Выбрать главу

Talmanes’ loshangende witte hemd glinsterde donker op twee plaatsen. ‘Het ziet ernaar uit,’ hijgde hij, ‘dat Nerim het weer als naaister mag proberen, met die rottige dikke hamhanden van hem.’ Nerim was zijn lijfknecht en lapte zijn meester even vaak op als diens kleren. ‘Redt hij het?’ vroeg Mart zacht.

Daerid haalde de schouders op. Hij had alleen zijn broek aan. ‘Hij bloedt minder dan jij.’ Hij keek op. Hij had een nieuw litteken bij de verzameling op zijn gezicht gevoegd. ‘Het is wel zo goed dat je hen uit handen bent gebleven, Mart. Het is duidelijk dat ze achter jou aan zaten.’

‘Maar goed dat het hun niet is gelukt.’ Kreunend worstelde Talmanes zich overeind, met een arm over Daerids schouder. ‘Het zou een schande zijn om het geluk van de Bond te verspelen aan een handvol wilden in de nacht.’

Mart schraapte zijn keel. ‘Dat lijkt mij ook.’ Het beeld van de Aiel die in zijn tent verdwenen, kwam weer in zijn geest op en hij huiverde. Waarom zouden Aiel hem in Lichtsnaam willen doden? Nalesean kwam van de plek waar de dode Aiel in een rij waren neergelegd. Zelfs nu had hij zijn jas nog aan, zij het niet dichtgeknoopt. Hij bleef boos naar een bloedvlek op de omslag kijken, misschien zijn bloed, misschien ook niet. ‘Drakenvuur, ik wist dat die wilden zich vroeg of laat tegen ons zouden keren. Ik neem aan dat ze van dat stel kwamen dat ons eerder voorbijging.’

‘Ik betwijfel het,’ zei Mart. ‘Als die mij hadden gewild, hadden ze me aan het spit geregen en klaargemaakt voor het avondeten voor iemand van jullie het geweten had.’ Hij hinkte naar de Aiel en onderzocht hen met een lantaarn die iemand had meegenomen om aan het maanlicht toe te voegen. Zijn knieën knikten bijna van opluchting toen hij zag dat het mannengezichten waren. Hij herkende er geen, maar ja, zoveel Aiel kende hij ook niet. ‘Shaido’s, denk ik,’ zei hij toen hij met de lantaarn bij de anderen terugkwam. Het konden Shaido’s zijn. Het konden Duistervrienden zijn; hij wist maar al te goed dat er Duistervrienden onder de Aiel waren. En die hadden uiteraard alle reden om hem dood te willen.

‘Ik geloof,’ zei Daerid, ‘dat we morgen een van die Aes Sedai aan de andere kant van de rivier moeten zien te vinden. Talmanes zal het wel overleven, tenzij alle brandewijn uit hem is gelekt, maar een paar anderen zijn misschien niet zo gelukkig.’ Nalesean zei niets, maar zijn gegrom sprak boekdelen; hij was per slot van rekening een Tyrener en had nog minder genegenheid voor Aes Sedai dan Mart. Mart stemde er zonder aarzeling mee in. Zelf zou hij geen enkele Aes Sedai-geleiding op hem laten gebruiken. In zekere zin was elk litteken voor hem een kleine overwinning omdat hij weer een Aes Sedai had vermeden. Hij kon een man echter niet vragen om dood te gaan. Toen zei hij wat hij verder wilde. ‘Een greppel?’ zei Talmanes ongelovig.

‘Om het hele kamp?’ Naleseans puntbaardje trilde. ‘Elke nacht?’

‘En een omheining?’ riep Daerid uit. Hij keek schichtig om zich heen en dempte zijn stem. Er was nog steeds een stel krijgslieden bezig de doden weg te slepen. ‘Daar komt muiterij van, Mart.’

‘Helemaal niet,’ zei Mart. ‘Tegen de ochtend zal iedereen tot de laatste man weten dat er Aiel dwars door het kamp geslopen zijn om mijn tent te bereiken. De helft zal niet meer slapen, omdat ze denken dat ze dan wakker zullen worden met een Aielspeer tussen hun ribben. Jullie drie moeten ervoor zorgen dat ze goed begrijpen dat door zo’n omheining een Aiel niet zomaar naar binnen kan sluipen.’ Het zou hen op zijn minst vertragen. ‘Nou, ga weg en gun me vannacht nog een beetje slaap.’

Na hun vertrek onderzocht hij zijn tent. Lange sneden in het doek gaven aan waar de Aiel naar binnen gedrongen waren. De repen bewogen in het zwakke briesje. Hij zuchtte en maakte aanstalten om weer terug te gaan naar zijn deken tussen het struikgewas, maar toen aarzelde hij. Dat geluid dat hem gewaarschuwd had. De Aiel hadden geen enkel geluid gemaakt, nog geen zuchtje. Een schaduw maakte evenveel rumoer als een Aiel. Dus wat was het geweest?

