‘We hebben besloten,’ zei Haman stijf, ‘het aanbod te aanvaarden. Laten we een eind maken aan dit belachelijke rondhupsen, zodat ik naar mijn klassen terug kan keren. En naar de Stomp. Ahum. Ahum. Er dient de Stomp een heleboel over jou verteld te worden.’ Rhand gaf er niet om of Haman de Stomp zou zeggen dat hij een dwingeland was. De Ogier gingen weinig om met mensen, alleen voor het herstel van oude bouwwerken. Het was onwaarschijnlijk dat dit een gunstige of ongunstige invloed op iemand zou hebben. ‘Goed,’ zei hij. ik zal iemand uw spullen uit de herberg laten halen.’
‘We hebben alles bij ons.’ Covril liep om de fontein heen, bukte zich en kwam omhoog met twee grote pakken die erachter verborgen hadden gelegen. Elk pak zou voor een gewoon man een zware last zijn geweest. Ze overhandigde er een aan Erith en trok een riem van het andere pak over haar hoofd en schuin over haar borst zodat het op haar rug hing.
‘Als Loial hier was geweest,’ legde Erith uit, die haar pak ook op de rug nam, ‘konden we meteen zonder oponthoud terug naar stedding Tsofu. In het andere geval zouden we doorreizen. Zonder oponthoud.’
‘Feitelijk kwam het door de bedden,’ vertrouwde Haman Rhand toe, terwijl hij met zijn handen de grootte van een bed voor een klein kind aangaf. ‘Vroeger had elke herberg Buiten twee of drie Ogierkamers, maar men lijkt dat tegenwoordig lastig te vinden. Het is moeilijk te begrijpen.’ Hij wierp een blik op de beschreven kaarten en zuchtte. ‘Moeilijk te begrijpen.’
Rhand wachtte totdat Haman zijn eigen pak had opgepakt, greep saidin en opende op het binnenhof een doorgang naast de fontein, een gat in de lucht dat een verwoeste met onkruid gevulde straat toonde en ingestorte gebouwen.
‘Rhand Altor!’ Sulin beende bijna de hof op, met achter haar een groepje bedienden en gai’shain die beladen waren met landkaarten. Liah en Cassin waren bij haar en deden net of ze toevallig meeliepen. ‘Je vroeg om nog meer kaarten.’ Sulins blik op de doorgang was nog nét niet beschuldigend.
‘Ik kan mezelf beter beschermen dan jullie kunnen,’ zei Rhand koud. Hij wilde het niet kil laten klinken, maar gehuld in de leegte was zijn stem altijd koel en veraf. ‘Er is daar niets dat jullie speren hoeven te bevechten en sommige dingen kunnen ze niet bevechten.’ Sulin toonde nog steeds een groot deel van haar eerdere stijfkoppigheid. ‘Des te meer reden voor ons om mee te gaan.’ Dat kon alleen maar voor een Aiel redelijk klinken, ik ga er niet om twisten,’ zei hij. Ze zou na een weigering toch proberen hem te volgen en de Speervrouwen oproepen die nog door de poort zouden springen terwijl hij hem sloot, ik vermoed dat je de rest van de lijfwacht van vandaag vlakbij hebt. Fluit ze hierheen, maar iedereen dient dicht bij me te blijven en mag niets aanraken. Haast je. Ik wil dit snel achter de rug hebben.’ Zijn herinneringen aan Shadar Logoth waren niet plezierig.
‘Ik heb ze weggestuurd omdat jij erop stond,’ zei Sulin vol afkeer. ‘Tel langzaam tot honderd.’
‘Tot tien.’
‘Vijftig.’
Rhand knikte en haar vingers flitsten. Jalani schoot weg naar binnen en Sulins handen flitsten weer. Drie vrouwelijke gai’shain lieten alle kaarten uit hun armen vallen, keken geschokt – Aiel keken nooit zo verbaasd -, tilden hun witte rok op en verdwenen in diverse richtingen het paleis in. Hoe snel ze ook renden, Sulin was hen nog voor. Rhand kwam bij twintig en Aiel sprongen de hof op, doken uit vensters en sprongen van balkons omlaag. Hij vergat bijna te tellen. Iedere Aiel was gesluierd en er waren slechts enkele Speervrouwen. Ze staarden verward rond bij het zien van Rhand en de drie Ogier die hen nieuwsgierig opnamen. Sommigen lieten hun sluier zakken. De bedienden van het paleis stonden dicht bij elkaar. De Aiel bleven toestromen, zelfs nadat Sulin precies op de vijftigste tel terugkeerde, en het plein vol Aiel stond. Al snel bleek dat ze het bericht had verspreid dat de Car’a’carn in gevaar verkeerde, de enige manier waarop ze volgens haar binnen de toegestane tijd genoeg speren bijeen kon krijgen. Er klonk wat zuur gemopper bij de mannen, maar de meesten vonden het een goede grap; sommigen grinnikten en roffelden met hun speren op de schilden. Niemand ging echter weg. Ze keken naar de poort en hurkten neer om te zien wat er ging gebeuren. Door de Kracht hoorde Rhands scherpe oren dat een Speervrouw die Nandera heette, pezig maar nog knap, al waren haar haren eerder grijs dan blond, tegen Sulin fluisterde: ‘Je hebt de gai’shain aangesproken als Far Dareis Mai.’
