Berelain kwam sierlijk omhoog. Egwene moest toegeven, zij het wat tandenknarsend, dat de vrouw alles heel sierlijk deed. Haar rijkleding was netjes, want zelfs zij was niet zo’n grote dwaas om uitgedost als in het paleis in de zon te gaan rijden. De anderen stonden eveneens op. ‘Blijkbaar dien ik naar het paleis terug te keren,’ verzuchtte ze. ‘Het Licht mag weten hoe ze het zullen opnemen dat niemand hen komt begroeten. Amys, als je weet waar Rhuarc is, kun je hem dan doorgeven dat hij me opzoekt?’
Amys knikte, maar Sorilea zei: ‘Je hoort niet zo op Rhuarc te steunen, meisje. Rhand Altor heeft jou Cairhien gegeven om te besturen. Geef een man een vinger en hij pakt, voor je het weet, je hele hand. Geef een stamhoofd een vinger en hij pakt je hele arm.’
‘Dat is waar,’ mompelde Amys. ‘Rhuarc is de schaduw van mijn hart, maar het is waar.’
Berelain pakte smalle rijhandschoenen uit haar gordel en trok ze aan. ‘Hij doet me aan mijn vader denken. Te veel soms.’ Heel even grijnsde ze droevig. ‘Maar hij geeft heel goede raad. Hij weet wanneer hij strak moet vasthouden en hoe strak. Ik denk dat zelfs de Cairhienin onder de indruk zijn als Rhuarc hen streng aankijkt.’ Amys lachte, zachtjes, diep in haar keel. ‘Hij maakt indruk. Ik zal hem naar je toesturen.’ Ze drukte een lichte kus op Berelains voorhoofd en beide wangen.
Egwene keek met grote ogen toe; op die manier kuste een moeder haar zoon of dochter. Wat was er gaande tussen Berelain en de Wijzen? Ze kon het natuurlijk niet vragen. Dat zou beschamend zijn voor haarzelf en voor de Wijzen. Ook voor Berelain, hoewel die het niet zou weten, en Egwene zou geen enkel bezwaar hebben de Eerste van Mayene te kijk te zetten tot haar haren uitvielen.
Terwijl Berelain zich omdraaide, legde Egwene een hand op de arm van de ander. ‘Ze moeten behoedzaam worden aangepakt. Ze zullen niet vriendschappelijk jegens Rhand gestemd zijn. Eén verkeerd woord of één verkeerde zet, en ze worden openlijk vijandig.’ Dat was volkomen waar, maar niet wat echt gezegd diende te worden. Ze beet nog liever haar tong af dan Berelain om een gunst te vragen. ‘Ik heb al eerder met Aes Sedai te maken gehad, Egwene Sedai,’ zei ze droogjes.
Egwene bedwong zich om diep adem te halen. Het moest gedaan worden, maar ze wilde de vrouw niet laten merken hoe zwaar het haar viel. ‘Elaida is met Rhand niets goeds van plan. Ze is meer een wezel in een kippenhok en deze Aes Sedai zijn Elaida’s zusters. Als ze horen van een Aes Sedai in Cairhien die Rhand steunt, hier waar ze haar kunnen vinden, kan die misschien de dag erna verdwenen zijn.’ Ze keek in Berelains nietszeggende gezicht en kon het niet opbrengen meer te zeggen.
Het duurde even, maar toen glimlachte Berelain. ‘Egwene Sedai, ik zal doen wat ik kan voor Rhand.’ Zowel de glimlach als de toon waren... veelbetekenend.
‘Meisje!’ zei Sorilea scherp en het was wonderlijk om te zien hoe Berelains wangen rode plekjes kregen.
Egwenes ogen vermijdend zei Berelain op zorgvuldig vlakke toon: ‘Ik zou het waarderen als jullie het Rhuarc niet vertellen.’ Eigenlijk keek ze niemand aan, maar probeerde ze Egwenes aanwezigheid te negeren. ‘We zullen het niet zeggen,’ bracht Amys snel naar voren, waardoor Sorilea het zwijgen werd opgelegd. ‘Dat doen we niet.’ De herhaling was voor Sorilea bedoeld en was een mengeling van vastbeslotenheid en vragen om instemming. Uiteindelijk knikte de oudste Wijze, al was het met tegenzin. Berelain slaakte werkelijk een zucht van opluchting voor ze de tent uitdook.
‘Dat kind heeft pit,’ lachte Sorilea zodra Berelain verdwenen was. Ze zakte weer terug op haar kussens en gebaarde Egwene naar de lege plek naast haar. ‘We behoren de juiste man voor haar te zoeken, een man die gelijkwaardig is. Als zoiets bij natlanders mogelijk is.’ Egwene veegde haar handen af aan de vochtige doek die Rodera aanreikte en vroeg zich af of ze nu de mogelijkheid had zonder verlies van haar eer naar Berelain te vragen. Ze pakte het theekopje van groen Zeevolk-porselein aan en nam plaats in de kring van Wijzen. Als een van de anderen Sorilea zou antwoorden, zou dat voldoende zijn. ‘Weet je zeker dat deze Aes Sedai de Car’a’carn kwaad willen doen?’ vroeg Amys in plaats daarvan.
