‘Geloof je dat? Een of twee vriendjes vertellen me dat hij je wil doden, omdat je een paar van zijn lievelingetjes, die Speervrouwen, hebt vermoord. Als ik jou was, zou ik aan een ietwat minder opvallende plaats denken, iets waar hij je niet vindt.’ Hij knipperde niet eens met zijn ogen. Het leek alsof alle draden die hem gewoonlijk deden bewegen, doorgesneden waren.
‘Het maakt toch niets uit als er een paar Speervrouwen sneuvelen?’ Zijn gezicht stond werkelijk verrast. ‘Het was een veldslag; soldaten sneuvelen in een veldslag. Altor mag dan een boer zijn, maar hij heeft generaals die zijn veldslagen voeren en alles uitleggen. Volgens mij heeft hij die paar doden niet eens opgemerkt.’
‘Je hebt nooit goed naar die mensen gekeken. Ze zijn al net zo sterk veranderd als het land, Sammael. Niet alleen de Aiel. Op een bepaalde manier is de rest nog sterker veranderd. Die krijgslieden waren vrouwen, en dat maakt voor Rhand Altor verschil.’ Hij haalde achteloos de schouders op en zij onderdrukte een trek van minachting en hield haar streel rustig, in een stille nevel. Hij had nooit begrepen dat je mensen moest doorgronden als je wilde dat ze deden wat je wenste. Het gebruik van wilsdwang was allemaal goed en wel, maar je kon geen wilsdwang op een hele wereld gebruiken. Ze vroeg zich af of de stasiskist die verborgen verzameling bevatte die hij ‘bijna in handen had’. Zelfs met één angreaal... Als hij die had, zou ze het merken, maar pas als hij het toestond. ‘Ik veronderstel dat we wel zullen zien hoeveel verstandiger de barbaarse Lews Therin is geworden.’ Ze trok een twijfelende wenkbrauw op en wist een glimlach op te brengen. Geen reactie. Waar had hij de teugel voor zijn buien gevonden? Lews Therins naam was al genoeg om hem los te laten barsten. ‘Als hij er niet in slaagt om je uit Illian te jagen als een cosa die een boom in vlucht, zal hij misschien...’
‘Dat wachten kan te lang duren,’ onderbrak hij haar gladjes. ‘Althans, voor jou.’
‘Is dat bedoeld als dreigement, Sammael?’ Haar gewaad ging over in lichtroze, maar ze liet het zo. Hij mocht zien dat ze boos was. ik dacht dat je lang geleden al geleerd had dat het een vergissing is om mij te bedreigen.’
‘Geen dreigement, Graendal,’ zei hij kalm. Al zijn drukpunten waren gevoelloos; niets scheen die vermaakte koelheid te verstoren. ‘Slechts de feiten. Altor valt mij niet aan en ik val hem niet aan. En natuurlijk heb ik erin toegestemd om een andere Uitverkorene niet te helpen als Altor ze mocht vinden. Geheel in lijn met de bevelen van de Grote Heer, denk je niet?’
‘Natuurlijk.’ Ze hield haar gezicht in de plooi, maar de streel werd donkerroze en verloor iets van zijn neveligheid. Voor een deel gaf de kleur nog steeds boosheid aan. Hier zat meer achter, maar hoe kon ze uitvinden wat?
‘Wat betekent,’ ging hij door, ‘dat ik op de Dag van de Wederkeer als enige tegenover Altor zal staan.’
‘Ik betwijfel het of hij erin zal slagen ons allemaal te doden,’ zei ze bijtend, maar ook haar maagzuur speelde op. Te veel Uitverkorenen waren gestorven. Sammael had een manier gevonden om tot het laatste ogenblik afzijdig te blijven; dat was de enige verklaring. ‘Denk je van niet? Zelfs niet als hij te weten komt waar jullie allemaal zitten?’ Zijn glimlach werd breder, ik weet zeker op welke plannen Demandred zit te broeden, maar waar verbergt hij zich? Waar is Semirhage? Mesaana? En Asmodean en Lanfir? Moghedien?’ Die kille vingers kwamen terug en boorden zich in haar schedel. Hij zou hier niet zo breeduit liggen en op die manier praten – hij zou niet durven opperen wat hij opperde – tenzij... ‘Asmodean en Lanfir zijn dood, en ik ben er zeker van dat Moghedien dat ook is.’ Ze hoorde verrast dat haar eigen stem hees en onzeker klonk. ‘En de anderen?’ Het was maar een vraag; zijn stem drong helemaal niet aan. Het veroorzaakte een huivering, ik heb je verteld wat ik weet, Sammael.’
‘En dat is niets. Als ik Nae’blis ben, zal ik kiezen wie er onmiddellijk onder mij zal staan. Die persoon zal nog in leven moeten zijn om de hand van de Grote Heer te voelen.’
‘Probeer je me te vertellen dat je naar Shayol Ghul geweest bent? Dat de Grote Heer jou beloofd heeft...?
