Olver hield de versleten ransel tegen zijn borst geklemd. Hij was beslist beter gewassen, maar zag er niet minder lelijk uit. De schoenen leken sterk en zijn wollen hemd en broek waren nieuw. ‘Het is van mij,’ zei hij verdedigend, ik heb niks gejat.’ Na een tijdje deed hij de zak open en stalde de dingen uit. Hij zei niets over de tweede broek, nog twee hemden en wat kousen, maar de rest noemde hij op. ‘Dit is mijn roodhaviksveer, heer Mart, en deze steen heeft net de kleur van de zon. Ziet u?’ Hij legde er een kleine beurs naast. ‘Ik heb vijf koperstukken en een zilveren penner.’ Een opgerold en dichtgebonden stuk stof, en een kleine houten doos. ‘Mijn slangen-en-vossenspel; heeft m’n vader gemaakt. Hij heeft het spelbord uitgesneden.’ Even betrok zijn gezicht, maar hij vertelde verder. ‘En kijk, in deze steen zit een vissenkop. Geen idee hoe die daar gekomen is. En dit is m’n schildpadschild. Een blauwrugschildpad. Ziet u de strepen?’ Mart kromp ineen door een heel felle naaldsteek. Hij stak zijn hand uit en voelde aan de opgerolde bundel. Het ging een stuk beter als hij door zijn neus ademde. Het was vreemd hoe die gaten in zijn echte herinneringen werkten; hij kon zich herinneren hoe je slangen-en-vossen speelde, maar niet dat hij het ooit gespeeld had. ‘Dat is een mooi schild, Olver. Ik heb er ook een gehad. Een groene koester.’ Hij pakte zijn eigen beurs en peuterde er twee Cairhiense goudkronen uit. ‘Doe deze in je beurs, Olver. Een man hoort wat goud op zak te hebben.’ Olver begon stijfjes zijn spullen weer in zijn ransel te stoppen, ik bedel niet, heer Mart. Ik kan werken voor mijn brood. Ik ben geen bedelaar.’
‘Dat bedoel ik helemaal niet.’ Mart zocht haastig naar een reden om de jongen twee kronen te betalen, ik... ik heb iemand nodig die berichten voor me kan wegbrengen. Ik kan niemand van de Bond vragen; die hebben het allemaal te druk met soldaatje te spelen. Je moet dan natuurlijk voor je eigen paard zorgen. Ik kan niet iemand vragen dat voor je te doen.’
Olver zat recht overeind. ‘Kan ik een eigen paard krijgen?’ zei hij ongelovig.
‘Natuurlijk. Er is nog iets. Ik heet Mart. Noem me nog één keer héér Mart en ik leg een knoop in je neus.’ Toen schoot hij brullend half overeind. ‘Drakenbloed, Nerim, dat is een been, niet een vervloekt stuk rundvlees!’
‘Zoals mijn heer zegt,’ murmelde Nerim. ‘Het been van mijn heer is geen stuk vlees. Dank u, heer, dat u me wijzer heeft gemaakt.’ Olver betastte aarzelend zijn neus, alsof hij overdacht hoe je daar een knoop in kon leggen.
Mart liet zich kreunend weer zakken. Nu had hij zichzelf met een jongen opgezadeld, en hij had het joch er niet mee geholpen – niet als hij in de buurt was als de Verzakers weer zouden proberen het aantal ta’veren in de wereld te doen verminderen. Nou ja, als Rhands plan werkte, zou er een Verzaker minder zijn. Als Mart Cauton het voor het zeggen had, zou hij ervoor zorgen om uit de moeilijkheden en het gevaar te blijven tot er helemaal geen Verzakers meer waren.
23
Een boodschap begrijpen
Graendal slaagde erin niet te staren toen ze de kamer betrad, maar haar strelen gewaad werd een doods zwart, voordat ze zichzelf beheerste en het weer in een blauwe mist veranderde. Sammael had genoeg gedaan om iedereen eraan te laten twijfelen dat deze kamer in de Grote Raadszaal in Illian lag. Maar ze zou dan ook zeer verbaasd zijn geweest als er iemand anders dan hijzelf ongenood zo ver wist door te dringen in de verblijven van ‘heer Brend’.
De lucht was aangenaam koel; in een hoek rees de holle staf van een wisselaar op. Gloeibollen in zware gouden kandelaars straalden zonder te trillen, wat enigszins merkwaardig aandeed. Ze verspreidden een veel beter licht dan kaarsen of olielampen ooit konden geven. Op de marmeren schoorsteenmantel stond een speeldoosje dat uit zijn geheugen de zachte klanken van een geluidsbeeld voortbracht dat behalve in deze kamer naar alle waarschijnlijkheid in zo’n drieduizend jaar niet meer gehoord was. Ze herkende een paar van de kunstwerken aan de muur.
