Выбрать главу

Bari sprong overeind en wipte bijna op zijn tenen op en neer. Rhand vermoedde dat hij de juiste keus had gemaakt; de man toonde zich niet verbaasd dat de Drakenheer naar de Ogier ging en niet omgekeerd. Hij liet zijn zwaard en staf achter. De Ogier zouden van beide dingen toch niet onder de indruk raken. Liah en Cassin kwamen natuurlijk mee. Bari had zichtbaar moeite niet vooruit te hollen; hij was genoodzaakt zijn snelheid aan die van Rhand aan te passen.

De Ogier wachtten op een binnenhof met een fontein, waarvan het bekken was gevuld met leliebladeren en rode en gouden vissen. Een witharige man in een lange jas, die breed uitstond boven zijn hoge laarzen met omgeslagen randen, en twee vrouwen, de een aanzienlijk jonger dan de ander. Hun kledij toonde borduursels van wijnranken en bladeren, waarbij die van de oudere aanzienlijk ingewikkelder waren. Gouden roemers die voor mensen waren gemaakt, leken klein in hun handen. Verscheidene bomen droegen nog bladeren en het paleis zelf bood veel schaduw. De Ogier waren niet alleen. Bij het verschijnen van Rhand werden ze omringd door Sulin en zo’n dertig Speervrouwen, plus Urien met een vijftigtal Aiel. De Aiel hadden het fatsoen te zwijgen bij het zien van Rhand.

Met een stem als rommelende donder zei de Ogierman: ‘Uw naam zingt in mijn oren, Rhand Altor,’ en hij stelde zichzelf en de anderen ernstig voor. Hijzelf was Haman, zoon van Dal, zoon van Morel. De oudere Ogiervrouw was Covril, dochter van Ella, dochter van Soong; de jongere was Erith, dochter van Iva, dochter van Alar. Rhand herinnerde zich dat hij Erith eerder had ontmoet, in Tsofu, een stedding op twee dagen rijden van Cairhien. Hij kon zich niet voorstellen wat zij in Caemlin deed.

De Ogier maakten de Aiel klein en zorgden dat zelfs de binnenhof klein leek. Haman was anderhalf maal zo lang als Rhand en naar verhouding even breed, Covril was minder dan een hoofd, een Ogierhoofd, kleiner dan Haman en zelfs Erith stak bijna anderhalve voet boven Rhand uit. Dat was echter nog het minste verschil tussen de Ogier en de mensen. Hamans ogen waren even groot en rond als kopjes, zijn brede neus besloeg bijna zijn hele gezicht en zijn oren staken door zijn haren omhoog en waren bezet met witte haartoefjes. Hij had een lange witte hangsnor, een smalle baard en zijn wenkbrauwen hingen omlaag tot op zijn wangen. Rhand kon niet precies zeggen wat het verschil was tussen de gezichten van Covril en Erith – afgezien van het feit dat ze natuurlijk geen baard of snor hadden en hun wenkbrauwen niet zo dik waren, maar ze leken op de een of andere manier fijner gebouwd. Hoewel Covril heel ferm rechtop stond – om de een of andere reden kwam ook zij hem bekend voor – en Erith de indruk van bezorgdheid gaf doordat haar oren laag stonden. ‘Mag ik even?’ vroeg Rhand.

Sulin gaf hem niet de kans iets te zeggen. ‘We zijn hierheen gekomen om met de Boombroeders te praten, Rhand Altor,’ zei ze ferm. ‘Je weet dat de Aiel al heel lang watervrienden van de Boombroeders zijn. We handelen vaak in hun stedding.’

‘Dat is volkomen waar,’ mompelde Haman. Voor een Ogier was het gemompel. Voor de mensen klonk het als een verre lawine van rotsen. ‘Ongetwijfeld kwamen de anderen ook om te praten,’ zei Rhand tegen Sulin. Hij kon de leden van zijn lijfwacht zó herkennen, tot en met de laatste Speervrouw; Jalani liep hoogrood aan. Daarentegen bevonden zich, behalve Urien, nog geen drie of vier man van de Roodschilden op de hof. ik zou niet graag willen overwegen of ik Enaila of Somara moet vragen om zich met jóu te belasten.’ Sulins gebruinde gezicht werd donker van verontwaardiging, waardoor het litteken dat ze in Rhands dienst had opgelopen nog scherper afstak, ik wil alleen met ze praten. Alléén,’ benadrukte hij en hij keek Liah en Cassin aan. ‘Tenzij jullie denken dat ik tegen hen beschermd moet worden.’ Dit was een nog zwaardere belediging en Sulin verzamelde de Speervrouwen met snelle handgebaren, die bij iedereen behalve een Aielse op een boze bui zouden duiden. Sommige Aielmannen grinnikten bij hun vertrek; Rhand nam aan dat hij een soort grap had gemaakt.

