Выбрать главу

Hij verknoopte het weefsel, waarna het loslaten van saidin hem slechts enige verlichting schonk. Het restje vuiligheid dat altijd achter leek te blijven klopte nog steeds; het voelde bijna alsof de grond onder zijn laarzen bonsde en trilde. Zijn tanden en oren deden pijn. Hij kon haast niet wachten om zo snel mogelijk te vertrekken.

Hij haalde diep adem en bereidde zich voor opnieuw te geleiden, een doorgang te openen – en hield fronsend op. Snel telde hij iedereen, deed het nogmaals, langzamer. ‘Er is iemand weg. Wie?’

De Aiel overlegden kort met elkaar.

‘Liah,’ zei Sulin door haar sluier heen.

‘Ze stond vlak achter me.’ Dat was ongetwijfeld Jalani’s stem. ‘Misschien zag ze iets.’ Hij meende dat het Desora was. ik had iedereen gezegd bij elkaar te blijven!’ Woede raasde over de leegte, golven botsten schuimend kapot op de rots. Een van hen werd vermist en zij namen het met die Lichtvervloekte Aielkalmte op. Een Speervrouw was weg. Een vrouw was verdwenen. In Shadar Logoth. ‘Wanneer ik haar vind...!’ Duimpje voor duimpje onderdrukte hij de razernij die de leegte om hem heen dreigde weg te spoelen. Hij kon Liah wat doen! Haar uitschelden tot ze flauwviel, haar voor de rest van haar leven naar Sorilea sturen. De woede wilde haar witheet vermoorden. ‘Verdeel je in paren. Schreeuw, kijk overal, maar ga nergens naar binnen, om geen enkele reden. En blijf buiten de schaduw lopen. Je kunt hier sterven voor je het weet. Jullie kunnen allemaal sterven voor je het beseft. Als je haar binnen een gebouw ziet, ook al ziet ze er prima uit: haal me, tenzij ze zelf naar buiten komt lopen.’

‘We kunnen sneller zoeken als we ieder alleen gaan,’ zei Urien en Sulin knikte instemmend. Er werd door veel te veel Aiel geknikt. ‘Met twéé!’ Opnieuw onderdrukte Rhand zijn woede. Het Licht mocht die harde Aielkoppen branden. ‘Alleen op die manier heb je iemand die jou in de rug kan dekken. Bloedvuur, doe eens een keer wat ik zeg. Ik ben hier geweest, ik ken deze plek.’

Er ging war tijd verloren door de vraag hoeveel Aiel bij Rhand zouden blijven, maar vervolgens verspreidden zich twintig paren. De achterblijfster was Jalani, dacht Rhand, al viel dat door de sluier moeilijk te zeggen. Voor het eerst leek ze er niet al te blij mee dat ze hem mocht bewaken; de groene ogen bevatten zeker iets koppigs, ik neem aan dat wij ook een paar kunnen vormen,’ zei Haman, Covril aankijkend.

Ze knikte. ‘En Erith kan hier blijven.’

‘Nee!’ riepen Rhand en Erith bijna tegelijk. De oudere Ogier wendden zich met ernstig afkeurende gezichten om. Eriths oren zakten zo ver dat ze eraf leken te vallen.

Rhand trachtte zijn stemming stevig vast te houden. Eens had het geleken dat in de leegte elke boosheid ver weg was, ergens in de verte, alleen met een dun draadje aan hem vast. Het dreigde hem meer en meer te overweldigen, de leegte te overweldigen, wat rampzalig zou kunnen zijn. Afgezien daarvan... ‘Het spijt me. Ik had niet tegen u mogen schreeuwen, Ouder Haman, en niet tegen u, Spreekster Covril.’ Was dat de juiste aanspreking? Was het wel een titel? Niets op hun gelaat toonde of het goed of verkeerd was. ik zou het waarderen als u allen hier bij mij wilt blijven, dan kunnen we allemaal samen zoeken.’

‘Natuurlijk,’ zei Haman. ik begrijp echter niet hoe ik je beter kan beschermen dan je zelf kunt, maar het is jouw beslissing.’ Zowel Covril als Erith knikte instemmend. Rhand had geen idee waar Haman het over had, maar het leek niet de beste tijd om dat te vragen, nu het drietal zich blijkbaar klaar hield om hem te beschermen. Hij betwijfelde geen ogenblik dat hij hen alle drie in bescherming kon nemen zolang ze dicht bij hem bleven.

‘Zolang je je aan je eigen regels houdt, Rhand Altor.’ De groenogige Speervrouw was inderdaad Jalani en ze klonk opgewekt omdat ze meer kon doen dan wachten. Rhand hoopte dat hij de anderen een beter idee had gegeven van hoe deze plek echt was.

Vanaf het begin wekte het zoeken slechts droeve ergernis. Ze liepen door straten, beloerd door onzichtbare ogen, klommen soms over verspreid puin en riepen om beurten: ‘Liah! Liah!’ Covrils geroep liet hellende muren barsten. Bij Hamans stem kraakten ze dreigend. Niets en niemand antwoordde. De enige andere geluiden waren het geroep van de overige zoekers en de honende weerkaatsingen in de straten: Liah! Liah!

