Gelukkig werd het onderwerp niet aangesneden. Ongelukkig genoeg bespraken ze wel haar gezondheid. De Wijzen wisten niets van Heling of hoe ze iemands welzijn met de Kracht na konden kijken. In plaats daarvan hadden ze hun eigen beproefde werkwijze. Iets ervan kende ze nog uit Tweewater, toen ze bij Nynaeve van alles leerde: diep in de ogen kijken, luisteren naar de hartslag door een holle houten buis. Sommige manieren waren alleen van de Aiel. Ze moest haar tenen aanraken tot ze zich duizelig voelde, op één plek op en neer springen tot ze dacht dat haar ogen eruit zouden stuiteren en rond de tenten van de Wijzen rennen tot er sterretjes voor haar ogen verschenen, waarna een gai’shain water over haar goot en zij zoveel water moest drinken als ze op kon. Daarna mocht ze haar rok weer vastgrijpen en nog wat meer rennen. De Aiel geloofden rotsvast in hardheid. Als ze ook maar een pas te langzaam was geweest, als ze struikelend stil was blijven staan voor Amys had gezegd dat ze dat mocht, zouden ze hebben besloten dat haar gezondheid nog niet helemaal je dat was. Toen Sorilea eindelijk knikte en zei: ‘Je bent even gezond als een Speervrouw, kind,’ stond Egwene te zwaaien en naar adem te snakken. Een Speervrouw zou dat volgens haar zeker niet hebben gedaan. Niettemin voelde ze zich trots. Ze had zichzelf nooit zacht gevonden maar ze wist heel goed dat ze vóór haar tijd bij de Aiel halverwege de proef al plat op haar gezicht zou hebben gelegen. Nog een jaartje, dacht ze, en dan ren ik even goed als elke Far Dareis Mai. Aan de andere kant was ze er amper klaar voor naar de stad terug te keren. Ze sloot zich bij de Wijzen in hun zweettent aan – ditmaal lieten ze haar niet het water over de hete rotsen gieten. Rodera deed het. Het was verrukkelijk hoe de vochtige hitte haar spieren ontspande. Ze vertrok toen Rhuarc en twee andere stamhoofden, Timolan van de Miagoma en Indirian van de Codarra, zich bij hen voegden. Lange forse, grijzende mannen met harde magere gezichten. Ze dook zo snel naar buiten, de omslagdoek om haar heen slaand, dat ze altijd meende daarbij uitgelachen te worden. De Aiel leken nog steeds niet te begrijpen waarom ze telkens bij de binnenkomst van mannen uit de zweettent snelde. Het zou een volmaakt Aielgrapje zijn geweest als ze het hadden begrepen, maar gelukkig legden ze gewoon het verband niet, en daar was ze heel blij om.
Ze pakte haar kleren op van de nette hoopjes buiten de zweettent en haastte zich terug naar haar eigen tent. De zon hing nu laag in het westen, en na een lichte maaltijd wilde ze best gaan slapen, want ze was te moe om nog aan Tel’aran’rhiod te denken. Ze was eveneens te moe om zich de meeste dromen te herinneren – ook iets dat de Wijzen haar hadden bijgebracht – maar de meeste dromen die ze zich wel herinnerde, betroffen Gawein.
25
Als regen en bliksem
Om de een of andere reden voelde Egwene zich ondanks haar dromen fris, nadat Cowinde haar in de grijze ochtendschemer had gewekt; fris en klaar om te ontdekken wat ze in de stad kon leren. Ze rekte zich lang en gapend uit, stond op, neuriede bij het haastig wassen en aankleden en nam amper de tijd om haar haren behoorlijk te borstelen. Ze wilde zo snel mogelijk van de tenten vertrekken zonder tijd aan ontbijt te verspillen, maar Sorilea zag haar, en dat maakte meteen een eind aan dat idee. Wat achteraf maar goed was ook. ‘Je had niet zo gauw uit de zweettent moeten weggaan,’ zei Amys tegen haar terwijl ze een kom pap en gedroogde vruchten aannam van Rodera. Een kleine twintig Wijzen waren bijeen in Amys’ tent. Rodera, Cowinde en een in het wit geklede man die Doilan heette, ook een Shaido, repten zich om iedereen te helpen. ‘Rhuarc had veel te vertellen over je zusters. Misschien kun jij er nog wat aan toevoegen.’ Na maanden net doen alsof, hoefde Egwene niet na te denken om te weten dat ze doelde op het gezantschap van de Toren, ik zal jullie vertellen wat ik weet. Wat heeft hij gezegd?’
