Выбрать главу

Ten slotte kwam Haman fronsend terug met de handen aan de panden van zijn jas. Ook Covril fronste. ‘Dit gebeurt allemaal heel haastig, veel te haastig,’ zei Haman langzaam; hij klonk als verschuivende kiezels. ‘Ik had dit liever willen bespreken met... Nou ja, dat kan niet. Schaduwgebroed, zei je? Ahum. Ahum. Goed, als haast aan de orde is, laat het dan haast zijn. Men zal nooit mogen zeggen dat een Ogier niet snel kan optreden wanneer dat vereist is en misschien is dat nu het geval. Je moet begrijpen dat de Ouderraad van elke stedding het misschien afwijst en dat de Stomp dat eveneens kan doen.’

‘Kaarten!’ schreeuwde Rhand zo luid dat de drie Ogier opsprongen. ‘Ik heb landkaarten nodig!’ Hij keek rond, zoekend naar de bedienden die altijd nabij leken, naar een gai’shain, naar wie dan ook. Sulin stak haar hoofd om een deuropening. Na alles wat hij haar had gezegd, zou die zeker in de buurt zijn gebleven. ‘Kaarten!’ blafte hij haar toe. ‘Ik wil iedere landkaart die in het paleis aanwezig is. En een pen en inkt. Nu! Snel!’ Ze keek hem bijna minachtend aan – Aiel gebruikten geen kaarten en beweerden zelfs dat ze die niet nodig hadden – en draaide zich om. ‘Rennen, Far Dareis Mai!’ snauwde hij. Ze keek naar hem om... en rende. Hij had graag geweten wat voor gezicht hij had getrokken, voor toekomstig gebruik.

Haman leek in zijn handen te willen wringen, maar had daarvoor te veel waardigheid. ‘Er is echt heel weinig nieuws dat we je misschien nog kunnen vertellen. Elke stedding heeft er een, net over de grens met Buiten.’ De eerste saidinpoorten waren niet in een stedding gemaakt, omdat de Ware Bron daar niet kon worden aangeraakt. Ook nadat aan de Ogier de Talisman van de Groei was geschonken en zij de saidinwegen naar een nieuwe poort konden laten groeien, was de Kracht er nog steeds bij betrokken, al werd er daarbij niet geleid. ‘En al jullie steden met een Ogiergaarde. Hoewel het erop lijkt dat deze stad zich over de Gaarde heeft uitgebreid. En in Al’cair’rahienallen...’ Zijn stem verstierf, hoofdschuddend.

De moeilijkheden konden in die naam worden samengevat. Ongeveer drieduizend jaar geleden had er een stad bestaan die Al’cair’rahienallen heette en gebouwd was door de Ogier. Vandaag de dag was de naam Cairhien, en de Gaarde die de Ogierbouwers hadden aangelegd als herinnering aan hun stedding lag op het landgoed dat aan de Barthanes had behoord, in wier huis nu Rhands school was gehuisvest. Niemand herinnerde zich Al’cair’rahienallen nog, behalve de Ogier en wellicht enkele Aes Sedai. Zelfs de Cairhienin niet. Wat Haman verder ook geloofde, er kon in drieduizend jaar veel veranderen. De grote steden die de Ogier hadden gebouwd, bestonden niet meer, en van sommige waren zelfs de namen vergeten. Er waren grote steden ontstaan waar de Ogier niets in gebouwd hadden. Volgens Moiraine was Amador er een van, gesticht na de Trollok-oorlogen, en Chachin in Kandor, Shol Arbela in Arafel en Fal Moran in Shienar. In Arad Doman was Bandar Eban gebouwd op de puinhopen van een stad die in de Oorlog van de Honderd Jaren was vernietigd, een stad waarvoor Moiraine wel drie namen kende, ieder twijfelachtig en een voor een gebouwd op het puin van een naamloze stad die in de Trollok-oorlogen was verdwenen. Rhand kende een saidinpoort in Shienar, op het platteland vlak bij Fal Dara, een middelgrote stad waarvan de naam nog herinnerde aan Mafal Dadaranell, een enorme stad die door de Trolloks met de grond gelijk was gemaakt. Er bestond nog een andere poort in de Verwording, in het door de Schaduw verwoeste Malkier. Andere plekken waren gewoon veranderd of gegroeid, zoals Haman zelf al terecht had opgemerkt. De saidinpoort hier in Caemlin bevond zich nu in een kelder. Een heel goed bewaakte kelder. Rhand wist dat er een poort was buiten Tyr, op de grote graslanden waar de Hoogheren hun befaamde paardenkudden lieten weiden. Er moest ook ergens in de Mistbergen een poort zijn, bij het vroegere Manetheren, waar dat ook had gelegen. Wat de steddings betrof, wist hij alleen waar Tsofu lag. Moiraine had de steddings en de Ogier geen belangrijk deel van zijn ontwikkeling gevonden.

‘Je weet niet waar de steddings liggen?’ vroeg Haman ongelovig toen Rhand dit alles had uitgelegd. ‘Is dit een Aielgrap? Ik heb Aielhumor nooit goed begrepen.’