Terwijl ze weggingen, streek Haman over zijn lange baard. ‘Mensen hebben niet altijd gedacht dat we geen gevaar betekenen, weet je. Ahum. Ahum.’ Zijn peinzende stem klonk als een enorme hommel. ‘Volgens de oude verslagen. Heel oude. Slechts flarden eigenlijk, maar ze gaan terug tot de jaren vlak na...’

‘Ouder Haman,’ zei Covril beleefd, ‘kunnen we ons bepalen tot het huidige onderwerp.’ Haar hommelstem zoemde op iets hogere toon. Ouder Haman, waar had Rhand dat eerder gehoord? Elke stedding had een Ouderraad.

Haman zuchtte diep. ‘Goed dan, Covril, maar je laat een ongepaste haast blijken. Je hebt ons amper de tijd gegund om ons te verfrissen voor we hierheen kwamen. Ik zweer dat je begon te springen als een...’ De grote ogen flitsten naar Rhand, en hij onderdrukte een kuch met een hand zo groot als een enorme ham. De Ogier vonden mensen haastig als ze probeerden vandaag iets te doen terwijl het er niet toe deed of het de volgende dag of het volgend jaar gebeurde. De Ogier bekeken alles op heel lange termijn. Ze vonden het ook onbeschaafd mensen eraan te herinneren dat ze rondsprongen. ‘Dit is een zeer veeleisende reis naar Buiten geweest,’ verklaarde Haman, ‘niet in het minst doordat we vernamen dat de Shaidostam Al’cair’rahienallen heeft belegerd – zoiets is heel buitengewoon – en dat je je echt hier bevond. Daarna was je echter weer vertrokken voor we je konden spreken en... Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we onstuimig zijn geweest. Nee. Nee, spreek jij maar, Covril. Voor jou heb ik mijn studie en mijn lessen opzij gezet om door de wereld rond te dollen. Mijn klassen zullen nu een grote janboel zijn.’ Rhand grijnsde bijna. Als hij dacht aan de manier waarop de Ogier iets deden, hadden Hamans klassen een halfjaar nodig om te besluiten dat hij echt vertrokken was, en nog eens een jaar om te overleggen over wat ze daaraan zouden doen. ‘Een moeder heeft een zeker recht op bezorgdheid,’ zei Covril en haar pluimpjesoren trilden. Ze leek inwendig verdeeld tussen de achting voor een Ouder en een bijzonder on-Ogiers ongeduld. Ze wendde zich tot Rhand en richtte zich op met gespitste oren en vooruitgestoken kin. ‘Wat heb je met mijn zoon gedaan?’ Rhands mond viel open. ‘Uw zoon?’

‘Loial!’ Ze staarde hem aan of hij gek was. Erith keek hem met samengeknepen ogen bezorgd aan en had haar handen voor de borst in elkaar geklemd. ‘Je hebt de Oudste van de Ouderen van stedding Tsofu gezegd dat je voor hem zou zorgen,’ vervolgde Covril. ‘Ze hebben me verteld dat je dat beloofde. Je noemde jezelf op die dag nog niet de Draak, maar jij was het. Nietwaar, Erith? Heeft Alar niet de naam Rhand Altor gebruikt?’ Ze gunde de jongere vrouw amper de tijd voor een knikje. Ze sprak sneller en sneller, terwijl Haman steeds pijnlijker keek. ‘Mijn Loial is te jong om Buiten te zijn, te jong om over de wereld rond te rennen en dingen te doen die jij hem ongetwijfeld laat doen. Ouder Alar heeft me over jou verteld. Wat heeft mijn Loial te maken met saidinwegen, met Trolloks en de Hoorn van Valere? Je dient hem aan mij terug te geven, alsjeblieft, zodat ik kan zorgen dat hij keurig met Erith trouwt. Zij zal zijn kriebelvoeten wel tot rust brengen.’

‘Hij is heel knap,’ mompelde Erith en haar oren beefden zo verlegen dat de donkere toefjes wazig trilden. ‘En ik denk ook dat hij heel dapper is.’

Het kostte Rhand enkele tellen voor hij zijn geestelijk evenwicht had hervonden. Een vastberaden Ogier klonk alsof er een berg naar beneden stortte. Een Ogier die vastberaden was én snel sprak... Volgens de Ogier was Loial op negentigjarige leeftijd te jong om in zijn eentje de stedding te verlaten. Een Ogier leefde heel lang. Vanaf de eerste dag dat Rhand hem had ontmoet, had Loial zich heel gretig getoond om de wereld te zien, maar ook bezorgd om wat er zou gebeuren wanneer de Ouderen beseften dat hij ervandoor was gegaan. Bovenal maakte hij zich zorgen over zijn moeder. Die zou achter hem aan komen met een bruid op sleeptouw. Hij had verteld dat de man in dit soort zaken bij de Ogier niets te zeggen had, en de vrouw evenmin. Het was volledig de zaak van de twee moeders. Het was niet geheel uitgesloten dat je opeens beloofd was aan een vrouw, die je pas ontmoette op de dag dat je moeder haar en je schoonmoeder aan jou voorstelde.