Выбрать главу

Hij ontwaakte in de duisternis, zwetend en bevend van de dromen van Lews Therin. Dit was nooit eerder gebeurd, nooit eerder had hij de dromen van die man gedroomd. Hij bleef de rest van de nacht tot zonsopgang in het niets staren, te bang om zijn ogen te sluiten. Hij hield saidin vast alsof hij het tegen de dode man kon gebruiken, maar Lews Therin hield zich stil.

Toen het bleke licht eindelijk achter de ramen verscheen, glipte een gai’shain stilletjes de kamer in met een zilveren dienschaal onder een doek. Hij zag dat Rhand wakker was, maar zei niets, boog slechts en verdween even stil. Alsof hij met zijn neus vlak boven de schaal hing, rook Rhand met de Kracht koude zoetbesthee, warm brood, boter, honing en de hete pap die de Aiel ’s morgens altijd aten. Hij liet de Bron los, kleedde zich aan en gespte zijn zwaard om. Hij raakte de doek over het dienblad niet aan; hij had niet veel zin in eten. Terwijl hij de Drakenstaf in zijn gekromde arm hield, verliet hij zijn kamers. Sulin en haar Speervrouwen en de Roodschilden van Urien waren weer terug in de brede gang, maar zij waren niet de enigen. Mensen vulden de gang schouder aan schouder achter de lijfwacht. Enkelen stonden voor die kring. Aviendha stond temidden van een afvaardiging van de Wijzen: Amys, Bair, Melaine, uiteraard Sorilea, Chaelin, een Miagoma van de Rookwatersibbe met lokken grijs in het donkerrode haar, en Edarra, een Shiande van de Nedersibbe. De laatste leek niet veel ouder dan hijzelf, hoewel ze reeds die schijnbaar onaantastbare kalmte in haar blauwe ogen toonde en ook de kaarsrechte rug die goed bij de anderen paste. Berelain stond er ook bij, maar niet Rhuarc of een ander stamhoofd. Wat hij hun moest zeggen was gezegd, en Aiel bleven niet zeuren. Maar waarom waren de Wijzen dan hier? En Berelain? Het groen-witte gewaad dat ze deze ochtend droeg, toonde een fraai deel van haar blanke boezem.

Achter haar stonden nog de Cairhienin, buiten de kring van Aielkrijgers. Colavaere was opvallend knap voor haar gevorderde leeftijd, ze had donker haar waar een ingewikkeld hoog kapsel van krullen van gemaakt was, en in haar gewaad zaten dwarse, kleurrijke splitten vanaf de met goud afgezette kraag tot onder haar knieën, meer splitten dan de andere Cairhienin. De forse Dobraine met zijn vierkante gezicht had als een krijgsman zijn voorste grijze haren afgeschoren en droeg een jas met slijtplekken van de kurasbanden. Maringil, zo recht als een kling, met schouderlang haar, had zijn voorhoofd niet geschoren, en zijn donkere zijden jas, met plekken als op die van Dobraine, kwam bijna tot de knieën en was geschikt voor een feestelijke paleisdans. Daarachter stond een groep van een twintigtal anderen, de meesten jongere mannen en vrouwen en maar weinigen met kleursplitten tot onder hun middel. ‘Moge het Licht de heer Draak begunstigen,’ mompelden ze, en ze bogen met de hand op het hart of maakten een knix. ‘De aanwezigheid van de heer Draak begunstige ons.’ De Tyreners hadden ook een groep afgevaardigd. Hoogheren en Hoogvrouwen, geen lagere adel, met fluwelen punthoeden en zijden jassen met bolle gestreepte satijnen mouwen in kleurige gewaden, afgezet met veel kant, en strakke kapjes met parels of edelstenen, die hem groetten met: ‘Het Licht verlichte de Draak van het Licht.’ Meilan, met zijn grijze puntbaardje, stond natuurlijk helemaal vooraan, mager, hard en uitdrukkingsloos. Vlak naast hem maakten Fionda’s strenge blik en ijzeren ogen op de een of andere wijze haar schoonheid niet minder, terwijl de meesmuilende glimlach van de lange, magere Anaiyella de hare wel verstoorde. Er viel geen enkele glimlach, in welke vorm dan ook, af te lezen van het gezicht van Maracon; zijn blauwe ogen waren uitzonderlijk voor een Tyrener. Noch van dat van de kale Gueyam of van Aracome, die veel slanker leek naast de stevige breedte van Gueyam, al maakten beiden een stalen indruk. Zij – en Meilan – waren dikke vriendjes geweest van Hearne en Simaan. Rhand had die twee en hun verraad gisteren niet genoemd, maar hij wist zeker dat het hier bekend was en even zeker dat zijn zwijgen erover op diverse manieren was uitgelegd, afhankelijk van ieders gedachten. Ze waren eraan gewend geraakt, nadat ze naar Cairhien waren gekomen, en vanmorgen keken ze Rhand aan alsof hij elk moment hun gevangenneming kon bevelen.