‘Je zult alles weten als de tijd gekomen is, en niet eerder. Toch, een kleine raadgeving, Graendal. Bereid je nu voor. Waar zijn ze?’ Haar geest werkte koortsachtig. Het moest hem zijn beloofd. Dat moest wel. Maar waarom hij? Nee, er was geen tijd voor bespiegelingen. De Grote Heer verkoos zoals hij wenste. En Sammael wist in ieder geval waar zij huisde. Ze kon Arad Doman ontvluchten, zich elders vestigen; het zou niet moeilijk zijn. Het zou maar een klein verlies zijn om haar spelletjes daar op te geven, of haar grootsere plannen te laten varen. Beter dan de mogelijkheid dat Altor – of Lews Therin – achter haar aan kwam. Ze was niet van plan hem rechtstreeks uit te dagen. Als Ishamael en Rahvin door hem waren gevallen, wilde ze zijn kracht niet op de proef stellen, niet rechtstreeks. Sammael móést die belofte hebben gekregen. Als hij nu zou sterven... Hij hield beslist saidin vast – het was anders krankzinnig om al die dingen te zeggen – en hij zou het onmiddellijk voelen als ze saidar omhelsde. Zij zou degene zijn die zou sterven. Hij moest die belofte gekregen hebben. ‘Ik... weet niet waar Demandred en Semirhage zijn. Mesaana... Mesaana is in de Witte Toren. Dat is alles wat ik weet. Ik zweer het.’ Toen hij knikte, viel de beklemming rond haar borst weg. ‘Je zult de anderen voor me vinden.’ Het was geen vraag. ‘Allemaal, Graendal. Als je me ervan wilt overtuigen dat er een dood is, laat me dan een lichaam zien.’
Ze wenste vurig dat ze de durf had hem in een lijk te veranderen. Felle rode tinten vergleden over haar gewaad en weerspiegelden de angst, de vrees en de schaamte die onbeheerst door haar heen golfden. Goed, hij mocht denken dat hij haar op dit moment angst had aangejaagd. Hij mocht Mesaana aan Rhand Altor geven, mocht hen allemaal aan Altor geven zolang dat Altor weghield van haar keel. ‘Ik zal het proberen.’
‘Doe meer dan dat, Graendal. Meer dan dat.’
Na Graendals vertrek, toen de poort naar haar paleis in Arad Doman gesloten was, liet Sammael de glimlach van zijn gezicht glijden. Zijn kaken deden er pijn van. Graendal dacht te veel na; ze was het zo gewend dat anderen dingen voor haar afhandelden dat ze er niet eens aan dacht iets zelf te doen. Hij vroeg zich af wat ze zou zeggen als ze er ooit achter zou komen dat hij haar even handig had bewerkt als zij vroeger met al die dwazen had gedaan. Hij wilde er alles om verwedden dat ze zijn werkelijke doel nimmer had gezien. Zo, dus Mesaana was in de Witte Toren. Mesaana in de Toren en Graendal in Arad Doman. Als Graendal nu zijn gezicht had kunnen zien, zou ze werkelijk vrees gekend hebben. Wat er ook zou gebeuren, Sammael was vast van plan om degene te zijn die op de Dag van de Wederkeer nog steeds overeind stond, om Nae’blis genoemd te worden en de Herrezen Draak te verslaan.
24
Een gezantschap
Egwene wendde zich af van de muzikanten op de straathoek: een zwetende vrouw die op een lange fluit blies en een rood aangelopen man die aan een negensnarige hanou plukte. Ze baande zich opgewekt een weg tussen de menigte. De zon van gesmolten goud stond hoog aan de hemel en de straatstenen waren zo heet dat ze door de zolen van haar zachte laarzen brandden. Het zweet drupte van haar neus en haar omslagdoek voelde aan als een dikke deken, zelfs al lag hij losjes over haar ellebogen. Bovendien hing overal zoveel stof dat ze zich opnieuw wilde wassen. Ondanks dit alles glimlachte ze. Sommige mensen namen haar achterdochtig op, wanneer ze meenden dat ze niet keek, waardoor ze bijna hardop moest lachen. Op die manier keken ze naar de Aiel. Mensen zagen wat ze verwachtten te zien en ze zagen een vrouw in Aielkleren; geen enkele keer vielen haar ogen of haar lengte op.
Straatventers en marskramers verkondigden hoe geweldig hun koopwaar was en overschreeuwden elkaar. Beenhouwers en kaarsenmakers riepen boven het gekletter en gerinkel uit van de zilversmeden en pottenbakkers en het gepiep van droge assen. Vloekende voerlui en mannen naast ossenkarren streden om een stukje straat met zwartgelakte draagstoelen en sobere koetsen met Huiswapens op het portier. Overal speelden muzikanten, overal waren tuimelaars en goochelaars. Een groepje bleke vrouwen in rijkleding die zwaarden droegen, zwaaide voorbij en deed mannen na zoals die zich volgens hen gedroegen. Ze lachten te rauw en baanden zich een weg op een manier die een echte man binnen honderd stappen al zou verwikkelen in zo’n tien gevechten. Een moker schalde op een aambeeld. Overal klonk geroezemoes en was het gezoem van drukte hoorbaar; het geluid van een stad, dat ze onder de Aiel al bijna vergeten was. Misschien had ze het gemist. Toen lachte ze echt hardop, midden op straat. De eerste keer dat ze het lawaai van een stad had gehoord, was ze stomverbaasd geweest. Soms leek het of dat meisje met die grote ogen iemand anders was geweest.