Haar gesnuif duidde op dikke boeken hoon, maar daar kon ze het natuurlijk niet bij laten. ‘Je weet nog minder dan een jongetje van zes. Waarom luistert een man eerder naar zijn tweedemoeder dan naar zijn eigen moeder, en een vrouw eerder naar haar tweedevader dan haar eerstevader? Wanneer kan een vrouw een man trouwen zonder een trouwkrans te vlechten? Wanneer moet een dakvrouwe aan een smid gehoorzamen? Als je een zilversmid gai’shain maakt, waarom moet je haar dan een dag voor haarzelf laten werken voor elke dag die zij voor jou werkt? Waarom geldt niet hetzelfde voor een weefster?’ Hij hakkelde wat voor hij wilde toegeven dat hij het niet wist, maar opeens speelde ze met haar omslagdoek alsof ze hem was vergeten. ‘Soms maakt ji’e’toh een heel grote grap. Ik zou me kapot lachen als ik er niet het slachtoffer van was.’ Haar stem stierf weg tot een gefluister, ik kom mijn toh na.’
Hij meende dat ze her tegen zichzelf had, maar hij gaf behoedzaam antwoord. ‘Als je Lanfir bedoelt... Ik heb je toen niet gered. Dat heeft Moiraine gedaan. Zij stierf om ons allemaal te redden.’ Lamans zwaard had haar bevrijd van haar enige andere toh jegens hem, hoewel hij nooit had begrepen wat dat was. De enige verplichting die ze kende. Hij bad dat ze nooit de andere zou kennen; ze zou die in tegenstelling tot hem als toh opvatten.
Aviendha gluurde hem schuin aan en een glimlachje trilde om haar lippen. Ze was nu zo zelfbewust dat Sorilea er trots op zou zijn. ‘Dank je wel, Rhand Altor. Bair zegt dat het goed is er zo nu en dan aan herinnerd te worden dat een man niet alles weet. Zorg ervoor dat je me laat weten wanneer je gaat slapen. Ik wil je niet door mijn late komst wakker maken.’
Rhand zat na haar vertrek een hele tijd naar de deur te staren. Een Cairhiense die het Spel der Huizen speelde, was gewoonlijk gemakkelijker te begrijpen dan deze vrouw, die zonder moeite ondoorgrondelijk was. Hij vermoedde dat zijn gevoelens voor Aviendha, welke die ook waren, alles nog lastiger maakten.
Wat ik liefheb, vernietig ik, lachte Lews Therin. Wat ik vernietig, heb ik lief.
Hou je bek! dacht Rhand woest, en het ijle gelach verdween. Hij wist niet van wie hij hield, maar wist wel wie hij zou gaan redden. Van alles wat in zijn vermogen lag, maar voornamelijk van hemzelf.
In de gang zakte Aviendha tegen de deur en haalde diep adem om kalm te worden. Dat was tenminste de bedoeling. Haar hart probeerde zich nog steeds door de spijlen van haar ribben te scheuren. Als ze vlak bij Rhand Altor was, voelde ze zich naakt boven hete kolen liggen, zo uitgerekt dat ze dacht dat haar botten losgetrokken zouden worden. Hij zette haar zo erg te schande, zo erg als ze nooit had kunnen dromen. Een grote grap, had ze hem gezegd, en een deel van haar wilde wel lachen. Ze had toh jegens hem, maar nog veel meer jegens Elayne. Het enige dat hij had gedaan, was haar leven redden. Lanfir zou haar hebben gedood als hij er niet was geweest. Lanfir had haar in het bijzonder willen doden en op een zo pijnlijk mogelijke wijze. Op de een of andere manier had Lanfir het geweten. Maar met wat zij Elayne verschuldigd was, leek haar toh aan Rhand op een mierenhoop naast de Drakenrug.
Cassin zat op zijn hurken met zijn speren over de knieën. Aan de stijl van zijn jas zag ze dat hij zowel Goshien als Aethan Dor was – zijn sibbe kende ze niet – en hij wist natuurlijk nergens van. Maar Liah glimlachte haar toe; veel te bemoedigend voor een vrouw die ze niet kende, veel te wijs voor iedereen. Liahs jas gaf aan dat ze van de Sharien was en Aviendha merkte geschokt dat ze hen vaak achterbakse katten vond. Nooit eerder had ze verder over een Speervrouw nagedacht dan dat ze Far Dareis Mai was. Rhand Altor had heel wat losgeweekt in haar hersens.
Niettemin flitste haar handtaal boos: Waarom glimlach je, meisje? Kun je je tijd niet beter gebruiken?