Egwene werd rood. Terwijl zij aan roddelpraatjes dacht, waren er belangrijker zaken af te handelen. ‘Ja,’ antwoordde ze snel, en toen langzamer: ‘Tenminste... Ik weet niet of ze hem eigenlijk wel kwaad willen doen. Niet opzettelijk in ieder geval.’ Elaida’s brief noemde ‘alle eer en achting’ die hij verdiende. Hoeveel verdiende een geleider volgens een voormalige Rode zuster? ‘Maar ik twijfel er niet aan dat ze hem op de een of andere manier willen overheersen en zorgen dat hij doet wat Elaida wil. Het zijn niet zijn vriendinnen.’ In hoeverre waren de Aes Sedai van Salidar met hem bevriend? Licht, ze moest nodig met Nynaeve en Elayne praten. ‘En het zal ze niets kunnen schelen dat hij de Car’a’carn is.’ Sorilea gromde bitter. ‘Je gelooft dat ze zullen proberen jou kwaad te doen?’ vroeg Bair en Egwene knikte.
‘Als ze ontdekken dat ik hier ben...’ Ze probeerde een rilling te verbergen door aan haar muntthee te nippen. Misschien zouden ze haar als een soort handvat voor Rhand gebruiken, misschien haar beschouwen als een weggelopen Aanvaarde, maar ze zouden zeker hun best doen haar naar de Toren terug te slepen. ‘Ze zullen me niet hier achterlaten, als ze dat kunnen voorkomen. Elaida wil dat Rhand alleen naar haar luistert, naar niemand anders.’ Bair en Amys keken elkaar grimmig aan.
‘Dan is het antwoord eenvoudig.’ Sorilea sprak alsof alles al besloten was. ‘Jij blijft tussen de tenten, dan vinden ze je niet. De Wijzen vermijden Aes Sedai in ieder geval. Als je nog een paar jaar bij ons blijft, maken wij een prima Wijze van je.’
Egwene liet bijna haar kopje vallen. ‘U vleit me,’ zei ze behoedzaam, ‘maar vroeg of laat zal ik moeten vertrekken.’ Sorilea leek niet erg overtuigd. Egwene had min of meer geleerd zich bij Amys, Bair en Melaine in te houden, maar bij Sorilea...
‘Niet zo gauw, denk ik,’ maakte Bair haar duidelijk met een glimlach om de pil te zoeten. ‘Je moet nog veel leren.’
‘Ja, en je wilt heel ijverig weer aan de slag,’ voegde Amys eraan toe. Egwene deed moeite niet te blozen en Amys fronste. ‘Je kijkt gek. Heb je je vanmorgen te veel ingespannen? Ik was er zeker van dat je genoeg hersteld was om...’
‘Dat ben ik ook,’ zei Egwene haastig. ‘Echt, ik ben hersteld. Ik heb al dagen geen hoofdpijn meer gehad. Het komt door het stof bij het terughollen. En de menigte in de stad was drukker dan ik me herinnerde. Ik was trouwens zo opgewonden dat ik niet goed heb ontbeten.’ Sorilea gebaarde naar Rodera. ‘Haal wat honingbrood, als er nog is, en kaas en wat fruit.’ Ze porde Egwene in haar ribben. ‘Een vrouw hoort vlees op haar botten te hebben.’ En dat van een vrouw die eruitzag of ze in de zon te drogen was gelegd tot alle vlees was weggeteerd. Egwene vond het eten niet zo erg – ze was die ochtend echt te opgewonden geweest om veel te eten – maar Sorilea hield op elke hap scherp toezicht en haar oplettendheid maakte het slikken wat moeilijk. Daardoor en door het feit dat ze wilden bespreken wat ze met de Aes Sedai aan moesten. Als de Aes Sedai vijandig tegenover Rhand stonden, moesten ze in de gaten worden gehouden en dienden ze iets voor zijn veiligheid te bedenken. Zelfs Sorilea was een tikkeltje scherp, nu de kans bestond dat ze zich daardoor mogelijk rechtstreeks tegen de Aes Sedai zouden verzetten – niet bang, maar het ging tegen de gewoonte in, waardoor ze zich niet op hun gemak voelden – maar alles diende gedaan te worden om de Car’a’carn te beschermen. Egwene maakte zich eigenlijk alleen zorgen dat de anderen Sorilea’s raad om tussen de tenten te blijven, in een bevel zouden omzetten. Ze kon dan onmogelijk de Wijzen vermijden en kon niets bedenken om zo’n vijftig paar ogen te ontwijken, behalve door in haar eigen tent te blijven. Hoe reisde Rhand? De Wijzen zouden het noodzakelijke doen, zolang het ji’e’toh niet schond. Ze legden het misschien hier en daar verschillend uit, maar ze hielden aan hun uitleg even strak vast als iedere andere Aiel. Licht, Rodera was een Shaido, een van de duizenden die in de veldslag gevangen waren genomen, waardoor de Shaidostam uit de stad was verdreven. Maar de Wijzen behandelden haar net als de andere gai’shain en voor zover Egwene zag, gedroeg Rodera zich in het geheel niet anders. Ze zouden niet tegen de ji’e’toh ingaan, hoe noodzakelijk het misschien ook was.