Выбрать главу

‘Jullie bewijzen me alle eer.’ Rhand hoopte dat het niet al te droog klonk. Terug naar de optocht. Hij vroeg zich af waar Egwene was. Waarschijnlijk nog lui liggend in bed. Hij overwoog even haar op te zoeken en nog een laatste poging te wagen... Nee, als ze het niet wilde zeggen, had het geen zin. Het was jammer dat zijn ta’veren niet werkte wanneer hij dat het meest wilde. ‘Jammer genoeg zal ik niet in staat zijn vanmorgen langer met u te spreken. Ik keer weer terug naar Caemlin.’ Hij had nu het probleem Andor op te lossen. Andor en Sammael.

‘Uw bevel zal worden uitgevoerd, mijn heer Draak,’ zei Berelain. ‘Deze ochtend zodat u er getuige van kunt zijn.’

‘Mijn bevel?’

‘Mangin,’ zei ze. ‘Het werd hem vanmorgen medegedeeld.’ De meeste Wijzen trokken een volkomen effen gezicht, maar zowel Bair als Sorilea toonde openlijk een afkeer. Tot zijn verrassing was die gericht aan Berelain.

‘Ik ben niet van plan elke ophanging bij te wonen,’ zei Rhand koud. Eerlijk gezegd was hij het vergeten, of liever, had hij het uit zijn geest verbannen. Het ophangen van een man die je mocht, was niet iets waaraan je wilde denken. Rhuarc en de andere stamhoofden hadden het er in hun gesprek niet eens over gehad. Iets anders gold ook: hij wilde deze terechtstelling liever niet meemaken. Aiel moesten zich net als ieder ander aan de wet houden. Dat moesten de Cairhienin en de Tyreners zien, waardoor ze wisten dat hij hun zeker niet zou begunstigen als hij dat met de Aiel al niet deed. Je gebruikt alles en iedereen, dacht hij, en hij voelde zich misselijk. Hij hoopte dat het zijn gedachte was. Bovendien wilde hij helemaal geen ophanging zien, laat staan die van Mangin.

Meilan keek in ieder geval nadenkend en op Aracomes voorhoofd parelde zweet, hoewel dat ook door de hitte kon komen. Colavaere verbleekte en leek hem voor het eerst echt te zien. Berelain verdeelde een berouwvolle blik tussen Bair en Sorilea, die knikte. Hadden zij haar misschien gezegd dat hij op die manier zou antwoorden? Het leek onmogelijk. De reacties van de anderen liepen uiteen van verrassing tot voldoening, maar die van Selande viel hem bijzonder op. Met grote ogen vergat ze de Speervrouwen. Eerder had ze bevreesd naar Rhand gekeken, nu doodsbang. Nou ja, het was niet anders, ik vertrek meteen naar Caemlin,’ zei Rhand. Een zacht geluid rimpelde langs de Cairhienin en de Tyreners, wat veel weg had van een zucht van opluchting.

Het was geen verrassing dat allen hem begeleidden tot aan de ruimte die apart werd gehouden voor zijn reizen. Afgezien van Berelain hielden de Speervrouwen en Roodschilden alle natlanders weg. Vooral de Cairhienin wilden ze niet in zijn nabijheid toelaten en hij was blij dat ze de Tyreners eveneens op afstand hielden. Er waren veel woedende blikken, maar niemand zei iets, niet tegen hem. Zelfs Berelain niet, terwijl die vlak achter de Wijzen met Aviendha liep te praten en af en toe zachtjes lachte. Het deed alle haartjes in zijn nek rechtop staan. Berelain en Aviendha samen aan het praten? En lachen? Bij de fraai bewerkte deur naar de reiskamer keek hij zorgvuldig over Berelains hoofd heen toen zij een diepe knix voor hem maakte, ik zal tot uw terugkeer zonder vrees of gunst zorg dragen voor Cairhien, mijn heer Draak.’ Misschien was ze ondanks Mangin vanmorgen alleen gekomen om dat in aanwezigheid van de vrouwen en heren te zeggen. Het riep zomaar een toegeeflijke glimlach bij Sorilea op. Hij moest nodig uitzoeken wat hier gaande was. Hij wilde niet dat de Wijzen Berelain lastig vielen. De andere Wijzen hadden Aviendha opzij getrokken; ze leken om beurten haar heel ferm toe te spreken, al kon hij niets opvangen. ‘Wanneer u de komende tijd Perijn Aybara ziet,’ voegde Berelain eraan toe, ‘wilt u dan mijn warmste groeten overbrengen. En ook aan Mart Cauton?’

