Выбрать главу

‘Ja.’ Het woord kwam aarzelend en met een zucht. Liah, misschien nog in leven. Alle anderen. Covril en Erith stonden iets verder met hun hoofden bij elkaar en hij ving iets op over Loial. De plicht is zwaarder dan een berg, de dood lichter dan een veer. Lews Therin moest dat van hem hebben – herinneringen gingen blijkbaar van beide kanten over de afscherming heen – maar het kerfde wel diep in zijn hart.

‘We moeten nu vertrekken,’ zei hij. ‘Of Liah nog in leven is of dood, we... moeten gaan.’ Urien en Sulin knikten slechts, maar Erith kwam naast hem staan en gaf een verrassend licht klopje op zijn schouder met een hand die zijn hele hoofd had kunnen omvatten. ‘Als het niet te veel moeite voor je is...’ zei Haman. ‘We zijn behoorlijk wat langer gebleven dan we verwacht hadden.’ Hij gebaarde naar de ondergaande zon. ‘Als je ons het plezier wilt doen ons op dezelfde manier als op de heenreis buiten de stad te brengen, zou ik dat zeer waarderen.’

Rhand dacht terug aan het grote woud buiten Shadar Logoth. Er waren ditmaal geen Myrddraal of Trolloks, slechts een woest bos en het Licht wist hoe ver het meest nabije dorp was en in welke richting, ik weet iets beters,’ zei hij. ik breng jullie meteen naar Tweewater.’ De twee oudere Ogier knikten ernstig. ‘De zegen van het Licht en de stilte rusten op jou voor je hulp,’ mompelde Covril. Eriths oren trilden van spanning, misschien zowel voor Loial als vanwege hun vertrek uit Shadar Logoth.

Rhand aarzelde even. Loial zou vermoedelijk wel in het dorp zijn, maar daar kon hij ze niet heen brengen. De kans was te groot dat het nieuws van zijn bezoek aan Emondsveld zou uitlekken. Op enige afstand van het dorp dus, ver genoeg om de boerderijen rond het dorp te vermijden.

De rechtopstaande lichtspleet verscheen en werd breder. De bezoedeling bonkte weer in hem, erger dan eerst en de grond leek tegen de zolen van zijn laarzen te slaan.

Een handvol Aiel sprong erdoorheen en de drie Ogier volgden met een haast die in de omstandigheden zeker niet ongepast was. Rhand wachtte, keek om naar de verwoeste stad. Hij had beloofd dat de Speervrouwen voor hem mochten sterven.

Toen de laatste Aiel erdoorheen was, siste Sulin, en hij wierp haar een blik toe, maar ze keek naar zijn hand. Erbovenop hadden zijn nagels een snee gekerfd waar het bloed uit druppelde. Gehuld in de leegte had de pijn van iemand anders kunnen zijn. Het teken in zijn lichaam deed er niet toe; het zou wel genezen. Hij had diepere kerven in zich, waar niemand ze kon zien. Een voor elke gedode Speervrouw, en hij stond zichzelf daarvoor geen enkele genezing toe.

‘Het is gedaan,’ zei hij, en hij stapte door de doorgang Tweewater in. Met de poort verdween ook het bonzen van saidin. Fronsend probeerde Rhand uit te maken waar hij was. Een poort precies plaatsen was niet gemakkelijk wanneer je er nooit eerder was geweest, maar hij had een bekend veld uitgekozen. Een stuk land met veel onkruid op ruime wandelafstand van Emondsveld dat niemand ooit gebruikte. In het spookachtige schemerlicht kon hij echter een behoorlijke kudde schapen zien en een honderd pas verder een jongen met een herdersstaf in de handen en een boog op zijn rug die hen aanstaarde. Rhand had de Kracht niet nodig om de open ogen en mond van de jongen te zien, wat heel begrijpelijk was. De jongen liet de staf vallen en schoot op een holletje weg naar de boerderij die er niet was geweest toen Rhand hier nog woonde. Een boerderij met dakpannen. Heel even vroeg Rhand zich af of hij echt wel in Tweewater was. Ja, hij was er, het voelde aan als zijn eigen streek. De geur van de lucht riep: thuis. Al die veranderingen waar Bode en de andere meisjes over hadden verteld – die waren niet echt tot hem doorgedrongen. Er veranderde nooit iets in Tweewater. Zou hij de meisjes laten terugsturen? Terug naar huis? Je hoort uit hun buurt te blijven. De gedachte ergerde hem.