Liahs wenkbrauwen gingen wat omhoog en haar glimlach toonde zelfs iets van vermaak. Haar vingers gaven antwoord. Wie noem jij een meisje, meisje? Wijs ben je nog niet, maar ook geen Speervrouw meer. Ik denk dat jij je ziel in een bruidskrans zult vlechten om aan de voeten van een man neer te leggen.
Aviendha deed woedend een stap naar voren – dit was een van de zwaarste beledigingen onder de Far Dareis Mai – maar bleef toen staan. In haar cadin’sor kon ze Liah aan, maar in een rok zou ze verslagen worden. Nog erger: Liah zou waarschijnlijk weigeren haar gai’shain te maken. Ze kon het doen, na een aanval van een vrouw die geen Speervrouw en nog geen Wijze was. Ze kon ook het recht opeisen Aviendha een pak slaag te geven voor elke groep Taardad die bijeengeroepen kon worden. Een kleinere schande dan de weigering, maar niet gering. Of ze nu won of verloor, het ergste van alles was dat Melaine zeker een heel erge manier zou kiezen om haar eraan te herinneren dat ze de speer achter zich had gelaten. In dat geval zou ze liever hebben dat Liah haar voor alle stammen tienmaal afroste. In de handen van een Wijze was schande scherper dan een zwaaiend mes. Liah vertrok geen spier; ze wist alles net zo goed als Aviendha. ‘Jullie staren elkaar ook lekker aan,’ zei Cassin tegen niemand in het bijzonder, ik moet op een dag die handtaal van jullie eens leren.’ Liah wierp hem een blik toe en lachte zilverig. ‘Je zult er leuk uitzien in een rok, Roodschild, op de dag dat je vraagt of je Maagd van de Speer kunt worden.’
Aviendha haalde opgelucht adem toen Liahs ogen zich op de ander richtten. Onder deze omstandigheden kon zijzelf niet zonder eerverlies haar ogen afwenden. Als vanzelf vormden haar vingers om dit te erkennen de eerste handwoorden die een Speervrouw leerde, aangezien ze deze zin in het begin het vaakst gebruikte. Ik heb toh. Meteen gebaarde Liah terug: Heel weinig, speerzuster. Aviendha glimlachte dankbaar voor de afwezigheid van een kromme pink waardoor het woord spottend zou worden. Het werd gebruikt bij vrouwen die de speer opgaven en dan net deden of ze dat niet hadden gedaan. Een natlanderbediende kwam door de gang aansnellen. Ze zorgde dat de walging die ze voelde voor iemand die zijn leven besteedde aan het dienen van een ander, niet op haar gezicht stond te lezen. Ze schreed de andere kant op, zodat ze de man niet tegen hoefde te komen. Het doden van Rhand Altor zou één toh inlossen en zichzelf doden de tweede, maar elke toh maakte die oplossing voor de andere onmogelijk. Wat de Wijzen ook zeiden, ze moest een manier vinden om beide in te lossen.
20
Uit de stedding
Rhand duwde met een duim de tobak stevig in zijn korte pijp, toen Liah haar hoofd om de deur stak. Voor ze iets kon zeggen, perste een hijgende man in een rood-wit livrei zich langs haar heen en viel voor Rhand op zijn knieën neer, terwijl zij verbijsterd naar zijn rug staarde.
‘Mijn heer Draak,’ barstte de kerel ademloos los. ‘Er zijn Ogier naar het paleis gekomen. Drie nog wel! Er is hun wijn en wat te eten aangeboden, maar ze staan erop de heer Draak te spreken.’ Rhand zorgde ervoor dat hij ontspannen klonk; hij wilde de man geen angst aanjagen. ‘Hoe lang werk je al in het paleis?’ Het livrei van de man paste en hij was niet zo jong. ik vrees dat ik je naam niet ken.’ De geknielde man keek hem met grote ogen en open mond aan. ‘Mijn naam? Bari, mijn heer Draak. Eh... tweeëntwintig jaar mijn heer Draak, de komende Winternacht. Eh... mijn heer Draak, de Ogier...?’ Rhand was al eerder in een Ogierstedding geweest, maar hij wist niet zeker hoe je je tegenover hen gedroeg. De Ogier hadden de meeste grote steden gebouwd, de oudste delen ervan tenminste, en ze kwamen nog steeds zo nu en dan voor herstelwerkzaamheden uit hun stedding. Hij betwijfelde echter of Bari ook zo opgewonden zou zijn geweest voor iemand die lager stond dan een koning of een Aes Sedai. Misschien nog niet eens voor hen. Rhand stopte de pijp en tobak terug in zijn jaszak. ‘Breng me erheen.’