Een vrouw die haar vosmerrie door de menigte stuurde, draaide zich nieuwsgierig om. Het paard droeg kleine zilveren belletjes in de lange manen en staart, en de vrouw had eveneens belletjes in haar zwarte haren die tot halverwege de rug vielen. Ze was knap en niet veel ouder dan Egwene, maar haar gezicht toonde harde trekken en scherpe ogen, terwijl er niet minder dan zes messen aan haar riem hingen, waarvan er een bijna zo lang was als een Aielmes. Ongetwijfeld een Jager naar de Hoorn.
Een lange knappe man in een groene jas, met twee zwaarden op zijn rug, keek de vrouw na. Hij was er waarschijnlijk ook een. Ze leken overal te zijn. Toen de menigte de vrouw op de vos opslokte, draaide de man zich om en zag Egwene naar hem kijken. Opeens belangstellend glimlachend maakte hij zijn vierkante schouders nog breder en wilde naar haar toelopen.
Vlug zette Egwene haar koelste gezicht op en bootste de strengheid van Sorilea na, met die van Siuan Sanche als ze de stola van Amyrlin Zetel om de schouders had hangen.
Hij bleef staan en keek verbaasd. Terwijl hij zich omdraaide, hoorde ze hem duidelijk grommen: ‘Vervloekte Aiel.’ Ze moest opnieuw lachen. Dat moest hij ondanks de herrie hebben opgevangen, want hij verstijfde en schudde zijn hoofd. Hij keek echter niet meer om. Ze had twee redenen voor haar goede bui. De eerste was dat de Wijzen het eindelijk met elkaar eens waren dat een wandeling in de stad een even goede oefening was als het lopen om de stadswallen. Vooral Sorilea leek niet te begrijpen waarom ze één tel onder die massa’s natlanders wilde doorbrengen, ook al omdat de stad leek uit te puilen. De voornaamste reden dat ze zich goed voelde was hun mededeling dat ze nu de raadselachtige hoofdpijn verdwenen was — ze had het niet geheel kunnen verzwijgen – spoedig naar Tel’aran’rhiod kon terugkeren. Niet op tijd voor de bijeenkomst over drie nachten, maar wel voor die erna.
Dat was in meerdere opzichten een opluchting. Het maakte een eind aan het stiekem betreden van de Dromenwereld. Een eind ook aan het zelf moeizaam uitwerken en bedenken van alles. Een eind aan de verschrikkelijke angst dat de Wijzen haar zouden betrappen en zouden weigeren haar nog meer bij te brengen. Een eind aan de noodzaak tot liegen. Het was nodig – ze kon zich niet veroorloven tijd te verspillen; er viel zoveel te leren en ze mocht niet aannemen dat ze voldoende tijd voor leren zou krijgen – maar dat zouden de Wijzen nooit begrijpen. Overal liepen Aiel in de menigte rond, zowel in de cadin’sor als in het wit van de gai’shain. De gai’shain gingen naar waar ze heen werden gestuurd, maar de anderen konden net zo goed voor het eerst binnen de stadsmuren zijn en heel wel mogelijk ook voor het laatst. De Aiel leken niet echt van steden te houden, hoewel er zes dagen geleden heel wat naar het ophangen van Mangin waren komen kijken. Men had verteld dat hij zelf de lus rond zijn nek had gelegd en ook nog een Aiel-grap maakte: wat zou het eerst breken, het touw of zijn nek? Ze had verschillende Aiel de grap horen herhalen, maar geen enkele opmerking over het ophangen gehoord. Rhand had Mangin gemogen, dat wist ze zeker. Berelain had de Wijzen over het vonnis ingelicht alsof ze meedeelde dat de was de volgende dag klaar zou liggen, en de Wijzen hadden het op dezelfde manier aangehoord. Egwene dacht niet de Aiel ooit te kunnen begrijpen. Ze was heel erg bang dat ze Rhand ook niet meer begreep. Berelain begreep ze maar al te goed; die had alleen belangstelling voor mannen die nog in leven waren. Met dit soort gedachten kostte het moeite haar goede bui vast te houden. Het was in de stad zeker niet koeler dan buiten de muren – feitelijk zou het door het ontbreken van wind en door de vele mensen dicht op elkaar weleens heter kunnen zijn – en bijna even stoffig, maar