‘Emondsveld is die kant op,’ zei hij. Emondsveld. Perijn. Misschien was Tham er ook, in de Wijnbron met de vader en moeder van Egwene. ‘Hier zou Loial moeten zijn. Ik weet niet of jullie het voor de donkerte kunnen halen. U zou het in de boerderij kunnen navragen. Ik weet zeker dat ze wel een plekje hebben waar u kunt slapen. Vertel ze niets over mij. Vertel niemand hoe u hier bent gekomen.’ De jongen had hem gezien maar zijn verhaal zou als overdrijving worden opgevat, als de Ogier zouden verschijnen.

Haman en Covril schoven de rugzakken goed en keken elkaar aan. Zij zei: ‘We zullen niet zeggen hoe we hier zijn gekomen. De mensen krijgen de verhalen die ze zelf willen maken.’

Haman streek langs zijn baard en schraapte zijn keel. ‘Je moet je niet laten doden.’

Zelfs in de leegte schrok Rhand. ‘Wat?’

‘De weg die nog voor je ligt,’ donderde Haman, ‘is lang, donker en naar ik vrees met bloed bevlekt. Ik vrees ook ten zeerste dat jij ons allemaal over die weg mee zult voeren, maar jij moet blijven leven om het eind van de weg te bereiken.’

‘Dat zal ik,’ antwoordde Rhand kort. ‘Vaarwel.’ Hij probeerde er enige warmte in te leggen, enig gevoel, maar hij wist niet zeker of het hem lukte.

‘Vaarwel,’ zei Haman en de vrouwen herhaalden het, voor het drietal zich naar de boerderij wendde. Zelfs Erith zei het niet alsof ze erin geloofde.

Nog heel even bleef Rhand staan. Mensen waren naar buiten gekomen om de aankomende Ogier te bekijken, maar Rhand staarde naar het noordwesten, niet naar Emondsveld, maar in de richting van de boerderij waar hij was opgegroeid. Toen hij zich omdraaide en een poort naar Caemlin opende, leek het of hij zijn arm er afrukte. Die pijn was een veel passender gedenken aan Liah dan de schram op zijn hand.

22

Op weg naar het zuiden

De vijf stenen maakten vloeiende, draaiende kringen boven Marts hand; een rode, een blauwe, een helder groene en twee met leuke strepen erop. Hij reed verder terwijl hij Pips met zijn knieën stuurde. De speer met de zwarte schacht was onder de zadelriem gestoken, aan de andere kant van zijn boog. De stenen deden hem aan Thom Merrilin denken, die hem geleerd had zo te kaatsen. Hij vroeg zich af of de oude kerel nog in leven was. Waarschijnlijk niet. Rhand had de speelman achter Elayne en Nynaeve aan gestuurd, een hele tijd geleden, zo leek het. Hij werd verondersteld een oogje op hen te houden. Mart kende geen twee vrouwen die dat minder nodig hadden en hij kende er ook geen door wie een man eerder zijn dood zou vinden; ze wilden niet naar rede luisteren. Nynaeve stak haar neus in alles wat een man deed, zei of dacht, terwijl ze de hele tijd aan die bloedvlecht van haar trok. En Elayne, die vervloekte erfdochter, dacht dat ze alles gedaan kon krijgen door haar neus in de lucht te steken. Zij kon je al net zo als Nynaeve vertellen waar het op stond. Elayne was alleen erger, want als haar ijzige hooghartigheid niet werkte, liet ze haar kuiltjesglimlach op je los en verwachtte dan dat iedereen op de knieën zou vallen omdat ze zo knap was. Hij hoopte dat Thom het bij die twee had overleefd. Hij hoopte dat er ook met hen niets gebeurd was, maar hij zou het niet erg vinden als ze eens één keertje op de blaren hadden moeten zitten, nadat ze zich hadden weggehaast, het Licht mocht weten waarheen. Ze mochten nu voelen hoe het was, als hij hen er niet uit kon halen. Ze hadden ook nooit een welgemeend dankwoordje voor hem over. Niet erg veel blaren, hoor, als het vuurtje maar heet genoeg was om hen naar Mart Cauton te laten verlangen, die hen als een wolkop wel weer uit de brand zou helpen.

‘En jij, Mart?’ vroeg Nalesean, die zijn paard dichterbij dreef. ‘Heb jij er ooit over gedacht hoe het zou zijn om een zwaardhand te zijn?’