Er was meer achtergebleven dan dat kwaad, al was dat reeds voldoende om ieder verstandig mens weg te houden.
Rhand draaide langzaam rond en staarde naar de vensters, lege oogkassen met uitgestoken ogen. Nu de zon hoger en hoger aan de hemel klom, kon hij de onzichtbare toeschouwers voelen. Indertijd had hij ze pas bij de ondergaande zon gevoeld. Er was veel meer dan smerigheid overgebleven. Ooit had een Trollok-leger hier zijn tenten opgeslagen en was het omgekomen. Het was volkomen verdwenen, afgezien van enkele met bloed gekalkte berichtjes op de muren die de Duistere om redding smeekten. Men moest zich ’s nachts niet in Shadar Logoth bevinden.
Deze plek maakt me bang, mompelde Lews Therin buiten de leegte. Maakt hij jou niet bang?
Rhands adem stokte in zijn keel. Richtte de stem zich echt tot hem? Ja, hij maakt me bang.
Er heerst duisternis hier. Een zwart zwarter dan zwart. Als de Duistere onder de mensen zou willen wonen, zou hij deze plek kiezen. Ja, dat zou hij. Ik moet Demandred doden.
Rhand knipperde met zijn ogen. Is er enig verband tussen Demandred en Shadar Logoth? Met dit alles?
Ik herinner me eindelijk Ishamael te hebben gedood. Er klonk iets van verbazing over een nieuwe ontdekking in de stem door. Hij verdiende het te sterven. Lanfir verdiende het ook, maar ik ben blij dat ik niet degene was die haar doodde.
Was het enkel toeval dat de stem hem aansprak? Kon Lews Therin horen? Antwoorden? Hoe heb je... heb je Ishamael gedood? Vertel me hoe.
Dood. Ik wil de rest van de dood. Maar niet hier. Ik wil hier niet doodgaan.
Rhand zuchtte. Enkel toeval. Hij wilde hier ook niet sterven. Een paleis vlak voor hem, met gebroken pilaren voor de voorgevel, helde duidelijk naar voren en kon elk ogenblik neerstorten en hen hier ter plekke begraven. ‘Gaat u voor,’ zei hij tegen Haman. Voor de Aiel voegde hij eraan toe: ‘Denk aan wat ik heb gezegd. Raak niks aan, pak niks op en blijf in het zicht.’
‘Ik had niet gedacht dat het zo erg zou zijn,’ mompelde Haman. ‘Het overstemt bijna de saidinpoort.’ Erith kreunde en Covril keek alsof ze dat ook wilde doen als ze wat minder waardigheid zou hebben bezeten. Ogier waren gevoelig voor de sfeer van een plek. Haman wees. Het zweet op zijn gezicht had niets te maken met de hitte. ‘Die kant op.’
Kapotte plavuizen knarsten onder Rhands laarzen alsof hij botten vermaalde. Haman leidde hen rond hoeken en door straten, langs de ene puinhoop na de andere, maar hij was zeker van de richting. De Aiel om hen heen bewogen op hun tenen. Hun ogen boven de zwarte sluiers keken niet alsof ze een aanval verwachtten, maar alsof die reeds was ingezet. Door de onzichtbare loerders en kapotte gebouwen kwamen herinneringen boven die Rhand veel liever zou vergeten. Hier was Mart het pad ingeslagen dat hem naar de Hoorn van Valere had geleid, het pad waarop hij bijna was gedood, misschien tevens het pad dat hem naar Rhuidean had gebracht, en naar de ter’angreaal waarover hij niet wilde praten. Hier was Perijn verdwenen toen ze genoodzaakt waren geweest ’s nachts te vluchten, en toen Rhand hem eindelijk weer terugzag, heel ver hier vandaan, had hij gouden ogen, een droeve blik en geheimen die Moiraine nooit met Rhand had gedeeld. Hij was er zelf ook niet onbeschadigd uitgekomen, hoewel Shadar Logoth hem niet rechtstreeks had geraakt. Ze waren allen door Padan Fajin hierheen gevolgd: hij, Mart en Perijn, Moiraine en Lan, Egwene en Nynaeve. Padan Fajin, de marskramer die Emondsveld regelmatig bezocht. Padan Fajin, de Duistervriend. Meer dan een Duistervriend nu; veel erger dan een Duistervriend, volgens Moiraine. Fajin was hen allen hierheen gevolgd, en hieruit vertrokken als meer dan Fajin, of minder dan Fajin. Fajin, als je hem nog zo kon noemen, wenste Rhands dood. Hij had iedere vriend en kennis van Rhand bedreigd als Rhand niet naar hem toe zou komen. Rhand was niet gegaan. Perijn had het voor hem afgehandeld en had Tweewater gered, maar Licht, wat had dat pijn gedaan. Wat had Fajin bij de Witmantels uitgespookt? Was Pedron Nial misschien een Duistervriend? Als een Aes Sedai dat kon zijn, waarom dan de kapiteinheer-gebieder van de Kinderen van het Licht niet?
