Maar zeven was niet genoeg, dus vroeg hij aan hen andere namen, waarbij ze niet alleen dienden te denken aan wat hij gezegd had over de vereiste vaardigheden, maar ook aan het feit dat de driedubbele betaling van henzelf in hoge mate afhing van de vaardigheden van de mannen die zij aanwezen. Dat veroorzaakte een hoop nadenkend gekrab en zenuwachtige blikken, maar daarna kwamen ze met nog eens elf namen aan, terwijl ze de hele tijd benadrukten dat ze daarmee helemaal niemand beschuldigden. Elf man, elf zulke goede stropers en paardendieven dat Daerid, Talmanes of Nalesean hen niet eens kenden, maar niet goed genoeg om aan de aandacht van de eerste zeven te ontsnappen. Mart bood hen hetzelfde aan, en vroeg weer naar namen. Tegen de tijd dat er geen namen meer gevonden konden worden, had hij zevenenveertig verkenners. De harde tijden hadden een hoop mensen tot de krijgsdienst gebracht, en het vak dat ze liever hadden willen uitoefenen, laten opgeven.
De allerlaatste die door de drie voorlaatsten was genoemd, heette Chel Vanin. Een Andoraan uit Maerone die een flink eind aan beide kanten van de Erinin had rondgezworven. Vanin kon een fazantenei stelen zonder de hen te storen, hoewel hij die waarschijnlijk daarna ook in de zak zou stoppen. Hij kon een paard zo stelen dat de edelman er pas een paar dagen later achter kwam dat hij het dier niet meer onder zich had. Dat verklaarden tenminste de mannen die hem bewonderend aanbevolen. Met een glimlach waarin wat tanden ontbraken en het onschuldigste gezicht van de wereld had Vanin geprotesteerd en gezegd dat hij een stalknecht was, en soms een hoefsmid, als hij werk kon vinden. Hij was echter bereid verkennerswerk te doen voor vier keer de gewone soldij. Tot dusverre was hij zijn geld meer dan waard geweest.
Vanin hield zijn ruin stil en zag er bezorgd uit. Hij stelde het op prijs dat Mart niet met ‘heer’ aangesproken wenste te worden, aangezien hij het niet prettig vond om voor wie dan ook te buigen, maar hij bracht zijn knokkels naar zijn voorhoofd voor iets dat misschien een groet was. ik geloof dat u dit zelf moet zien. Ik weet niet of ik het begrijp. U moet zelf kijken.’
‘Wacht hier,’ zei Mart tegen de anderen, en toen tegen Vanin. ‘Laat zien.’ Het was een korte rit, over de volgende twee heuvels en omhoog langs een kronkelende stroom met brede oevers van opgedroogde modder. De geur kondigde al aan wat Vanin hem wilde laten zien, nog voor de eerste gieren zich log in de lucht verhieven. De andere klapperden wat met hun vleugels en dansten een paar passen opzij voor ze zich weer neerzetten. Ze schoten met hun kale koppen heen en weer en krijsten uitdagend. Erger nog waren degene die helemaal niet van hun maaltijd opkeken; een dansende troep zwarte, bevlekte veren. Een omgevallen wagen, die eruitzag als een huisje op wielen en felblauw, gifgroen en eigeel was geschilderd, gaf aan dat het om een ketellapperskaravaan ging. Er waren maar weinig wagens aan de brand ontkomen. Overal lagen lichamen in kleurrijke, gescheurde kleren, die donker waren van het opgedroogde bloed; mannen, vrouwen, kinderen. Een deel van Mart nam het tafereel kil op; de rest wilde wegrennen of braken, alles liever dan hier op Pips rug zitten kijken. De eerste aanval had vanuit het westen plaatsgevonden. Daar lagen de meeste mannen en jongens, tussen de resten van een aantal grote honden, alsof zij geprobeerd hadden een gelid te vormen om de moordenaars met hun lichamen tegen te houden, zodat de vrouwen en kinderen konden vluchten. Een vergeefse vlucht. De lijkenhopen toonden waar ze regelrecht op een tweede golf aanvallers waren gestuit. Alleen de gieren bewogen nog.
Vanin spoog met afkeer door een gat tussen zijn tanden. ‘Je jaagt ze weg als ze te veel jatten – ze jatten ook kinderen als je niet goed uitkijkt, en voeden ze dan op als hun eigen kinderen – en misschien geef je ze een schop om ze spoed aan te manen, maar dit doe je niet. Wie doet zoiets?’