Ze bleef staan bij Ceran Tols De maat van de eeuwigheid. Het was geen namaak. ‘Je zou bijna denken dat je een museum hebt beroofd, Sammael.’ Het was moeilijk om de naijver uit haar stem te houden, en toen ze zijn dunne glimlach zag, wist ze dat ze daar niet in geslaagd was.
Hij vulde twee roemers van gedreven zilver met wijn en gaf haar er een. ‘Slechts een stasiskist. Ik neem aan dat de mensen in die laatste dagen trachtten te redden wat er te redden viel.’ Zijn glimlach vertrok dat afschuwelijke litteken in zijn gezicht, terwijl hij tevreden rondkeek. Zijn blik rustte met bijzondere voorliefde op het zara-speelbord dat zijn veld van nog steeds doorzichtige doosvormen in de lucht afbeeldde; hij had altijd een voorkeur voor de meer gewelddadige spelen gehad. Een zara-bord betekende natuurlijk dat zijn stasiskist gevuld was door iemand die de Grote Heer volgde. Het bezit van slechts een enkel speelstuk van menselijke herkomst, zou aan de andere kant op zijn minst gevangenschap hebben betekend. Wat had hij nog meer gevonden?
Ze nipte van haar wijn en onderdrukte een zucht; hij was van hier en nu. Ze had gehoopt op een verfijnde Satare of op een uitnemende Comolades. Ze streek met beringde vingers over haar gewaad en zei: ik heb er ook een gevonden, maar behalve de streel bevatte het alleen maar een afschuwelijke verzameling onbruikbare rommel.’ Nu hij haar hier had uitgenodigd en dit liet zien, was het tijd voor vertrouwelijkheden. Kleine vertrouwelijkheden.
‘Wat naar voor je.’ Opnieuw die dunne glimlach. Hij had meer gevonden dan speeldingetjes en aardigheidjes. ‘Aan de andere kant moet je ook bedenken,’ ging hij door, ‘hoe erg het geweest zou zijn als je een stasiskist had geopend en een nest cafars of een jumara had verstoord, of een van Aginors andere kleine schepseltjes. Wist je dat jumara’s in de Verwording loslopen? Geheel volwassen, hoewel ze nu nooit meer veranderen. Ze noemen hen Wormen.’ Hij schudde van het lachen. Graendal glimlachte behoorlijk veel warmer dan ze zich vanbinnen voelde. Als haar gewaad van kleur veranderde was het maar heel weinig. Ze had een onplezierige, in feite bijna fatale ervaring met een van Aginors schepsels gehad. De man was op zijn manier geweldig geweest, maar ook krankzinnig. Alleen een krankzinnige zou de gholam hebben gemaakt. ‘Je schijnt een goede bui te hebben.’
‘Waarom niet?’ zei hij opgeruimd, ik heb bijna een verborgen verzameling angrealen in handen, en wie weet wat nog meer. Kijk niet zo verbaasd. Natuurlijk wist ik dat jullie hebben geprobeerd stiekem mee te kijken, in de hoop dat ik jullie ernaartoe zou leiden. Nou, dat helpt je niets. O, ik zal delen, maar pas als ik het in handen heb, en nadat ik de eerste keuze heb gemaakt.’ Hij lag lui breeduit in een zwaar vergulde stoel – misschien was die wel van massief goud; dat zou net iets voor hem zijn -, hield een laars op de neus van de andere in evenwicht en streek over zijn goudblonde baard. ‘Bovendien heb ik een gezant naar Altor gestuurd. En het antwoord was gunstig.’ Graendal morste bijna haar wijn. ‘Was dat zo? Ik heb gehoord dat hij jouw boodschapper heeft gedood.’ Als hij geschokt was doordat ze dat wist, hield hij het verborgen. Hij glimlachte zelfs. ‘Altor heeft niemand gedood. Andris ging erheen om te sterven; dacht je dat ik op boodschappers wilde wachten? Of duiven? Zijn manier van sterven gaf mij Altors antwoord.’
‘En dat was?’ vroeg ze voorzichtig. ‘Een wapenstilstand tussen ons.’
IJsvingers leken in haar hoofdhuid te duwen. Het kon niet waar zijn. Maar hij zag er meer op zijn gemak uit dan ze hem ooit na het ontwaken gezien had. ‘Lews Therin zou nooit...’
‘Lews Therin is al heel lang dood, Graendal!’ Hij onderbrak haar vermaakt, spottend zelfs. Helemaal niet kwaad.
Ze verborg een diepe zucht door net te doen of ze een slok nam. Kon het waar zijn? ‘Zijn leger verzamelt zich nog steeds in Tyr. Ik heb het gezien. Dat lijkt me nauwelijks te duiden op een wapenstilstand.’ Sammael lachte luid. ‘Het kost tijd om een leger van richting te doen veranderen. Geloof me, het zal nimmer tegen mij optrekken.’