‘Daar is het,’ zei Haman en Rhand schrok op. Shadar Logoth was wel de laatste plek ter wereld waar je je in gedachten mocht verliezen. Waar de Ouder stond, was vroeger een groot plein geweest, al lagen er nu verweerde puinhopen omheen. Midden op het plein, waar een fontein had kunnen staan, verrees een fraai bewerkt fijnmazig hek van een of ander glinsterend metaal, zo hoog als een Ogier en zonder enige roest. Het omsloot iets dat op een hoge rotsmuur leek, zo fijn bewerkt met ranken en bladeren dat je de bries waarop ze bewogen, leek te voelen. Totdat je verbaasd merkte dat ze grijs waren en niet groen. Het was de saidinpoort, hoewel het zeker niet op een poort leek.
‘Ze hebben de Gaarde omgehakt zodra de Ogier terug naar hun stedding waren gegaan,’ mopperde Haman boos met zijn lange wenkbrauwen diep omlaag getrokken, ‘al na twintig of dertig jaar, toen de stad werd uitgebreid.’
Rhand raakte het hek aan met een stroom Lucht en vroeg zich af hoe hij erdoorheen kon komen. Met zijn ogen knipperend zag hij het hele ding met luid zilveren gerinkel in twintig of meer stukken uiteenvallen, zodat de Ogier schrokken. Rhand schudde het hoofd. Natuurlijk. Metaal dat zo lang zonder een spoortje roest goed bleef, móést wel met de Kracht zijn gemaakt. Het was misschien een overblijfsel uit de Eeuw der Legenden, maar de verbindingen ertussen waren allang verteerd en hadden slechts een klein duwtje nodig. Covril legde een hand op zijn schouder, ik zou je willen vragen hem niet open te maken. Ongetwijfeld heeft Loial je verteld hoe dat moet – hij heeft altijd veel te veel belangstelling getoond voor dat soort dingen – maar de wegen zijn gevaarlijk.’
‘Ik kan hem afsluiten,’ zei Haman, ‘zodat hij zonder de Talisman van de Groei niet meer kan worden geopend. Ahum. Ahum. Heel eenvoudig. Zo gebeurd.’ Hij leek er echter niet al te happig op en maakte ook geen aanstalten om erheen te lopen.
‘Hij moet misschien gebruikt worden om snel iets te halen,’ vertelde Rhand hem. Alle wegen zouden misschien gebruikt moeten worden, welke gevaren daar ook wachten. Als hij ze op de een of andere manier kon schoonmaken... Dat was bijna even overmoedig als zijn bewering tegen Taim dat hij saidin wilde schoonmaken. Hij begon saidin rond de poort te weven, gebruik makend van alle vijf Krachten, en tilde daarbij zelfs de stukken van het hek weer op hun plaats. Vanaf de eerste stroom leek de smerigheid in hem te kloppen, een traag toenemende trilling. Het moest het kwaad van Shadar Logoth zelf zijn, de weerkaatsing van kwaad op kwaad. Zelfs in de leegte voelde hij zich duizelig door die bevingen, alsof de wereld onder zijn voeten in de tijd mee bewoog. Hij kreeg de neiging alles uit te braken wat hij ooit had gegeten. Toch hield hij vol. Hij kon hier evenmin mannen de poort laten bewaken als ze de stad laten doorzoeken. Wat hij weefde en toen omkeerde, was een verdorven valstrik die bij deze gruwelijke plek paste. Een ban van niets ontziende kwaadaardigheid. Mensen konden er ongedeerd door, misschien zelfs Verzakers – hij kon een ban plaatsen tegen mensen óf tegen het Schaduwgebroed, maar niet tegelijk – en zelfs een mannelijke Verzaker kon het niet ontdekken. Wat voor Schaduwgebroed er ook doorheen zou komen – dat was het kwaadaardige – ze zouden niet meteen sterven; ze zouden lang genoeg leven om buiten de stadsmuren te komen. Ver genoeg, zodat de doden niet hier in het rond zouden liggen, wat de volgende Myrddraal kon afschrikken. Zo lang dat een Trollok-leger eruit kon komen, waarna ze hun eigen doden konden oppakken. Wreed genoeg voor een Trollok. Zoiets te maken maakte hem even ziek als de bezoedeling van saidin.