‘Ik weet het niet. Struikrovers.’ De paarden waren weg, allemaal. Maar struikrovers waren op stelen uit, niet op moorden, en geen ketellapper zou tegenstand bieden, al stal je zijn laatste penner en zijn jas op de koop toe. Mart dwong zijn handen de teugels niet meer zo krampachtig vast te houden. Waar hij ook keek, zag hij een dode vrouw of een dood kind. Wie dit gedaan had, had geen overlevenden gewild. Hij reed langzaam rond de plek en probeerde de gieren te negeren, die sisten en met hun vleugels naar hem sloegen. De grond was te droog om sporen goed vast te kunnen houden, hoewel hij dacht dat de paarden in verschillende richtingen waren vertrokken. Hij kwam terug bij Vanin. ‘Je had dit kunnen vertellen. Ik hoefde dit niet te zien.’ Licht, dat hoefde ik helemaal niet!
‘Ik had kunnen zeggen dat er geen goede sporen waren,’ zei Vanin. Hij keerde zijn paard en waadde door de ondiepe stroom. ‘Misschien moet u dit zien.’
Het vuur had het grootste deel van de omgetrokken wagen vernield, maar het onderstel op gele wielen met rode spaken was er nog. Er lag een man tegenaan in een jas, die nog steeds iets van oogverblindend blauw toonde. Een gestrekte arm toonde een hand die zwart was van het bloed. Wat hij in beverige letters had geschreven stak donker af tegen de houten bodem: vertel de herrezen draak
Hem wat vertellen? dacht Man. Dat iemand een hele wagenstoet ketellappers had afgeslacht? Of was de man gestorven voor hij de zin had kunnen afmaken? Het zou niet de eerste keer zijn dat ketellappers op belangrijke inlichtingen waren gestuit. Als dit een verhaal geweest was, zou hij nét lang genoeg geleefd hebben om de beslissende woorden voor de overwinning neer te krabbelen. Nou, wat de boodschap ook was, niemand zou ooit de rest van de woorden weten. ‘Je had gelijk, Vanin.’ Mart aarzelde. Vertel de Herrezen Draak wat? Het had geen zin om nog meer geruchten aan de bestaande toe te voegen. ‘Zorg ervoor dat de rest van deze wagen ook verbrandt voor je weggaat. En als iemand iets vraagt, was hier niets anders dan een hoop dode mannen.’ En vrouwen, en kinderen.
Vanin knikte. ‘Smerige wilden,’ gromde hij, en hij spuwde weer door zijn tanden, ’t Kan een stel van hen zijn geweest, neem ik aan.’ De groep Aiel, drie- of vierhonderd, had hen ingehaald. Ze draafden de helling af en staken vijftig pas verderop de stroom over. Een aantal stak als groet de hand op. Mart herkende hen niet, maar veel Aiel hadden gehoord van Rhand Altors vriend. De man die de hoed droeg en met wie je beter niet kon dobbelen. De stroom over en de volgende helling op. Al die lichamen hadden daar net zo goed niet kunnen liggen.
Vervloekte Aiel, dacht Mart. Hij wist dat de Aiel ketellappers meden of negeerden, maar niet waarom, maar dit... ‘Dat geloof ik niet,’ zei hij. ‘Zorg dat hij in de fik gaat, Vanin.’
Talmanes en de andere twee waren uiteraard nog waar hij hen had achtergelaten. Toen Mart vertelde wat er voor hen lag en dat er doodgravers nodig waren, knikten ze grimmig. Daerid mompelde ongelovig: ‘Ketellappers?’
‘We slaan hier ons kamp op,’ zei Man.
Er was nog genoeg licht om een paar span verder te rijden, en deze drie waren zo geestdriftig over hoe snel de Bond in een dag kon trekken dat ze bijna weddenschappen sloten, dus verwachtte hij bezwaren, maar Nalesean zei slechts: ik stuur een man om de schepen te waarschuwen, voordat ze te ver doorvaren.’
Misschien voelden ze zich zoals hij. Tenzij ze helemaal naar de rivier toe trokken, moesten hun zeker die gieren opvallen, die zich in de lucht zouden verspreiden als de doodgravers aan het werk gingen. Dat een man al eerder de dood had ontmoet, hield niet in dat hij ervan hoefde te genieten. Zelf dacht Mart dat hij zijn maag leeg zou spugen, als hij nog eenmaal die vogels zag. Morgenochtend zouden er alleen graven zijn, veilig uit het gezicht.
Maar de herinnering verdween niet, zelfs niet toen zijn tent was neergezet op diezelfde heuveltop om iets van een briesje over de rivier op te vangen als er eentje zou opsteken. Lichamen die door moordenaars aan stukken waren gehakt, door gieren waren verscheurd. Nog erger dan de slag om Cairhien tegen de Shaido’s. Daar waren Speervrouwen gesneuveld, maar hij had er niet een gezien, en er waren geen kinderen geweest. Een ketellapper zou nooit vechten, zelfs niet om zijn leven te verdedigen. Niemand vermoordde het Trekkende Volk. Hij pikte wat in zijn vlees en bonen, en trok zich terug in zijn tent zodra het kon. Zelfs Nalesean wilde niet praten, en Talmanes zag er meer gespannen uit dan ooit.