‘Voor de Ogier,’ merkte Rhand zachtmoedig op, ‘is het lang geleden dat de saidinwegen werden gemaakt. Voor mensen is het verschrikkelijk lang geleden.’

‘Maar herinner je je Mafal Dadaranell niet meer, of Ancohima, of Londaren Cor, of...’

Covril legde een hand op Hamans schouder, maar het medelijden in haar ogen betrof Rhand. ‘Hij herinnert het zich niet meer,’ zei ze zachtjes. ‘Hun herinneringen zijn verdwenen.’ Uit haar mond klonk het als het grootste verlies dat iemand zich maar kon voorstellen. Erith had haar handen tegen haar mond gedrukt en leek elk ogenblik in tranen uit te barsten.

Sulin keerde terug, met opzet niet hollend, gevolgd door een behoorlijke groep gai’shain die hun armen vol hadden met opgerolde kaarten in alle mogelijke maten, sommige zo lang dat ze over de plavuizen van de binnenhof sleepten. Een in het wit geklede man droeg een met ivoor ingelegd schrijfkistje mee. ‘Ik heb de gai’shain opgedragen verder te zoeken,’ zei ze stijfjes, ‘en enkele natlanders.’

‘Dank je,’ zei hij. Iets van de strakheid in haar gezicht verdween. Op zijn hurken begon hij de kaarten op de plavuizen uit te rollen en op volgorde te leggen. Vele waren er van de stad en van delen van Andor. Al snel vond hij er een die alle Grenslanden toonde, en het Licht mocht weten wat die kaart in Caemlin deed. Sommige waren oud en verfomfaaid, en toonden grenzen die niet meer bestonden of vermeldden landen die honderden jaren eerder in vergetelheid waren geraakt. Grenzen en namen waren voldoende om de kaarten op volgorde van tijd te leggen. Op de oudste grensde Hardan in het noorden aan Cairhien. Vervolgens verdween Hardan en reikten Cairhiens grenzen halverwege Shienar voor ze weer terugkropen, toen duidelijk bleek dat de Zonnetroon zoveel land niet kon besturen. Maredo lag tussen Tyr en Illian, daarna verdween Maredo en grensde Tyr ergens op de Vlakte van Maredo aan Illian, waarbij de grenzen zich geleidelijk om dezelfde reden als die van Cairhien terugtrokken. Caralain, Almoth, Mosara, Irenvelle en andere naties verdwenen, soms opgeslokt door buren, veel vaker vervielen ze tot wildernis waar niemand aanspraak op maakte. Na de verbrokkeling van Haviksvleugels wereldrijk vertelden de kaarten het verhaal van een trage neergang van de mensheid. Een tweede kaart van de Grenslanden toonde alleen Saldea en een deel van Arafel, maar gaf ook aan dat de grens van de Verwording vijftig span noordelijker lag. De mensheid trok zich terug en de Schaduw breidde zich uit.

Een kale, magere man in een slecht passend livrei schoof haastig met zijn armen vol kaarten de binnenhof op. Rhand zuchtte en ging verder met uitzoeken en op volgorde leggen.

Haman bekeek ernstig het schrijfkistje dat een gai’shain hem voorhield en haalde toen een even groot maar veel eenvoudiger kistje uit zijn ruime jaszak. De pen erin was van gewreven hout, behoorlijk dikker dan Rhands duim maar lang genoeg om dun te lijken. Hij paste volmaakt in zijn worstdikke Ogiervingers. Hij knielde neer en kroop op handen en knieën tussen de uitgezochte kaarten door. Af en toe doopte hij de pen in de inktpot van de gai’shain en tekende wat aan. De letters leken heel groot, tot Rhand besefte dat ze voor Haman klein moesten zijn. Covril volgde, loerde over zijn schouder mee, zelfs nadat hij haar voor de tweede keer had gevraagd of ze dacht dat hij soms een fout zou maken.

Rhand kwam veel nieuwe dingen te weten. Om te beginnen dat er zeven steddings her en der in de Grenslanden lagen, al wist hij dat Trolloks bang waren voor een stedding en dat zelfs Myrddraal een belangrijke reden moesten hebben als ze er toch een betraden. De Rug van de Wereld, de Drakenmuur, telde er dertien, waaronder een in Therins Dolk, van stedding Shangtai in het zuiden tot de steddings Qichen en Sanshen in het noorden, op slechts enkele spannen van elkaar. ‘Het land veranderde echt door het Breken van de Wereld,’ legde Haman uit toen Rhand ernaar vroeg. Hij ging bruusk door met aantekeningen te maken, bruusk voor een Ogier althans. ‘Land werd zee en zeeën vielen droog, maar het land vouwde en boog ook dubbel. Soms kwamen ver uiteenliggende streken bij elkaar en verwijderden naburige streken zich ver van elkaar, hoewel natuurlijk niemand kan zeggen of Qichen en Sanshen wel ver uit elkaar hebben gelegen.’