‘Wij wachten gretig op de terugkeer van de heer Draak,’ loog Colavaere en ze hield haar gezicht zorgvuldig nietszeggend. Meilan keek haar woest aan, omdat ze vóór hem iets had gezegd, en stak een bloemrijke rede af, waarin hij evenveel zei als zij, wat Maringil natuurlijk weer moest overtreffen met nog bloemiger woorden. Fionda en Anaiyella deden er een schepje bovenop en voegden zoveel eerbetuigingen toe dat hij Aviendha bezorgd aankeek, maar de Wijzen hielden haar nog steeds bezig. Dobraine stelde zich tevreden met een ‘tot de terugkeer van mijn heer Draak’, terwijl Maracon, Gueyam en Aracome met waakzame ogen iets onduidelijks mompelden. Het was een opluchting naar binnen te schieten, weg van hen. Maar hij werd verrast doordat Melaine vóór Aviendha mee naar binnen liep. Hij trok vragend een wenkbrauw op.

‘Ik moet met Bael overleggen over zaken die de Wijzen betreffen,’ zei ze hem op een toon die geen onzin duldde, en ze keek vervolgens Aviendha scherp aan, die zo onschuldig keek dat Rhand meteen wist dat ze iets achterhield. Aviendha’s gezicht drukte vaak van alles uit, maar nooit onschuld, nooit zoveel onschuld.

‘Zoals je wenst,’ zei hij. Hij vermoedde dat de Wijzen op een kans hadden gewacht haar naar Caemlin te sturen. Wie kon er beter voor zorgen dat Rhand geen verkeerde invloed op Bael had dan Baels vrouw zelf? Net als Rhuarc had de man twee vrouwen, waarvan Mart altijd zei dat dat of een droom of een nachtmerrie moest zijn en dat hij niet wist welke van de twee.

Aviendha keek gespannen toe terwijl hij een poort naar Caemlin opende, naar de Grote Zaal. Dat deed ze altijd, hoewel ze zijn stromen niet kon zien. Eenmaal had ze zelf in een zeldzaam ogenblik van paniek een doorgang gemaakt, maar ze wist niet meer hoe. Vandaag herinnerde de draaiende streep licht haar om de een of andere reden blijkbaar aan wat er die keer was gebeurd. Haar gebruinde wangen liepen rood aan en opeens vermeed ze naar hem te kijken. Nu de Kracht hem vulde, rook hij haar. De kruidige geur van zeep, een vage aanduiding van zoet reukwater dat zij volgens hem nooit eerder had opgedaan. Voor één keer echt bereid om saidin los te laten, was hij als eerste in de lege troonzaal. Alanna leek met een klap weer in zijn hoofd te komen, haar aanwezigheid voelde even tastbaar alsof ze vlak voor hem stond. Ze had gehuild, dacht hij. Omdat hij weg was gegaan? Nou ja, daar mocht ze om huilen. Op een of andere manier moest hij zich van haar losmaken.

Dat hij als eerste was gegaan, viel natuurlijk slecht bij de Speervrouwen en Roodschilden. Urien bromde slechts en schudde afkeurend het hoofd. Een wit weggetrokken Sulin ging op haar tenen staan en hield haar gezicht vlak bij dat van Rhand. ‘De grote en machtige Car’a’carn vertrouwt de Far Dareis Mai zijn eer toe,’ siste ze hem zacht fluisterend toe. ‘Als de machtige Car’a’carn in een hinderlaag sterft terwijl de Speervrouwen hem beschermen, heeft de Far Dareis Mai geen eer meer. Als de alles veroverende Car’a’carn daar niets om geeft, heeft Enaila wellicht gelijk. Misschien dat de almachtige Car’a’carn een nukkig jongetje is dat aan de hand moet worden gehouden voor hij van een rots valt omdat hij niet uitkijkt.’

Rhands kaken verstrakten zich. Als hij alleen was, klemde hij zijn tanden op elkaar en slikte hij het verder – als het tenminste niet zo beschuldigend was als dit – vanwege wat hij de Speervrouwen verschuldigd was, maar zelfs Enaila of Somara had hem nooit in het openbaar zo de les gelezen. Melaine was reeds halverwege de zaal, de rok opgetrokken en bijna hollend. Ze kon blijkbaar niet wachten om de invloed van de Wijzen op Bael te herstellen. Hij kon niet zeggen of Urien het had opgevangen. De man was verschrikkelijk druk bezig zijn gesluierde Aethan Dor samen met de Speervrouwen tussen de zuilen te laten rondspeuren, iets dat overbodig was, net als zijn aanwijzingen. Aviendha daarentegen had haar armen over elkaar geslagen en toonde zo’n goedkeurende frons dat hij over haar gehoor niet hoefde te twijfelen.

‘Het ging gisteren heel goed,’ zei hij vastbesloten tegen Sulin. ‘Van nu af denk ik dat twee schildwachten ruim voldoende zijn.’ Haar ogen leken bijna uit haar hoofd te rollen; ze scheen geen lucht voor woorden te kunnen vinden. Nu hij dat had afgepakt, werd het tijd iets terug te geven voordat ze ontplofte als de pijlen van een Vuurwerker. ‘Het ligt natuurlijk anders wanneer ik buiten het paleis ben. De lijfwacht die je me hebt gegeven, is dan goed, maar hier, in het Zonnepaleis of in de Steen van Tyr zijn twee Aiel voldoende.’ Hij draaide zich om terwijl haar mond nog druk bewoog.