Выбрать главу

‘Tenzij de Duistere uitbreekt,’ zei Rhand kalm, ‘om het Rad des Tijds te breken en de tijd en de wereld naar zijn eigen beeld te herscheppen.’

‘Dat is zo.’ Herid trok zijn schouders op en keek fronsend naar zijn pen. Eindelijk dacht hij aan de inktpot. ‘Ik veronderstel dat daaraan door jou of mij niet veel gedaan kan worden. Waarom kom je niet hier om te leren? Ik neem niet aan dat Tarmon Gai’don morgen zal plaatsvinden en dan gebruik je je tijd even nuttig als...’ is er enige reden voor het breken van de zegels denkbaar?’ Herids wenkbrauwen schoten omhoog. ‘De zegels breken? De zegels breken? Waarom zou iemand dat willen doen? Alleen een gek wellicht! Kunnen ze wel breken? Ik heb eens iets gelezen over dat dat niet kan, maar ik herinner me niet of er stond waarom. Hoe kom je op die gedachte?’

‘Ik weet het niet.’ Rhand zuchtte. Ergens in zijn hoofd zong Lews Therin. Breek de zegels, en maak er een eind aan. Laat me voor eeuwig doodgaan.

Zichzelf vergeefs koelte toewuivend met een punt van haar omslagdoek gluurde Egwene beide kanten van de zijgang op, in de hoop dat ze niet opnieuw verdwaald was. Ze was bang dat het wel het geval was en vond dat niet fijn. Het Zonnepaleis bevatte spannenlange gangen, waarin het niet veel koeler was dan buiten en ze was hier te weinig geweest om er goed de weg te weten.

Overal waren Speervrouwen, in groepjes van twee of drie, veel meer dan Rhand gewoonlijk met zich meenam, veel meer dan gebruikelijk wanneer hij er niet was. Ze leken enkel wat te wandelen, maar iets aan hun gedrag gaf een heimelijke indruk. Een aantal kende haar van gezicht en ze had best nu en dan iets aardigs mogen horen. De Speervrouwen leken te hebben besloten dat ze veel meer een leerlinge van de Wijzen was dan een Aes Sedai en sommigen vonden haar helemaal geen Aes Sedai meer. Wanneer ze haar echter zagen, leken ze even geschrokken, voor zover men bij een Aiel van schrik kon spreken. Begroetende knikjes kwamen net een tikkeltje te laat en ze haastten zich zwijgend verder. Dit alles nodigde haar niet uit om de richting te vragen.

In plaats daarvan keek ze fronsend een zwetende bediende aan, met smalle blauwe en gouden banen op zijn polskragen, en vroeg hem hoe ze er vanaf deze plek kon komen. Het probleem was dat ze niet volkomen zeker wist waar ze heen wilde. Jammer genoeg was de man duidelijk wat schrikachtig nu er zoveel Aiel rondliepen. Nu een fronsende Aielse tegenover hem stond – ze leken nooit haar donkere ogen te zien, die geen enkele Aiel had – en zijn hoofd waarschijnlijk vol zat met verhalen over Speervrouwen, draaide hij zich om en rende zo hard mogelijk weg.

Ze snoof geërgerd. Ze had toch geen aanwijzingen nodig. Vroeg of laat zou ze in een gang komen die ze kende. Het had in elk geval geen zin weer terug te gaan naar haar vertrekpunt, maar welk van de andere drie gangen moest ze in? Ze koos er een en schreed vastbesloten door. Zelfs enkele Speervrouwen gingen voor haar opzij. In feite voelde ze zich narrig. Het had heerlijk moeten zijn Aviendha na al die tijd weer te zien, maar de vrouw had haar slechts koel toegeknikt en was voor een gesprek de tent van Amys ingedoken. Een gesprek onder vier ogen had Egwene gemerkt toen ze Aviendha had willen volgen.

Je bent niet geroepen, had Amys scherp gezegd, terwijl Aviendha in kleermakerszit tegenover haar op de kussens zat en terneergeslagen naar de vele tapijten voor haar staarde. Ga een stuk wandelen. En eet iets. Een vrouw boort er niet als een rietstengel uit te zien. Bair en Melaine waren aan komen snellen, gewaarschuwd door een gai’shain, maar Egwene was buitengesloten. Het had een beetje geholpen dat een hele rij Wijzen ook was omgedraaid, maar slechts een beetje. Ze was per slot van rekening Aviendha’s vriendin, en bij mogelijke moeilijkheden wilde Egwene helpen. ‘Waarom ben je hier?’ wilde Sorilea achter haar weten. Egwene was trots op zichzelf. Ze draaide zich kalm om en keek de Wijze van de Shendeveste aan. Ze was lid van de Jarrasibbe van de Sharien en had dun wit haar. Haar tanige huid leek strak over de schedel te zijn getrokken. Ze was een en al pezen en botten en hoewel ze kon geleiden, had ze weinig Kracht tot haar beschikking, minder dan de meeste novices die Egwene kende. Feitelijk zou ze in de Toren nooit verder gekomen zijn dan novice voor ze zou worden weggestuurd. Natuurlijk telde geleiding niet zo erg mee bij de Wijzen. Welke geheimzinnige regels voor hen ook golden, pure wilskracht was de belangrijkste.

