Выбрать главу

‘Je praat soms onzin,’ mompelde ze. Doordat ze geen tijd had gekregen om na te denken, waren haar gedachten zeer ter zake. Ze schikte zorgvuldig haar omslagdoek en ging vlak voor hem staan, ik weet dat je graag weer iets van Elayne zou willen horen.’ Waarom werd zijn gezicht zo bedroefd en tegelijk zo winters koud? Waarschijnlijk doordat hij al zo lang niets meer van Elayne had vernomen, ik betwijfel of Sheriam Elaynes berichten voor jou aan de Wijzen heeft doorgegeven.’ Voor zover zij wist geen enkel, hoewel hij zelden in Cairhien was om ze aan te horen. ‘Elayne zou mij dat soort boodschappen wel toevertrouwen. Ik kan ze jou brengen, als je Amys ervan wilt overtuigen dat ik sterk genoeg ben om... om mijn lessen te hervatten.’ Ze wilde dat ze niet had gehaperd, maar hij wist al te veel van het droomlopen, al kende hij de naam Tel’aran’rhiod niet. Hij wist bijna alles, maar de naam was een goed bewaard geheim onder de Wijzen, vooral bij de droomloopsters zelf. Ze had niet het recht hun geheimen te verklappen.

‘Wil jij me zeggen waar Elayne is?’ Het was of hij om een beker thee vroeg.

Ze aarzelde, maar de afspraak tussen haar, Nynaeve en Elayne – Licht! hoe lang was het geleden dat ze die maakten? – die afspraak gold nog steeds. Hij was niet meer de jongen met wie ze was opgegroeid. Hij was een man, vol van zichzelf, en hoe zijn toon ook was, die strakke blik op haar gezicht eiste een antwoord. Als Aes Sedai en Wijzen al vonken sloegen, zouden de Aes Sedai en hij een vuurzee opwekken. Er moest een niemandsland tussen die twee bestaan, en alleen zij drieën waren daarvoor beschikbaar. Het moest gedaan worden, maar ze hoopte dat ze zich daardoor niet zouden branden, ik kan je het niet zeggen, Rhand. Ik heb het recht niet. Het is niet aan mij dat te vertellen.’

Ook dat was waar en ze kon hem tevens niet zomaar zeggen waar Salidar lag, ergens achter Altara, ergens langs de Eldar. Hij boog zich gespannen naar haar toe. ik weet dat ze bij de Aes Sedai is. Jij hebt me gezegd dat die Aes Sedai me steunen of misschien zullen steunen. Zijn ze bang voor me? Als dat zo is, wil ik best een eed afleggen om uit hun buurt te blijven. Egwene, ik ben van plan Elayne de Leeuwentroon en de Zonnetroon te geven. Ze kan op allebei aanspraak maken; Cairhien zal haar even snel aanvaarden als Andor. Ik heb haar nodig, Egwene.’

Egwene wilde wat zeggen en besefte dat ze op het punt stond alles wat ze van Salidar wist te vertellen. Nog net op tijd klemde ze haar tanden zo stevig op elkaar dat het pijn deed. Ze opende zich voor saidar. Het zoete gevoel van leven, zo sterk dat het al het andere overweldigde, leek te helpen; geleidelijk begon de drang om iets te zeggen weg te ebben.

Hij leunde met een zucht achteruit in zijn stoel en ze staarde hem met grote ogen aan. Het was één ding dat hij de sterkste ta’veren sinds Artur Haviksvleugel was, maar heel iets anders om er zelf in verwikkeld te raken. Ze kon nog net voorkomen dat ze huiverend haar armen om zich heen sloeg.

‘Je gaat het me niet vertellen,’ zei hij. Geen vraag. Bruusk veegde hij over zijn mouwen, wat haar eraan herinnerde dat ze saidar vasthield. Van zo dichtbij zou hij een lichte kriebel voelen. ‘Denk jij dat ik van plan was je te dwingen?’ snauwde hij opeens kwaad. ‘Ben ik nu al zo’n monster dat je de Kracht aangrijpt om je tegen mij te beschermen?’ ik heb niets nodig om me tegen jou te beschermen,’ zei ze zo kalm mogelijk. Haar maag draaide nog steeds rond. Hij was Rhand en hij was een geleider. Een deel van haar wilde brabbelen en janken. Ze schaamde zich ervoor, maar daarmee verdween het niet. Terwijl ze saidar losliet, betreurde ze de korte aarzeling, maar het deed er niet toe. Als het tot zo’n soort gevecht kwam, zou hij even simpel winnen als bij armpje drukken, tenzij ze hem kon afschermen. ‘Rhand, het spijt me dat ik je niet kan helpen, maar ik kan het niet. Desondanks vraag ik je opnieuw mij te helpen. Je weet dat je daarmee jezelf ook helpt.’ Zijn boosheid ging over in een ergerlijke grijns. Griezelig, hoe snel dat bij hem kon gebeuren. ‘Een kat voor een mat, of een mat voor een kat,’ haalde hij aan.

Maar niets voor niets, maakte ze in gedachten af. Ze had het als meisje horen zeggen door het volk van Tarenveer. ‘Stop je kat maar onder je mat, Rhand Altor, en ga erop dansen,’ zei ze koel. Het lukte haar nog net bij het weggaan de deur niet dicht te smijten, maar het scheelde niet veel.

