Loial vond blijkbaar dat trouwen een eind maakte aan zijn wens om de wereld te verkennen. Maar of dat nu zou gebeuren of niet, Rhand kon een vriend niet aan een gevreesd lot overleveren. Hij wilde net zeggen dat hij niet wist waar Loial was en hun voorstellen weer naar de stedding terug te keren om zijn komst af te wachten – hij opende zijn mond al – toen er opeens een vraag in hem opkwam. Het maakte hem verlegen dat hij niet meteen aan zoiets belangrijks had gedacht. Van belang voor Loial, tenminste. ‘Hoe lang is hij nu buiten de stedding?’
‘Te lang,’ gromde Haman als rotsblokken die een heuvel afdonderen. ‘De jongen wilde zich nooit in de lessen schikken. Hij sprak er altijd over dat hij het Buiten wilde zien, alsof het echt anders is als in de boeken die hij zou moeten doornemen, staat vermeld. Ahum. Ahum. Het is toch geen werkelijke verandering als mensen nieuwe grenzen op een kaart tekenen? Het land is nog steeds...’
‘Hij is al veel te lang in Buiten,’ bracht Loials moeder even vasthoudend naar voren als een paaltje dat in de klei werd gedreven. Haman keek haar fronsend aan en ze slaagde erin hem even ferm aan te kijken, hoewel haar oren verlegen trilden.
‘R... ruim vijf jaar nu,’ zei Erith. Heel even hingen haar oren slap, maar toen strekten ze zich weer koppig omhoog. In een heel goede nabootsing van Covril zei ze: ik wil dat hij mijn echtgenoot wordt. Ik wist dat al toen ik hem voor het eerst zag. Ik laat hem niet doodgaan. Niet door zijn dwaze gedoe.’
Rhand en Loial hadden over veel dingen gepraat en een ervan was het Smachten geweest, hoewel Loial daar niet graag over sprak. Nadat het Breken van de Wereld de mensen op de vlucht had gedreven naar elke plek die misschien enige veiligheid kon bieden, waren de Ogier ook uit hun steddings verdreven. Vele jaren hadden de mensen rondgezworven in een wereld die met de dag kon veranderen, op zoek naar veiligheid, en al die tijd hadden de Ogier gezocht naar de verloren steddings in een veranderende wereld. In die tijd werden ze door het Smachten bevangen. Een Ogier die buiten de stedding verkeerde, wilde terugkeren. Een Ogier die lang buiten de stedding verbleef, moest terugkeren. Een Ogier die te lang wegbleef, stierf. ‘Hij heeft me eens verteld over een Ogier die lang wegbleef,’ bracht Rhand kalm naar voren. ‘Tien jaar, zei hij volgens mij.’ Nog voor Rhand was uitgesproken, schudde Haman zijn geweldige hoofd. ‘Dat gaat niet op. Ik ken er vijf die zo lang Buiten zijn gebleven en die levend zijn teruggekeerd. Ik denk dat ik het zou weten als er meer waren. Over dat soort waanzin wordt geschreven en gepraat. Drie van hen stierven binnen een jaar na hun terugkomst, de vierde was voor de rest van zijn leven gebrekkig en de vijfde verging het weinig beter; hij had een stok nodig om te lopen. Hoewel ze wel bleef schrijven. Ahum. Ahum. Dalar had enkele belangwekkende dingen te zeggen over...’ Ditmaal draaide hij zijn hoofd pijlsnel om toen Covril iets wilde opmerken. Hij keek haar strak aan, zijn lange wenkbrauwen schoten omhoog en ze begon verwoed haar rok goed te strijken. Ze bleef hem echter wel recht in de ogen kijken. ‘Vijf jaar is kort, ik weet het,’ zei Haman tegen Rhand terwijl hij Covril vanuit zijn ooghoeken scherp in de gaten hield, ‘maar we zijn nu aan de stedding gebonden. We hebben in de stad niets opgevangen waaruit blijkt dat Loial hier is en uit de opwinding die wijzelf hebben veroorzaakt, denk ik dat we zoiets zouden hebben gehoord. Indien jij me echter kunt zeggen waar hij is, bewijs je hem een grote vriendendienst.’ in Emondsveld, in Tweewater,’ zei Rhand. Het redden van het leven van een vriend vond hij geen verraad. ‘Het laatst heb ik hem gezien bij zijn vertrek, in het goede gezelschap van vrienden. Het is daar heel rustig, in Emondsveld. Veilig ook.’ Dat was het weer dankzij Perijn. ‘En een paar maanden geleden maakte hij het goed.’ Dat had Bode hem gezegd, toen de meisjes vertelden wat er thuis allemaal was gebeurd.
‘Tweewater,’ mompelde Haman. ‘Ahum. Ahum. Ja, ik weet waar dat ligt. Nog een lange wandeling.’ De Ogier reden zelden, aangezien er weinig paarden waren die hen konden dragen en ze trouwens toch de voorkeur gaven aan hun eigen voeten.