Eigenlijk hield bijna iedereen iemand anders in de gaten. Velen keken zenuwachtig naar de Aiel en verborgen zo goed mogelijk of heel slecht hun boosheid. Anderen hielden Berelain strak in het oog. Hij zag tot zijn verrassing ook bij de mannen, zelfs bij de Tyreners, meer nadenkende dan loerende blikken op hun gezichten. De meesten keken natuurlijk naar hem. Hij was wie hij was en wat hij was. Colavaeres koele gezicht ging heen en weer tussen hem en Aviendha, over wie zij zich opwond. Er bestond kwaad bloed tussen hen, hoewel Aviendha het vergeten leek te hebben. Colavaere zou zich zeker altijd het pak slaag herinneren dat ze van Aviendha had gekregen, nadat Rhand haar had uitgenodigd en de Aielse de vrouwe in zijn kamer was tegengekomen. Evenmin zou ze haar vergeven dat het nu iedereen bekend was. Meilan en Maringil maakten duidelijk dat ze elkaar hadden gezien door de ogen van de ander te ontwijken. Beiden wilden de troon van Cairhien en beiden dachten dat de ander de voornaamste rivaal was. Dobraine hield Meilan en Maringil in het oog, en naar de reden mocht iedereen raden. Melaine nam Rhand op, terwijl Sorilea naar haar keek, en Aviendha fronsend de vloer bestudeerde. Een jonge vrouw met grote ogen, van de Cairhienin, droeg haar geknipte haar los tot op de schouders en had geen torenhoog kapsel met ingewikkelde krulletjes. Ze had een zwaard gegespt over haar donkere rijkleding met slechts zes kleursplitten. Velen deden geen enkele moeite een minachtend glimlachje te verbergen, wanneer hun ogen langs haar gleden. Ze leek het amper te merken en keek afwisselend met grote bewondering naar de Speervrouwen of met grote vrees naar Rhand. Hij herinnerde zich haar. Selande was een van de vele beeldschone vrouwen die volgens Colavaere de Herrezen Draak aan haar plannetjes zou verbinden, tot Rhand haar had overtuigd dat het niet zou werken. Met de ongevraagde hulp van Aviendha, jammer genoeg. Hij hoopte dat Colavaere zo bang voor hem was dat ze haar wraak op Aviendha zou vergeten, maar hij had Selande er graag van overtuigd dat ze niets te vrezen had. ]e kunt het niet iedereen naar de zin maken, had Moiraine gezegd. Je kunt niet iedereen lief en zoet houden. Een harde vrouw.

Als bekroning hielden de Aiel natuurlijk iedereen behalve de Wijzen in de gaten. Ook Berelain was om de een of andere reden ervan uitgezonderd. Ze hielden alle natlanders achterdochtig in het oog, maar zij kon net zo goed een Wijze zijn geweest.