieder ander die geen Aes Sedai is, neem ik aan. Wat dus niet veel zegt, hè?’ Herid trok aan zijn pijp en leek niet te beseffen dat die uit was. ‘Wat wilde je weten?’

‘Kan de binding worden verbroken?’

‘Verbroken? O nee, ik denk van niet. Tenzij je bedoelt bij de dood van ofwel de zwaardhand ofwel de Aes Sedai. Daarmee wordt zij verbroken. Denk ik. Ik herinner me dat iemand eens iets over die binding heeft geschreven, maar ik weet niet meer...’ Zijn blik viel op een stapel aantekeningen op zijn tafel. Met zijn vingertoppen schoof hij ze naar zich toe en begon fronsend en hoofdschuddend te lezen. De aantekeningen leken van hemzelf, maar hij was het er blijkbaar niet meer mee eens.

Rhand zuchtte. Hij had het gevoel dat hij, als hij zijn hoofd maar snel genoeg omdraaide, Alanna’s hand boven zich zou zien hangen. ‘Hoe staat het met de vraag die ik je de vorige keer voorlegde? Herid? Herid?’

Het hoofd van de forse man schoot omhoog. ‘O ja. Vraag. Vorige keer. Tarmon Gai’don. Tja, ik weet niet hoe het zal zijn. Trolloks, neem ik aan. Gruwheren? Ja, Gruwheren. Maar ik heb zo eens nagedacht. Het kan de Laatste Slag niet zijn, ik denk tenminste van niet. Misschien kent elke Eeuw een Laatste Slag. Of de meeste Eeuwen.’ Opeens keek hij fronsend langs zijn neus neer op de tussen zijn tanden geklemde pijp en rommelde tussen de papieren op tafel. ‘Ergens heb ik hier een vuurslag.’

‘Wat bedoel je met dat het niet de Laatste Slag kan zijn?’ Rhand hield zijn stem vlak. Herid kwam altijd weer bij het onderwerp terug; je moest hem enkel de juiste richting in duwen.

‘Wat? Ja, precies het punt. Het kan de Laatste Slag niet zijn. Zelfs als de Herrezen Draak de kerker van de Duistere weer even goed verzegelt als de Schepper heeft gedaan. En dat kan hij denkelijk niet.’ Hij boog zich naar voren en maakte zijn stem samenzweerderig zacht. ‘Hij is niet de Schepper, weet je, wat ze ook op straat beweren. Niettemin, iemand dient de kerker weer te verzegelen. Het Rad, begrijp je.’

‘Nee, dat doe ik niet...’ Rhands stem stierf weg. ‘Jawel, je begrijpt het best. Je zou een goede leerling zijn.’ Herid griste de pijp uit zijn mond en beschreef met de steel een rondje in de lucht.

‘Het Rad des Tijds. Eeuwen komen en gaan en komen weer bij het draaien van het Rad. Het hele leerboekje.’ Opeens gaf hij porrend een punt aan op het denkbeeldige rad. ‘Hier is de kerker van de Duistere nog heel. Hier hebben ze er een gat in geboord en weer verzegeld.’ Hij bewoog de steel langs de boog die hij had geschetst. ‘Wij zitten hier. De zegels verzwakken, maar dat is natuurlijk niet zo belangrijk.’ De pijpensteel kwam op het uitgangspunt terug. ‘Wanneer het Rad teruggedraaid is tot hier, op de plek waar ze voor het eerst het gat hebben geboord, moet de kerker van de Duistere weer heel zijn.’

‘Waarom? Misschien voor de volgende keer dat ze door de stop heen boren. Misschien konden ze het de laatste keer op die manier doen – boren in wat de Schepper heeft gemaakt, bedoel ik – misschien hebben ze de Bres door een stop geboord en weten wij dat gewoon niet.’ Herid schudde zijn hoofd. Heel even staarde hij naar zijn pijp en opnieuw drong tot hem door dat die niet aan was. Rhand dacht al dat hij hem misschien weer terug moest roepen, maar in plaats daarvan knipperde Herid met zijn ogen en vertelde verder, iemand moest het op een of andere dag maken. Voor de eerste keer, bedoel ik, tenzij je denkt dat de Schepper in den beginne de gevangenis van de Duistere met een gat en een stop schiep.’ Zijn wenkbrauwen bewogen op en neer bij die gedachte. ‘Nee, het was aanvankelijk heel en ik denk dat het weer heel zal zijn wanneer de Derde Eeuw wederom aanbreekt. Hmmm. Ik vraag me af of zij het de Derde Eeuw noemden?’ Haastig doopte hij een pen in de inkt en krabbelde een aantekening op de rand van een openliggende bladzij. ‘Hmmm. Doet er nu niet toe. Ik zeg zeker niet dat de Herrezen Draak degene zal zijn die het weer dicht maakt, wat trouwens noodzakelijkerwijs niet in deze Eeuw hoeft te gebeuren, maar het moet geschieden voor de Derde Eeuw terugkomt en er voldoende tijd na het dichten is verstreken – minstens een Eeuw – waarin niemand zich de Duistere of zijn kerker herinnert. Niemand herinnert het zich. Hmmm. Ik vraag me af...’ Hij tuurde naar zijn aantekeningen, krabde zijn hoofd en leek te schrikken toen hij merkte dat hij daarvoor de hand met de pen gebruikte. Er zat een veeg inkt in zijn haar. ‘Elke Eeuw waarin de zegels verzwakken moet zich uiteindelijk de Duistere herinneren, opdat ze hem bestrijden en hem weer opsluiten.’ Hij stak zijn pijp tussen zijn tanden en probeerde nog iets op te schrijven zonder de pen in de inkt te dopen.