Выбрать главу

Aviendha liep zwijgend naast hem mee rond de verhoging met de tronen naar de kleine deurtjes erachter. Hij was hierheen gegaan en niet naar zijn eigen vertrekken in de hoop haar hier kwijt te raken. Zelfs zonder saidin kon hij haar ruiken, of misschien was het zijn geheugen. Hoe dan ook, hij had liever een verstopte neus van verkoudheid gehad; hij vond haar heerlijk ruiken.

Met de omslagdoek stevig om haar heen staarde Aviendha recht voor zich uit alsof ze problemen had. Ze merkte niet dat hij de deur met leeuwenpanelen van een kleedkamer openhield, wat anders enige toorn opwekte, of minstens de uitdagende vraag of ze haar armen misschien had gebroken. Toen hij vroeg wat er aan de hand was, schrok ze op. ‘Niets. Sulin had gelijk. Maar...’ Opeens grijnsde ze aarzelend. ‘Zag je haar gezicht? Sinds... sinds nooit, denk ik, heeft iemand haar zó afgebekt. Zelfs Rhuarc niet.’

‘Het verbaast me een beetje dat je aan mijn kant staat.’ Ze staarde hem met haar grote ogen aan. Hij kon de hele dag besteden aan een beslissing of ze nou blauw of groen waren. Nee. Hij had niet het recht aan haar ogen te denken. Wat er gebeurd was, nadat ze die doorgang had gemaakt – om van hem weg te vluchten – maakte geen verschil. Vooral hij had niet het recht daarover na te denken. ‘Je bezorgt me zoveel last, Rhand Altor,’ zei ze zonder enige opwinding. ‘Licht, soms denk ik dat de Schepper jou enkel heeft gemaakt om me last te bezorgen.’

Hij wilde haar zeggen dat het haar eigen schuld was – meermalen had hij aangeboden haar naar de Wijzen terug te sturen, hoewel het slechts zou betekenen dat die op hun beurt iemand anders in haar plaats zouden sturen – maar voor hij iets kon zeggen, haalden Jalani en Liah hen in, bijna onmiddellijk gevolgd door twee Roodschilden. De een was blond, de ander een grijze man met driemaal zoveel littekens als Liah. Rhand stuurde Jalani en de gelittekende man terug naar de troonzaal, wat bijna een ruzie veroorzaakte. Niet met de Roodschild, die zijn maat slechts aankeek, zijn schouder optrok en wegging, maar met Jalani.

Rhand wees op de deur naar de grote zaal. ‘De Car’a’carn verwacht dat de Far Dareis Mai gaat waar hij beveelt.’

‘Misschien ben je bij de natlanders een koning, Rhand Altor, maar niet bij de Aiel.’ Een taaie koppigheid deed afbreuk aan Jalani’s waardigheid, wat hem eraan deed denken hoe jong ze was. ‘De Speervrouwen zullen in de dans van de speren altijd naast je staan, maar dit is niet de dans.’ Ze vertrok echter wel, nadat ze snel iets met de handtaal tegen Liah had gezegd.

Met Liah en de magere Roodschild, die Cassin heette en een duim langer was dan Rhand, schreed Rhand snel door het paleis naar zijn kamers. En met Aviendha natuurlijk. Als hij de gedachte had gekoesterd haar door haar lange dikke rok achter te kunnen laten, had hij het mis. Liah en Cassin bleven in de gang voor zijn zitkamer, een grote ruimte met een marmeren fries van leeuwen onder een hoog plafond en wandtapijten met jachttaferelen en mistige bergen. De Aielse liep ook met hem mee naar binnen.

‘Hoor je niet bij Melaine te zijn?’ wilde hij weten. ‘Zaken van de Wijzen en dat soort dingen?’

‘Nee,’ zei ze kortaf. ‘Melaine zou het weinig plezierig vinden als ik hen op dit ogenblik stoorde.’

Licht, maar hij zou het onplezierig vinden als ze niet wegging. Hij gooide de Drakenstaf op een tafeltje met poten van vergulde wijnranken, maakte zijn zwaardriem los en legde die erbij. ‘Hebben Amys of de anderen jou verteld waar Elayne is?’

Heel even bleef Aviendha hem midden op de blauwe tegelvloer aankijken met een onleesbare uitdrukking op haar gezicht. ‘Ze weten het niet,’ zei ze uiteindelijk, ik heb het gevraagd.’ Hij had wel gedacht dat ze dat zou doen. Ze had het al maanden niet meer gedaan, maar voor Caemlin had ze hem om de paar zinnen aan het feit herinnerd dat hij Elayne behoorde; wat er zich tussen hen achter die poort had afgespeeld, veranderde niets aan dat feit. Dat had ze hem duidelijk laten weten, net zoals ze hem duidelijk had gemaakt dat zoiets nooit meer zou gebeuren. Precies wat hij wilde. Hij was nog erger dan een varken dat hij zich daarover zo treurig voelde. Ze negeerde alle mooi vergulde stoelen en ging met gekruiste benen op de vloer zitten, waarbij ze sierlijk haar rok schikte. ‘Ze hebben echter wel over jou gepraat.’