Allereerst waren er zes Aes Sedai, waaronder twee van de Rode Ajah – Egwene kon niet geloven dat Elaida die had meegestuurd. Was het hoogmoed of een mogelijke stommiteit? – er stond een Grijze aan het hoofd. De Wijzen, de meesten lagen als karrenwielspijlen in een grote kring, sommigen stonden of knielden in de ruimten ertussen, wendden hun ogen naar Egwene zodra hun namen waren genoemd, ik ben bang dat ik er slechts twee van ken,’ zei ze behoedzaam. ‘Er zijn nu eenmaal heel wat Aes Sedai en ik ben nog niet lang genoeg zuster om er veel te kennen.’ Hoofden knikten, dat slikten ze. ‘Nesune Bihara is eerlijk – ze luistert naar alle betrokkenen voor ze een besluit neemt – maar ze kan het kleinste foutje in je woorden vinden. Ze ziet alles en herinnert zich alles. Ze hoeft maar één keer naar een blad te kijken om het later woord voor woord te herhalen. Hetzelfde geldt voor een gesprek van ruim een jaar geleden. Soms praat ze in zichzelf en spreekt haar gedachten uit zonder het te beseffen.’
‘Rhuarc vertelde dat ze belangstelling had voor de koninklijke librije.’ Roerend in haar pap keek Bair Egwene aan. ‘Hij zei dat hij haar iets over zegels hoorde mompelen.’ Een snel geroezemoes klonk op bij de andere vrouwen dat door het keelgeschraap van Sorilea tot zwijgen werd gebracht.
Egwene lepelde haar pap op – er zaten schijfjes gedroogde pruimen en zoete bessen in haar kom – terwijl ze zat na te denken. Als Elaida Siuan had ondervraagd, wist ze van de drie gebroken zegels. Rhand had er twee verborgen – Egwene had graag willen weten waar ze waren, maar hij leek de laatste tijd niemand meer te vertrouwen – en Nynaeve en Elayne hadden er een in Tanchico gevonden en meegenomen naar Salidar. Maar daarvan kon Elaida niets weten, tenzij ze in Salidar wellicht spionnen had. Nee, daar mocht ze een andere keer over piekeren, dat was nu zinloos. Elaida moest wanhopig naar de andere op zoek zijn. Het leek verstandig Nesune naar een librije te sturen die na die van de Witte Toren de grootste ter wereld was. Nadat ze wat gedroogde pruimen had doorgeslikt vertelde ze dat. ‘Dat zei ik gisteravond ook al,’ gromde Sorilea. ‘Aeron, Colinda en Edarra. Jullie gaan naar de librije. Drie Wijzen moeten iets eerder kunnen vinden dan één Aes Sedai.’ Dat leverde drie lange gezichten op. De koninklijke librije was enorm omvangrijk. Maar Sorilea was Sorilea en al zuchtten de genoemde vrouwen en gromden ze wat, ze zetten hun kommen pap neer en vertrokken meteen. ‘Je zei dat je er twee kende,’ vervolgde Sorilea, nog voor ze de tent uit waren. ‘Nesune Bihara en wie nog meer?’
‘Sarene Nemdahl,’ antwoordde Egwene. ‘U moet begrijpen dat ik beiden niet echt goed ken. Sarene is net als de meeste Witte zusters; ze beredeneert alles met haar hersens en soms lijkt ze verbaasd wanneer iemand iets vanuit haar hart doet. Toch kan ze driftige buien hebben. Ze houdt meestal de kurk op de kruik, maar als je iets op het verkeerde ogenblik verkeerd doet, kan ze... kan ze je neus afbijten voor je met je ogen kunt knipperen. Ze luistert echter wel naar wat je zegt en ze zal haar ongelijk bekennen, zelfs als ze heel boos is. Nou ja, wanneer dat voorbij is, in ieder geval.’
Ze lepelde wat bessen en pap in haar mond en probeerde de Wijzen heimelijk op te nemen. Niemand leek haar hapering te hebben opgemerkt. Ze had bijna gezegd dat Sarene je aan het vloeren schrobben zette voor je met je ogen kon knipperen. Ze kende beide vrouwen alleen van hun lessen toen ze novice was. Nesune, een slanke Kandoraanse met roofvogelogen, kon zelfs met haar rug naar de groep een niet oplettende novice afkatten. Ze had verschillende klassen onderwezen waarin Egwene had gezeten. Egwene had slechts twee lezingen van Sarene bijgewoond, over de aard van de werkelijkheid. Maar het was moeilijk een vrouw te vergeten die je volkomen ernstig vertelde dat schoonheid en lelijkheid hetzelfde idee waren, en dat je elk gezicht kon opzetten waarnaar iedere man nogmaals zou kijken, ik hoop dat je meer weet,’ zei Bair, die steunend op een elleboog zich naar Egwene toe boog. ‘Het lijkt erop dat jij onze enige bron van inlichtingen bent.’