ze had nu tijdens haar wandeling meer gezien dan de asresten van Voorpoort. Nog enkele dagen en ze zou weer kunnen leren, echt kunnen leren. Dat bracht de glimlach op haar gezicht terug. Ze bleef staan naast een broodmagere Vuurwerker met een vochtig gezicht. Het was gemakkelijk te zien wat hij was, of was geweest. Zijn dikke snor werd niet verborgen achter het doorzichtige sluiertje van de Taraboners. De pofbroek met het borduurwerk op de benen en een even ruim hemd met borduursels op de borst gaven zijn achtergrond duidelijk aan. Hij verkocht vinken en woudzangers in grove kooitjes. Nu hun gildehuis door de Shaido’s was platgebrand, probeerden veel Vuurwerkers de middelen te vinden voor de terugreis naar Tarabon. ik heb het uit de meest betrouwbare bron,’ vertelde hij net aan een knappe, grijzende vrouw in eenvoudige donkerblauwe kleding. Ongetwijfeld een koopvrouw die mensen die wachtten op betere tijden in Cairhien, voor wilde zijn. ‘De Aes Sedai zijn verdeeld,’ fluisterde de Vuurwerker vertrouwelijk terwijl hij over een vogelkooi leunde. ‘De Aes Sedai zijn in oorlog, met elkaar.’ De koopvrouw knikte instemmend.
Egwene bleef staan, deed of ze nadacht over een vink met een groen kopje en liep weer door, hoewel ze opzij moest springen voor een speelman met een rond gezicht die met snoeverig gedraai van zijn lapjesmantel verder beende. Speelmannen wisten heel goed dat zij bij die enkele natlanders hoorden die in de Woestenij welkom waren. De Aiel joegen hun geen angst aan. Dat beweerden ze tenminste. Het gerucht bedrukte haar. Niet dat de Toren verdeeld was – dat had niet veel langer geheim kunnen blijven – maar dat gepraat over oorlog tussen de Aes Sedai. Weten dat Aes Sedai zich tegenover andere Aes Sedai opstelden was of je wist dat het ene deel van je familie ruzie had met een ander deel. Misschien net toelaatbaar vanwege een goede reden, maar de gedachte dat de ruzie verder door kon slaan... Kon de Toren op de een of andere wijze maar geheeld worden, zonder bloedvergieten weer verenigd worden.
Wat verderop in de straat verkocht een zwetende Voorpoortvrouw, die met een schoon gezicht knap zou zijn geweest, andere geruchten samen met linten en spelden uit een bak aan een riem om haar nek. Ze droeg een zijdeblauw gewaad, met rode stroken in de rok die voor een kleinere vrouw was gemaakt. De gerafelde zoom hing zo hoog dat haar stevige schoenen waren te zien. De gaten in de armen en het lijfje lieten zien waar het borduursel was losgetornd. ‘Ik geef jullie een feit,’ deelde ze de in haar kist zoekende vrouwen mee. ‘Er zijn Trolloks rond de stad gezien. O ja, dat groen staat mooi bij uw ogen. Honderden Trolloks en...’
Egwene bleef niet eens staan. Als er ook maar één Trollok ergens bij de stad was gezien, zouden de Aiel dat, allang voor straatgeruchten ontstonden, hebben geweten. Ze wenste dat de Wijzen ook roddelden. Nou ja, dat deden ze soms wel, maar alleen over andere Aiel. Niets van de natlanders kon de Aiel boeien. Doordat ze Elaida’s werkvertrek in Tel’aran’rhiod had kunnen binnenschieten wanneer ze maar wilde, en haar brieven had gelezen, was ze het gewend van overal ter wereld dingen te weten.
Opeens besefte Egwene dat ze anders rondkeek, dat ze naar de gezichten van mensen keek. Er waren in Cairhien zeker ogen-en-oren van de Aes Sedai; dat stond net zo vast als het feit dat zij liep te zweten. Elaida moest elke dag, misschien vaker, met een postduif een verslag uit Cairhien ontvangen. Spionnen van de Toren, van de Ajahs, spionnen van een zuster. Ze waren overal, vaak op plekken waar je ze het minst verwachtte. Waarom bleven die twee tuimelaars gewoon staan? Kwamen ze weer op adem of hielden ze haar in het oog? Ze kwamen weer in beweging, de een sprong op en maakte een handstand op de schouders van de ander.