Выбрать главу

Sorilea bleef meer namen noemen, terwijl ze Egwene door het paleis voorging, voortdurend sluw opzij loerend of Egwene iets liet merken. Ze deed ook haar best de goede eigenschappen van iedere man te noemen en aangezien dat een beschrijving inhield van hoe hij er zonder kleren uitzag – Aielmannen en -vrouwen maakten tegelijk gebruik van dezelfde zweettenten – riep dat zeker herhaaldelijk heel rode wangen op. Tegen de tijd dat ze de vertrekken bereikten waar Rhand de nacht zou doorbrengen, sprak Egwene verrukt en haastig haar dank uit en deed de deur van de zitkamer ferm dicht. Gelukkig moest de Wijze zelf iets afhandelen, anders had ze zich mee naar binnen gedrongen. Diep ademhalend begon Egwene haar rok goed te strijken en haar omslagdoek te schikken. Dat was onnodig, maar ze leek een heuvel te zijn afgerold. Die vrouw vond het prachtig voor koppelaarster te spelen. Ze was in staat de trouwkrans voor een vrouw te maken en haar mee te slepen om die neer te leggen aan de voeten van een door Sorilea uitverkoren man, die ze de arm zou omdraaien als hij de krans niet oppakte. Nou ja, niet letterlijk meesleuren en de arm omdraaien, maar het kwam er wel op neer. Natuurlijk zou Sorilea bij haar niet tot het uiterste gaan. Ze moest giechelen bij het idee. Sorilea dacht immers niet echt dat ze Aielse was geworden; ze wist dat Egwene een Aes Sedai was, of dacht dat in ieder geval. Nee, natuurlijk hoefde ze daarover niet bezorgd te zijn!

Met haar handen op de opgevouwen grijze omslagdoek die haar haren bijeenhield, verstarde ze bij het horen van zachte voetstappen in de slaapkamer. Als Rhand van Caemlin naar Cairhien kon springen, kon hij misschien ook rechtstreeks naar zijn slaapkamer gaan. En wellicht wachtte iemand of iets hem op. Ze omhelsde saidar en weefde verschillende nare dingen, klaar voor gebruik. Een vrouwelijke gai’shain kwam naar buiten met haar armen vol opgerolde lakens en schrok toen ze Egwene zag. Egwene liet saidar los en hoopte dat ze geen rood hoofd kreeg.

Bij een eerste blik onder de diepe kap van de witte mantel leek Niella veel op Aviendha. Tot je besefte dat je zes of zeven jaar aan het gezicht moest toevoegen, dat misschien niet zo bruin was, misschien wat voller. Aviendha’s zus was nooit Speervrouw geweest, maar weefster en ze had er nu ruim de helft van haar jaar en dag op zitten. Egwene begroette haar niet; het zou Niella verlegen maken. ‘Verwacht je Rhand gauw?’ vroeg ze.

‘De Car’a’carn zal komen wanneer hij komt,’ antwoordde Niella met haar ogen bescheiden neergeslagen. Dat leek echt vreemd. Op Aviendha’s gezicht, ook al was het wat voller, was nederigheid onbekend. ‘Het is aan ons gereed te zijn wanneer hij komt.’

‘Niella, heb je enig idee waarom Aviendha zich zo nodig met Amys, Bair en Melaine moest afzonderen?’ Het had zeker niets met droomlopen te maken. Sorilea was er even vaardig in als Aviendha. is ze hier dan? Nee, ik weet geen enkele reden.’ Maar Niella had haar blauwgroene ogen iets samengeknepen.

‘Je weet wel iets,’ hield Egwene aan. Ze kon net zo goed voordeel slaan uit de gehoorzaamheid van een gai’shain. ‘Zeg me wat het is, Niella.’ ik weet dat Aviendha me een pak ransel zal geven tot ik niet meer kan zitten, als de Car’a’carn me hier met vuil beddengoed aantreft,’ zei Niella droef. Egwene wist niet of er ergens ji’e’toh bij was betrokken, maar wanneer ze elkaar zagen, hield Aviendha haar zuster veel strakker aan haar plichten dan een andere gai’shain.

Niella’s rok sleepte over de patronen van het vloerkleed, terwijl ze haastig naar de deur gleed, maar Egwene greep haar bij de mouw. ‘Wanneer je tijd voorbij is, leg je dan het wit af?’