‘Waarom is dat geen verrassing voor me?’ zei hij droogjes en tot zijn verbazing werden haar wangen vuurrood. Aviendha was geen vrouw die snel bloosde en dit was vandaag al de tweede keer. ‘Ze hebben dezelfde dromen, waarvan sommige jou betreffen.’ Het klonk wat gesmoord tot ze zweeg, haar keel schraapte en hem toen ferm en vastberaden aankeek. ‘Melaine en Bair hebben over jou in een boot gedroomd,’ zei ze. Het woord klonk nog steeds vreemd uit haar mond, ondanks al die maanden in de natlanden. ‘Met drie vrouwen, de gezichten waren niet te zien, en met een weegschaal die eerst de ene, toen de andere kant uitsloeg. Melaine en Amys hebben gedroomd over een man die naast je stond met een dolk tegen jouw keel maar jij zag hém niet. Bair en Amys hebben gedroomd dat je met een zwaard de natlanden in tweeën verdeelde.’ Heel kort schoten haar ogen verachtelijk naar het zwaard in de schede dat boven op de Drakenstaf lag. Verachtelijk en enigszins schuldbewust. Ze had hem het vroegere eigendom van koning Laman gegeven, zorgvuldig in een deken gewikkeld, zodat van haar niet gezegd kon worden dat ze een zwaard echt had aangeraakt. ‘Ze kunnen de droom niet verklaren maar ze dachten dat jij het moest weten.’

De eerste droom was voor hem even wazig als voor de Wijzen, maar de tweede leek duidelijk. Een onzichtbare man met een dolk moest een grijzel zijn. Die hadden hun zielen aan de Schaduw geschonken, niet toegewijd maar echt weggegeven. Ze konden langs waakzame ogen die hen recht aankeken, glippen, en hun enige doel was moord. Waarom hadden de Wijzen zoiets eenvoudigs niet begrepen? Wat de laatste betrof, vreesde hij dat die ook duidelijk was. Hij verdeelde de naties nu al. Tarabon en Arad Doman waren puinhopen, de opstanden in Tyr en Cairhien konden mettertijd uitgroeien tot meer dan wat zielig gepraat en Illian zou zeker de kracht van zijn zwaard voelen. En dan had hij het nog niet over de Profeet gehad en de draakgezworenen in Altara en Morland.

‘In de laatste twee zie ik niets raadselachtigs, Aviendha.’ Maar toen hij het uitlegde, keek ze hem vol twijfel aan. Natuurlijk. Als de droomloopsters van de Wijzen een droom niet konden uitleggen, dan kon niemand anders het. Hij bromde grimmig en liet zich in een stoel tegenover haar zakken. ‘Waar hebben ze nog meer over gedroomd?’

‘Er is er nog een die ik je kan vertellen, maar hij gaat misschien niet over jou.’ Wat inhield dat ze sommige dromen niet zou vertellen, waardoor hij zich afvroeg waarom de Wijzen ze met haar hadden besproken, aangezien zij geen droomloopster was. ‘Ze hadden deze droom alle drie; wat hem zeker heel belangrijk maakt. Regen’ – ook dat woord klonk uit haar mond vreemd – ‘uit een schaal. Er liggen valstrikken en klemmen rond de schaal. Als de juiste hand hem oppakt, zullen ze een schat zo groot als de schaal vinden. Door een verkeerde hand is de wereld gedoemd. De sleutel tot het vinden van de schaal is die te vinden die het niet meer is.’

‘Wat niet meer is?’ Dit klonk zeker belangrijker dan de eerste. ‘Bedoel je iemand die dood is?’

Aviendha’s donkerrode haar zwierde langs haar schouders toen ze ontkennend het hoofd schudde. ‘Ze weten niet meer dan ik heb verteld.’

Tot zijn verbazing kwam ze lenig overeind met dat vanzelfsprekende schikken en plooien van kleren wat vrouwen altijd deden. ‘Moet je...’ Hij kuchte opzettelijk. Moet je weg? had hij willen zeggen. Licht, hij wilde dat ze wegging. Elke tel in haar aanwezigheid was een kwelling. Maar elke tel zonder haar ook. Nou ja, hij kon het juiste doen, wat goed voor hem was en het beste voor haar. ‘Wil je terug naar de Wijzen, Aviendha? Om weer lessen te volgen? Het heeft eigenlijk geen zin nog langer hier te blijven. Je hebt me al zoveel geleerd, dat het lijkt of ik als een Aiel ben opgevoed.’