Zoals de meeste Aielvrouwen stak ze ruim een hoofd boven Egwene uit. Sorilea keek haar strak aan met groene ogen die een stier konden platslaan. Dat was een opluchting; Sorilea keek iedereen op die manier aan. Als ze iets op haar lever had, zou haar blik de muren vergruizelen en de wandtapijten in vlam zetten. Nou ja, die indruk had Egwene tenminste.

‘Ik wil Rhand spreken,’ zei Egwene. ‘En een wandeling om de tenten leek me een even goede oefening als de andere.’ Zeker beter dan vijf of zes keer snel rond de stadsmuren lopen, het gebruikelijke Aielidee van lichte oefeningen. Ze hoopte dat Sorilea niet naar het waarom zou vragen. Ze hield er echt niet van tegen een Wijze te liegen. Sorilea keek haar even strak aan, alsof ze iets stiekems had opgesnoven, maar schoof toen de omslagdoek wat hoger over haar smalle schouders en zei: ‘Hij is er niet. Hij is naar zijn school. Berelain Paeron geeft de wijze raad hem niet te volgen en ik ben het met haar eens.’ Egwene kon met veel moeite haar gezicht effen houden. Dat de Wijzen naar Berelain luisterden, was wel het laatste dat ze had verwacht. Ze behandelden haar als een geachte en verstandige vrouw, wat Egwene volkomen onbegrijpelijk vond, en niet doordat Rhand het bewind aan die vrouw had toevertrouwd. De Wijzen gaven nog geen kiezelsteen om het gezag bij de natlanders. Het leek belachelijk. Die Mayeense praalde maar rond in haar schandalige kleding en legde het met iedere man aan. Misschien deed ze nog wel meer dan dat, bedacht Egwene. Ze was in het geheel niet het soort vrouw dat Amys zou toelachen als een geliefde dochter. Sorilea evenmin. Onvermijdelijk dreven haar gedachten naar Gawein. Het was maar een droom geweest, en ook nog zijn droom. Zoiets deed Berelain zeker niet.

‘Wanneer de wangen van een jonge vrouw zomaar rood worden,’ merkte Sorilea op, ‘is er meestal een man in het geding. Welke man heeft je belangstelling getrokken? Kunnen we spoedig een bruidskrans verwachten die aan zijn voeten wordt neergelegd?’

‘Een Aes Sedai trouwt zelden,’ vertelde Egwene haar koel. Het gesnuif van de oude vrouw klonk alsof een linnen doek werd verscheurd. De Speervrouwen en de Wijzen, eigenlijk alle Aiel, hadden wellicht bedacht dat ze, zolang ze leerlinge was van Amys, geen Aes Sedai was, maar Sorilea voerde het nog verder door. Ze leek te denken dat Egwene Aiels was geworden. Bovendien vond Sorilea dat ze het recht had overal haar neus in te steken. ‘Maar jij wel, meisje. Jij bent niet iemand die Far Dareis Mai gaat worden en mannen een spelletje zoals jagen vindt, als het erop aankomt. Jouw heupen zijn gemaakt voor kinderen en je zult ze krijgen.’

‘Kunt u me zeggen waar ik op Rhand kan wachten?’ vroeg Egwene, zwakker dan haar lief was. Sorilea was geen droomloopster en dus niet in staat dromen uit te leggen en ze had zeker niet het talent van voorspellen, maar ze kon zo volkomen zeker iets zeggen dat het onvermijdelijk leek. Gaweins kinderen. Licht, hoe kon ze kinderen van Gawein krijgen? Feitelijk trouwden Aes Sedai bijna nooit. Er waren maar weinig mannen die een vrouw wilden trouwen die hem als een klein kind met de Kracht kon aanpakken, als ze dat verkoos. ‘Die kant op,’ zei Sorilea. is het Sanduin, die aantrekkelijke Zuiver-bloedige die ik gisteren bij Amys’ tent zag? Dat litteken maakt de rest van zijn gezicht knapper...’