Het was een onbehoorlijke vraag, en bescheidenheid ging over in trots als bij een Speervrouw, iets anders maakt ji’e’toh bespottelijk,’ zei Niella stijfjes. Opeens flitste er een klein glimlachje rond haar lippen. ‘Bovendien zal mijn echtgenoot me komen halen en hij zou niet blij zijn.’ Het bescheiden masker keerde terug; ze sloeg haar ogen neer. ‘Mag ik nu weg? Als Aviendha er is, wil ik haar als het even kan vermijden, en ze zal naar deze vertrekken komen.’

Egwene liet haar gaan. Ze had trouwens toch niet het recht het te vragen. Het praten over het leven van een gai’shain voor of na het wit was beschamend. Ze voelde zichzelf wat beschaamd, hoewel ze natuurlijk niet echt ji’e’toh wilde volgen. Net genoeg om beleefd te zijn. Ze zette zich in een strakke, vergulde leunstoel met houtsnijwerk en voelde zich vreemd ongemakkelijk, nadat ze zo lang met gekruiste benen op kussens of op de grond had gezeten. Ze trok haar benen onder zich en vroeg zich af wat Aviendha met Amys en de andere twee had te bespreken. Zonder twijfel Rhand. Hij vormde een blijvende zorg voor de Wijzen. Ze gaven niets om de Voorspellingen van de Draak van de natlanders, maar kenden de Voorspelling van Rhuidean tot op de laatste letter. Wanneer hij de Aiel zou vernietigen, zoals hij volgens de Voorspelling zou doen, zou ‘een rest van een rest’ worden gered, en ze waren van plan ervoor te zorgen dat die rest zo groot mogelijk was. Daarom lieten ze Aviendha dicht bij hem blijven. Veel te dichtbij om nog netjes te zijn. In de slaapkamer zou ze ongetwijfeld Aviendha’s slaapmat op de vloer zien liggen. Maar de Aiel zagen die dingen anders. De Wijzen wilden dat Aviendha hem de manieren en gebruiken van de Aiel bijbracht. Hij diende zich te herinneren dat er Aielbloed in zijn aderen stroomde, al was hij niet Aiels opgevoed. Blijkbaar dachten de Wijzen dat daarvoor elk wakend uur gebruikt moest worden, en als ze dacht aan hun doel kon ze hun niet alles verwijten. Niet alles. Het bleef onbetamelijk een vrouw bij een man in dezelfde kamer te laten slapen.

Ze kon echter niets aan Aviendha’s moeilijkheid doen, zeker niet als Aviendha zelf het probleem niet leek te zien. Steunend op haar elleboog probeerde Egwene te bedenken hoe ze Rhand zou aanpakken. Haar gedachten bleven ronddraaien, maar ze had nog niets echt besloten toen hij binnenkwam en iets tegen twee Aiel mompelde voordat hij de deur sloot.

Egwene sprong overeind. ‘Rhand, je moet me met de Wijzen helpen. Naar jou luisteren ze,’ barstte ze los voor ze zich kon inhouden. Dit had ze helemaal niet bedoeld.

‘Fijn je weer te zien,’ zei hij glimlachend. Hij droeg de Seanchaanse speer weer, die nu vol draken was gesneden sinds ze hem voor het laatst had gezien. Ze had graag willen weten waar hij het ding had opgedoken. Alles wat met Seanchan te maken had, bezorgde haar kippenvel. ‘Met mij gaat het goed, dank je wel, Egwene. En met jou? Je lijkt je oude ik weer te zijn, evenveel pit als altijd.’ Hij zag er moe uit, en hard, zo hard dat de glimlach op zijn gezicht vreemd leek. Iedere keer dat ze hem zag, leek hij harder te zijn geworden.

‘Je hoeft niet te denken dat je leuk bent,’ bitste ze. Het was beter op dezelfde manier door te gaan. Beter dan in te binden en hem de ruimte te geven, wat hem nog meer reden voor gegrijns zou verschaffen. ‘Wil je me helpen?’

‘Hoe?’ Hij maakte het zich gemakkelijk – nou ja, ze waren in zijn kamers gooide de speer met de kwast op een tafeltje met luipaardpoten en deed zijn zwaardriem af en zijn jas uit. Op de een of andere manier zweette hij even weinig als een Aiel. ‘De Wijzen luisteren naar me, maar horen alleen wat ze willen horen. Ik herken hun lege blik steeds beter, wanneer ze besluiten dat ik onzin uitkraam en het liever negeren dan dat ze me met een opmerking beschamen of er ruzie over maken.’ Hij trok een vergulde stoel bij en ging onderuitgezakt voor haar zitten, de gelaarsde benen languit voor zich. Het lukte hem zelfs dat wat opschepperig te doen. Hij had zeker te veel mensen om hem heen die voor hem bogen.