Leunend op zijn speer strompelde hij om de tent heen en onderzocht de grond. Hij wist eigenlijk niet waar hij naar zocht. De zachte Aiel-laarzen hadden geen sporen achtergelaten die hij bij lantaarnlicht kon ontwaren. Twee tentlijnen hingen slap omlaag waar ze waren doorgesneden, maar... Hij zette de lantaarn neer en voelde aan de einden. Het geluid had kunnen komen van het doorsnijden van gespannen tentlijnen. Maar om binnen te komen hoef je die helemaal niet door te snijden. Iets aan de hoek van de sneden, aan de manier waarop ze naast elkaar liepen, viel hem op. Hij nam de lantaarn op en zocht om zich heen. Een taaie struik, die niet ver weg stond, was aan één kant afgesneden. Er lagen dunne takken met kleine bladeren op de grond. Het bosje was keurig afgesneden, volmaakt recht. De uiteinden van de takken waren zo glad alsof ze waren afgeschaafd door een meubelmaker. Marts nekharen stonden recht overeind. Hier was zo’n gat in de lucht geopend dat Rhand ook gebruikte. Het was al erg genoeg dat Aiel hem probeerden te doden, maar ze waren gestuurd door iemand die zo’n... doorgang kon maken, zoals Rhand het noemde. Licht, als hij niet veilig was voor de Verzakers met de hele Bond om hem heen, waar was hij het dan wél? Hij vroeg zich af hoe hij voortaan zou kunnen slapen. Waakvuren om zijn tent met schildwachten. Hij kon het een erewacht noemen, om het voor de mannen die rond zijn tent moesten staan minder vervelend te laten klinken. De volgende keer konden het wel honderd Trolloks zijn, of duizend, in plaats van een handvol Aiel. Was hij daarvoor wel belangrijk genoeg? Als ze besloten hadden dat hij te belangrijk was, kon het de volgende keer een Verzaker zelf zijn. Bloed en as! Hij had er nooit om gevraagd een ta’veren te zijn, nooit gevraagd om verbonden te zijn met die rottige Herrezen Draak. ‘Drakenbloedvuur...!’

Knarsend zand onder een zool waarschuwde hem en met een vloek draaide hij zich met uitgestoken speer razendsnel om. Hij kon maar net op tijd het omlaagsuizende speerblad tot stilstand brengen, toen Olver gilde en plat op zijn rug viel en met grote ogen naar de speerpunt staarde.

‘Bloed en Doemkrocht, wat doe jij hier?’ snauwde Mart. ‘Ik... ik...’ De jongen hield op en slikte. ‘Ze zeiden dat vijftig Aiel u in uw slaap wilden doden, heer Mart, maar dat u ze eerst hebt gedood, en ik wilde zien of u niet gewond was, en... Heer Edorion heeft een paar schoenen voor me gekocht. Kijk maar.’ Hij tilde een voet op. Mart bromde wat en trok Olver overeind. ‘Dat bedoelde ik niet. Waarom zit jij niet in Maerone? Kon Edorion geen verzorgster vinden?’

‘Ze wilde alleen maar heer Edorions penners, niet mij. Ze had zes kinderen van haarzelf. Baas Burdin geeft me een hoop te eten en ik hoef alleen maar zijn paarden eten en water te geven en ze af te wrijven. Dat doe ik graag, heer Mart. Maar ik mag er niet op rijden.’ Iemand schraapte zijn keel. ‘Heer Talmanes heeft me gestuurd, heer.’

Nerim was klein, zelfs voor een Cairhiener. Hij was mager, met grijs haar en een lang, smal gezicht dat leek te zeggen dat er nu niets goed ging, maar dit uiteindelijk een van de betere dagen zou blijken te zijn. ‘Vergeef me als ik het zeg, heer, maar die bloedvlekken in uw onderkleding zullen er nooit meer uitgaan. Als mijn heer het wil toestaan, ben ik misschien in staat iets te doen aan de sneden in hemzelf.’ Onder zijn arm had hij zijn naaidoos. ‘Jongen, haal wat water. Geen gemaar. Water voor mijn heer, en snel.’ Nerim boog en pikte in een beweging de lantaarn op. ‘Als mijn heer zo goed wil zijn naar binnen te gaan. Nachtlucht is slecht voor wonden.’

In minder dan geen tijd lag Mart uitgestrekt naast zijn beddengoed – ‘Mijn heer zal zijn dekens niet willen bevlekken’ – en liet Nerim zijn wonden uitwassen en dichtnaaien. Talmanes had gelijk; als naaister was de man net een kok met te grote handen. Met Olver erbij zat er niets anders op dan zijn kiezen op elkaar te klemmen en het te verdragen.

Om ergens anders aan te denken dan aan Nerims naald, wees Mart naar de ransel van gerafelde stof over Olvers schouder. ‘Wat heb je daar?’ hijgde hij.