De zon stond bijna recht boven hen, toen Jalani zei: ik denk niet dat ze zo ver weg is gegaan, Rhand Altor. Tenzij ze van ons vandaan probeerde te komen en dat zou ze niet doen.’

Rhand had boven aan brede stenen treden tussen de zuilen in de schaduwen staan turen om te zien of hij iets in de grote ruimte erachter kon onderscheiden en draaide zich nu om. Voor zover hij kon zien, lag er alleen stof. Geen voetafdrukken. De onzichtbare loerders waren vervaagd; zelfs nu, midden op de dag, waren ze niet weg, maar wel bijna. ‘We moeten zoveel mogelijk plaatsen afzoeken. Misschien...’ Hij wist niet wat te zeggen, ik laat haar hier niet achter, Jalani.’ De zon vervolgde zijn weg en begon te zakken en hij stond boven op iets dat vroeger een paleis was geweest of misschien wel een halve straat met huizen. Het was nu een heuvel, door de lange jaren vergaan en gebrokkeld, waar uit de droge grond slechts kapotte stenen en brokstukken van bewerkte steen opstaken om te tonen dat het ooit anders was geweest. Hij zette zijn handen als een beker rond zijn mond en schreeuwde: ‘Liah!’

‘Rhand Altor!’ riep een Speervrouw van de straat beneden. Ze liet haar sluier zakken, zodat hij kon zien dat het Sulin was. Zij stond met een andere, nog steeds gesluierde Speervrouw naast Jalani en de Ogier. ‘Kom omlaag.’

Hij klauterde zo snel naar beneden, in een wolk van stof en een regen van steentjes en rotsbrokjes, dat hij bijna struikelde. ‘Jullie hebben haar gevonden?’

Sulin schudde het hoofd. ‘Als ze nog in leven is, hadden we haar al moeten hebben. Ze zou uit zichzelf niet zo ver weglopen. Als iemand haar zo ver heeft gedragen, hebben ze haar als lijk meegenomen, denk ik, want ze zou zich niet gemakkelijk hebben overgegeven. Als ze zo erg gewond is dat ze ons roepen niet kan beantwoorden, moet dat volgens mij wel inhouden dat ze dood is.’ Haman zuchtte bedroefd; de wenkbrauwen van de Ogiervrouwen zakten bijna op hun jukbeenderen; om de een of andere reden waren hun droeve, medelijdende blikken op Rhand gericht. ‘Blijf zoeken,’ zei hij.

‘Mogen we in de gebouwen zelf kijken? Er zijn veel ruimtes die we van buiten niet goed kunnen zien.’

Rhand aarzelde. Het was nu vroeg in de middag en hij kon die ogen weer voelen. Even sterk als ze die eerste keer bij zonsondergang waren geweest. De schaduwen in Shadar Logoth waren niet veilig. ‘Nee, maar we blijven zoeken.’

Hij wist niet hoe lang hij in de straten bleef roepen en kijken, maar een tijd later kwamen Urien en Sulin voor hem staan, beiden ongesluierd. De zon raakte de boomtoppen in het westen, een bloedrode bal in een wolkeloze hemel. De schaduwen strekten zich lang uit over de puinhopen.

‘Ik wil zoeken zolang je wilt,’ zei Urien, ‘maar meer kunnen we met roepen en kijken niet doen. Als we de gebouwen in mogen...’

‘Nee.’ Het klonk schor en Rhand schraapte zijn keel. Licht, wat zou hij graag een slok water willen. De onzichtbare toeschouwers vulden elk venster en elke opening. Duizenden, wachtend, afwachtend. De schaduwen rukten op. Schaduwen waren niet veilig in Shadar Logoth, en de duisternis bracht de dood voort. Mashadar ontwaakte bij zonsondergang. ‘Sulin, ik...’ Hij kon de woorden niet opbrengen dat ze het moesten opgeven, Liah achter moesten laten of ze dood was of in leven, misschien ergens bewusteloos achter een muur lag, of onder een stapel stenen die op haar was neergevallen. Dat kon toch, of niet? ‘Wat ons ook in de gaten houdt, wacht op het vallen van de nacht, denk ik,’ zei Sulin. ik heb in vensters gekeken waar iets terugkeek, maar niets te zien was. De dans met de speren zal niet gemakkelijk zijn met iets dat we niet kunnen zien.’

Rhand besefte dat hij van haar wilde horen dat Liah dood moest zijn en dat ze weg konden. Het was mogelijk dat Liah ergens gewond lag. Hij bevoelde zijn jaszak. De angreaal van het kleine dikke mannetje lag nog in Caemlin, met zijn zwaard en Drakenstaf. Hij wist niet zeker of hij na het vallen van de nacht iedereen kon beschermen. Moiraine had gedacht dat de hele Witte Toren niet in staat was Mashadar te doden. Als je tenminste kon zeggen dat hij leefde. Haman schraapte zijn keel. ‘Van wat ik me van Aridhol herinner,’ zei hij fronsend, ‘ik bedoel van Shadar Logoth, weet ik dat we waarschijnlijk allemaal zullen sterven wanneer de zon ondergaat.’