‘We moeten meteen vertrekken,’ zei Erith vastberaden, met een zacht rommelende stem. Zacht vergeleken met die van Haman. Covril en Haman keken elkaar verbaasd aan en haar oren hingen helemaal slap. Ze was uiteindelijk een heel jonge vrouw die een Ouder en een vrouw vergezelde, een vrouw met vermoedelijk enig aanzien, als hij zag hoe Covril Haman antwoord gaf. Erith was waarschijnlijk geen dag ouder dan tachtig.
Glimlachend bij de gedachte – een verspreking van een meisje van zo’n zeventig jaar – zei Rhand: ‘Wilt u alstublieft de gastvrijheid van het paleis aanvaarden? Met enkele dagen rust kunt u daarna sneller reizen. En u kunt me misschien helpen, Ouder Haman.’ Natuurlijk! Loial had het vaak gehad over zijn leraar, Ouder Haman. Volgens Loial wist die alles, ik wil weten waar de saidinpoorten liggen. Allemaal.’ Alle drie de Ogier spraken tegelijk.
‘De poorten?’ zei Haman en zowel zijn oren als wenkbrauwen schoten scherp omhoog. ‘De wegen zijn heel gevaarlijk. Veel te gevaarlijk.’
‘Enkele dagen?’ sprak Erith hem tegen. ‘Mijn Loial kan sterven...’
‘Enkele dagen?’ zei Covril erbovenuit. ‘Mijn Loial kan...’ Ze onderbrak zichzelf en keek de jongere vrouw met opeengeknepen lippen en trillende oren strak aan.
Haman gaf hun beiden een gefronste blik en streek geërgerd over zijn smalle baard, ik weet niet waarom ik me heb laren ompraten. Ik behoor mijn klassen les te geven en de Stomp toe te spreken. Als je geen geachte Spreekster was, Covril...’
‘Je bedoelt, als je niet met mijn zuster was getrouwd,’ zei ze stoutmoedig. ‘Voniel heeft je gezegd je plicht te doen, Haman.’ Hamans wenkbrauwen hingen zo laag dat de punten zijn wangen raakten en Covrils oren leken de ergste stijfheid kwijt te zijn. ik bedoel dat ze je heeft gevraagd,’ vervolgde ze, niet te haastig waardoor ze haar zelfverzekerdheid kon verliezen, maar zeer zeker niet aarzelend. ‘Bij de Boom en de stilte, ik wilde je niet beledigen, Ouder Haman.’ Haman proestte luid – wat voor mensen dus donderend luid was – en wendde zich tot Rhand, waarbij hij aan zijn jas trok alsof die niet netjes zat.
‘Het Schaduwgebroed gebruikt de wegen,’ zei Rhand voor Haman iets kon zeggen, ik heb schildwachten geplaatst bij de poorten die ik kan bereiken.’ Waaronder die van stedding Tsofu, klaarblijkelijk nadat deze drie waren vertrokken. Hadden ze na zijn vergeefse bezoek aan Tsofu die hele afstand lopend afgelegd? ‘Maar die zijn op de vingers van één hand te tellen. Ze moeten allemaal bewaakt worden, anders stromen de Myrddraal en Trolloks eruit en lijken ze voor hun slachtoffers vanuit het niets te verschijnen. Maar ik weet niet waar ze liggen.’ Daarmee bleven de doorgangen natuurlijk wel open. Hij vroeg zich weleens af waarom een Verzaker niet enkele duizenden Trolloks door een poort het paleis liet binnenstromen. Tienduizend, of twintigduizend. Hij zou onder grote druk komen te staan om die tegen te houden, als hij ze kón tegenhouden. Op z’n best zou het een slachting worden. Nou ja, hij kon niets tegen een doorgang doen, tenzij hij er zelf bij was. Hij kon wel iets doen aan de saidinwegen. Haman wisselde enkele blikken uit met Covril. Ze gingen terzijde staan en spraken fluisterend, vreemd genoeg klonk het zo zacht dat hij slechts een gezoem hoorde als van een grote bijenzwerm op het dak. Hij had terecht opgemerkt dat ze belangrijk was, een Spreekster. Hij had de achting in Hamans stem gehoord. Hij overwoog naar saidin te grijpen – dan zou hij ze kunnen horen – en verwierp het idee met afkeer. Hij was nog niet zo laag gezonken dat hij afluisterde. Erith verdeelde haar aandacht tussen de ouderen en Rhand, terwijl ze voortdurend onbewust haar rok gladstreek.
Rhand hoopte dat ze niet zouden vragen waarom hij zijn vraag niet had voorgelegd aan de Ouderraad in stedding Tsofu. Alar, de Oudste van de Ouderen in Tsofu, was heel vastbesloten geweest. De Stomp was bij elkaar gekomen, er kon niets afwijkends gedaan worden en zoiets opmerkelijks was nooit eerder voorgesteld. Indien de macht over de saidinwegen aan een mens werd overgedragen, moest de Stomp ermee instemmen. Wie hij was, leek voor haar van even weinig belang als voor deze drie Ogier.