Ze beende weg en vroeg zich af wat ze moest gaan doen. Op de een of andere manier moest ze de Wijzen overhalen haar weer naar Tel’aran’rhiod terug te laten gaan... dus met hun goedkeuring. Vroeg of laat kwam hij tegenover de Aes Sedai van Salidar te staan en het zou veel helpen als ze eerst met Nynaeve of Elayne kon praten. Ze was wat verbaasd dat Salidar hem nog niet had benaderd. Waarom treuzelden Sheriam en de anderen zo lang? Maar ze kon er niets aan doen en ze wisten het waarschijnlijk beter dan zij.

Een ding wilde ze Elayne graag vertellen. Rhand had haar nodig. Het klonk alsof hij het ernstiger meende dan alles wat hij ooit had gezegd. Dat zou alle zorgen van Elayne of hij nog van haar hield, uit de wereld helpen. Geen man kon op zo’n manier zeggen dat hij je nodig had, tenzij hij van je hield.

Enkele ogenblikken staarde Rhand naar de deur waarachter Egwene was verdwenen. Ze was zo heel anders dan het meisje waarmee hij was groot geworden. In die Aielkleren lukte het haar heel goed de Wijzen na te bootsen – afgezien van de lengte dan; een kleine Wijze met grote donkere ogen – maar ja, Egwene deed altijd alles met haar hele hart. Ze was even koel gebleven als een echte Aes Sedai en had saidar omhelsd toen ze dacht dat hij haar bedreigde. Daar moest hij aan blijven denken. Wat voor kleren ze ook droeg, ze wilde Aes Sedai worden en ze hield Aes Sedai-geheimen voor zich, zelfs nadat hij haar had duidelijk gemaakt dat hij Elayne nodig had om de vrede in de twee naties te bewaren. Hij moest aan haar denken als Aes Sedai. Het stemde hem droef.

Vermoeid kwam hij overeind en deed zijn jas weer aan. Hij moest nog steeds de edelen van Cairhien spreken: Colavaere, Maringil, Dobraine en de anderen. Plus de Tyreners: Meilan en Aracome. Het stel zou zich opwinden als hij de Cairhienin een paar tellen meer tijd gunde. En de Wijzen wilden hem ook zien, evenals Timolan en de andere stamhoofden die hij vandaag nog niet had gesproken. Waarom had hij ooit uit Caemlin weg willen gaan? Nou ja, het gesprek met Herid was prettig geweest. De daardoor opgeroepen vragen weer niet, maar het was fijn om met iemand te praten die nooit leek te beseffen dat hij de Herrezen Draak was. En hij had wat tijd doorgebracht zonder het Aiel-gevolg dat hem steeds omringde. Hij moest meer van die ogenblikken vinden. Hij ving een beeld van zichzelf op in de vergulde spiegel. ‘Je hebt haar tenminste niet laten merken dat je moe was,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. Dat was een uiterst bondige raadgeving van Moiraine geweest. Toon nooit dat je je zwak voelt. Hij moest er alleen aan wennen dat hij aan Egwene moest denken als een Aes Sedai, als een van hen.

Terwijl Sulin schijnbaar volkomen op haar gemak neerhurkte in de tuin onder Rhand Altors raam, gooide ze een klein mes in het zand en vermaakte zich zo te zien met een spelletje flip. Het krassen van een uil in een venster bracht haar vloekend overeind, terwijl ze het mes in haar riem stak. Rhand Altor had zijn kamers weer verlaten. Deze manier van bewaken werkte niet. Als zij Enaila of Somara hier had, zou ze die Speervrouwen op hem zetten. Gewoonlijk probeerde ze hem voor dat soort onzin te beschermen, zoals ze voor een eerstebroeder zou doen.

Ze draafde naar een nabije ingang, voegde zich bij drie andere Speervrouwen die elders vandaan kwamen en begon het doolhof van gangen af te zoeken. Ondertussen deed ze net of ze wat rondliep. De Car’a’carn had vele wensen, maar er mocht niets gebeuren met de enige zoon die ooit bij de Speervrouwen was teruggekeerd.

19

Toh-zaken

Rhand dacht dat hij die nacht goed zou slapen. Hij was zo moe dat hij Alanna’s aanraking bijna vergat en nog belangrijker: Aviendha was buiten, in de tenten bij de Wijzen. Dus zou ze zich niet voor het slapen gaan onnadenkend uitkleden en zijn rust verstoren met het geluid van haar ademhaling. Iets anders veroorzaakte echter veel gewoel. Dromen. Hij plaatste altijd een scherm om zijn dromen om de Verzakers buiten te sluiten – en de Wijzen – maar zo’n ban sloot niet buiten wat reeds binnen was. Hij droomde van geweldige, witte dingen die leken op reusachtige vogelvleugels zonder vogel, die langs de wolken zwierden; hij droomde van grote steden met onmogelijk hoge gebouwen, glanzend in de zon, waartussen dingen in de vorm van kevers of platte waterdruppels door de straten snelden. Hij had dat alles al eerder gezien, in de enorme ter’angreaal in Rhuidean, waar hij de draken op zijn armen had verkregen, en hij herkende ze als beelden uit de Eeuw der Legenden, maar ditmaal was het allemaal anders. Alles leek verwrongen, de kleuren... vals, alsof er met zijn ogen iets mis was. De zoevende vleugels haperden en elk joeg in zijn val honderden mensen de dood in. Gebouwen versplinterden als glas, steden brandden en het land rees en daalde als een stormachtige zee. En keer op keer keek hij naar een wonderschone, goudblonde vrouw en zag hij hoe op haar gezicht liefde omsloeg in afgrijzen. Een deel van hemzelf kende haar. Een deel van hemzelf wilde haar redden van de Duistere, van elk kwaad, redden van wat hij zelf ging doen. Er waren zoveel delen, zijn geest versplinterde krijsend tot fonkelende scherven.