Sulin keek Nandera vlak aan. inderdaad. We zullen dat afhandelen wanneer Rhand Altor vandaag veilig is.’
‘Wanneer hij veilig is,’ stemde Nandera in.
Sulin koos snel twintig Speervrouwen uit, sommigen hadden die ochtend deel uitgemaakt van de lijfwacht, anderen niet, maar toen Urien de Roodschilden uitkoos, vonden de Aiel van de andere krijgsgenootschappen dat zij er ook bij hoorden. Die stad achter de doorgang zag eruit als een plek vol vijanden en de Car’a’carn moest beschermd worden. Geen enkele Aiel zou zich trouwens buiten een strijd houden en hoe jonger ze waren, hoe gretiger ze die zochten. Er brak bijna opnieuw ruzie uit, toen Rhand zei dat er niet meer mannen mee mochten dan vrouwen – dat zou oneervol zijn voor de Far Dareis Mai, aangezien deze zijn eer hoog hield – en niet meer Speervrouwen dan Sulin reeds had gekozen. Hij voerde hen mee naar een plaats waar geen enkele vaardigheid in de strijd hen kon beschermen. Iedereen die hij meenam, diende hij ook nog in het oog te houden. Dat laatste legde hij maar niet uit. Hij kon onmogelijk raden wiens eer hij zou schenden als hij het wel vertelde.
‘Denk eraan,’ zei hij nadat alles was uitgezocht, ‘raak niets aan. Neem niets mee, zelfs geen druppel water. En blijf voortdurend in het zicht van de anderen; ga geen enkel gebouw in, om geen enkele reden.’ Haman en Covril knikten verwoed, waarvan de Aiel meer onder de indruk raakten dan van Rhands woorden. Nou ja, zolang ze maar onder de indruk waren.
Ze stapten door de poort in een stad die reeds lang dood was, die meer dan dood was.
Een goudgele zon halverwege de ochtend roosterde de puinhopen van vroegere grootsheid. Hier en daar kroonde een enorme koepel een licht marmeren paleis, maar er waren meer gebouwen met gaten dan zonder. Meestal restte er slechts een ongelijk en verwoest deel. Lange zuilengangen leidden naar torens die een hoogte bereikten waar Cairhien van droomde of naar torens met verbrokkelde toppen. Overal lagen daken, blokken en bakstenen van ingestorte gebouwen en waaierden muren uit over gebarsten plavuizen. Vergruizelde fonteinen en kapotte beelden bezetten elke kruising. Vermolmde bomen, verspreid over enorme heuvels van puin, stierven in de droogte. Dood onkruid volgde de barsten en scheuren in straten en gebouwen. Er bewoog niets, geen vogel, geen rat, geen briesje. Stilte omhulde Shadar Logoth, Schaduwwaak.
Rhand liet de poort verdwijnen. Geen enkele Aiel liet de sluier zakken. De Ogier staarden om zich heen, hun gezichten strak en met hun oren stijf tegen het hoofd aan. Rhand hield saidin vast in het gevecht waarvan Taim zei dat het aangaf dat een man nog leefde. Zelfs als hij niet had kunnen geleiden, misschien juist in dat geval, zou hij hier aan Taims raad denken.
Aridhol was een grootse hoofdstad geweest in de dagen van de Trollok-oorlogen, een bondgenoot van Manetheren en de andere acht naties. Toen die oorlogen zo lang hadden geduurd dat de Oorlog van de Honderd Jaren weinig voorstelde, toen het leek of de Schaduw op alle gebieden aan de winnende hand was en iedere overwinning van het Licht slechts uitstel betekende, werd een man die Mordeth heette, raadsman van Aridhol. Hij gaf de raad dat men om te winnen allereerst diende te overleven, dat Aridhol harder, wreder en achterdochtiger dan de Schaduw moest zijn. Geleidelijk zorgden de inwoners ervoor dat Aridhol even zwart werd als de Schaduw, misschien nog zwarter. Terwijl de oorlog tegen de Trolloks nog steeds gaande was, wendde Aridhol zich tot zichzelf, keerde zich tegen zichzelf en verteerde ten slotte zichzelf.
Iets was achtergelaten, iets dat ervoor zorgde dat niemand hier ooit weer zou leven. Zelfs de kleinste kiezeltjes op straat waren bevuild met de haat en achterdocht die Aridhol hadden vermoord, waarna Shadar Logoth was overgebleven. Ieder miezerig steentje kon na korte of lange tijd de bezoeker besmetten.