Het duurde even voor Egwene haar snapte. Ja, natuurlijk. Bair en Amys moesten gisteravond hebben geprobeerd in de dromen van Aes Sedai te kijken, maar die plaatsten meestal een ban. Ze vond het jammer dat zij die kunst voor haar vertrek uit de Toren niet had geleerd, ik hoop van wel. Waar zijn hun kamers in het paleis?’ Als Rhand terugkwam en ze hem wilde spreken, zou het helpen als ze niet hun vertrekken binnen blunderde bij het zoeken van de juiste richting. Vooral Nesunes kamer niet. Sarene herinnerde zich mogelijk die ene novice niet meer, maar Nesune zou haar vrijwel zeker herkennen. Een van die andere onbekende zusters kende haar misschien ook wel. Er was heel wat afgepraat over Egwene Alveren toen ze zich nog in de Toren bevond. ‘Ze hebben zelfs voor één nacht Berelains aanbod van schaduw afgewezen.’ Amys keek gefronst. Bij de Aiel werd een aanbod van gastvrijheid altijd aanvaard. Te weigeren, zelfs bloedvijanden, was een schande. ‘Ze verblijven bij een vrouw die Arilyn heet, een vrouwe van de boomdoders. Rhuarc denkt dat Coiren Saeldain die Arilyn al veel eerder kende.’
‘Een faktoor van Coiren,’ zei Egwene met zekerheid. ‘Of anders van de Grijze Ajah.’
Verschillende Wijzen mopperden binnensmonds; Sorilea snoof luid van afkeer en Amys slaakte een diepe, teleurgestelde zucht. Anderen bezagen het anders. Corelna, een groenogige felle vrouw met veel grijs in haar vlasblonde haren, schudde vol twijfel het hoofd en Tialin, een magere roodharige met een scherpe neus, keek Egwene openlijk ongelovig aan.
Iemand bespieden was een schending van ji’e’toh, maar hoe ze dat rijmden met het gluren van een droomloopster in andermans dromen, had Egwene nog niet uitgevonden. Het had geen zin hun erop te wijzen dat Aes Sedai ji’e’toh niet volgden. Ze wisten dat. Ze konden het alleen moeilijk geloven of begrijpen. Van Aes Sedai niet, van niemand. Wat ze ook dachten, ze zou om haar gelijk alles durven verwedden. Galdrian, de laatste koning van Cairhien, had tijdens zijn leven een Aes Sedai-raadgeefster gehad. Niande Moorwyn was vóór hij vermoord werd niet onzichtbaar gebleven, ook niet bij haar vertrek, maar Egwene had één ding opgestoken toen ze regelmatig het landgoed van vrouwe Arilyn had bezocht: Niande was van de Grijze Ajah. ‘Ze hebben blijkbaar honderd wachten in het huis ondergebracht,’ zei Bair wat later. Haar stem klonk opeens heel effen. ‘Ze zeggen dat de stad nog steeds niet tot rust is gekomen, maar ik denk dat ze bang zijn voor de Aiel.’ Op een aantal gezichten verschenen verontruste belangstellende blikken.
‘Honderd!?’ riep Egwene uit. ‘Hebben ze honderd man meegenomen?’ Amys schudde het hoofd. ‘Ruim vijfhonderd. Timolans verkenners hebben de meesten in een kampement aangetroffen op minder dan een halve dagreis ten noorden van de stad. Rhuarc heeft erover gesproken en Coiren Saeldain zei dat die mannen een erewacht vormden, maar dat ze de meesten buiten de stad hadden gelaten om geen angst op te roepen.’
‘Ze denken dat ze de Car’a’carn naar Tar Valon zullen begeleiden.’ Sorilea’s stem kon barsten in rots slaan, maar vergeleken met haar gezicht klonk ze nu zacht. Egwene had de inhoud van Elaida’s brief aan Rhand niet achtergehouden. Elke keer dat ze eraan dachten, vonden de Wijzen het minder aangenaam.
‘Rhand is niet zo dwaas om dat aanbod aan te nemen,’ zei Egwene verstrooid. Vijfhonderd man konden een erewacht vormen. Elaida dacht misschien dat de Herrezen Draak op zoiets rekende, er zelfs gevleid door zou zijn. Een aantal ideeën kwam in haar op, maar ze diende voorzichtig te zijn. Eén verkeerd woord kon ervoor zorgen dat Amys en Bair haar een onmogelijke opdracht gaven. Of nog erger: Sorilea zou iets zeggen, en je kwam met minder schrammen uit een doornstruik dan bij het niet uitvoeren van haar opdracht. Nee, ze wilde blijven doen wat zij alleen kon doen, in ieder geval wilde doen. ‘Ik neem aan dat de stamhoofden een oogje houden op de soldaten buiten de stad?’ Een halve dag naar het noorden – minstens een hele dag, aangezien het geen Aiel waren – was te ver om echt gevaarlijk te zijn, maar enige voorzichtigheid deed nooit kwaad. Amys knikte; Sorilea keek Egwene aan alsof zij had gevraagd of de zon ’s middags aan de hemel stond. Egwene schraapte haar keel. ‘Ja.’ Het was onwaarschijnlijk dat de stamhoofden zo’n fout zouden maken. ‘Goed. Ik heb deze ideeën. Als een van die Aes Sedai naar het paleis gaat, zouden enkele geleidsters van jullie hen kunnen volgen om ervoor te zorgen dat ze niet een soort valstrik achterlaten.’ Ze knikten. Van de aanwezigen konden twee op de drie geleiden, sommigen niet meer dan Sorilea, anderen waren even goed als Amys, die weer even sterk was als elke Aes Sedai die Egwene ooit had ontmoet. De verhoudingen onder de Wijzen waren ongeveer hetzelfde als die onder Aes Sedai. Hun vaardigheden verschilden van die van Aes Sedai – op sommige gebieden minder, op enkele meer, maar over het algemeen bestonden er verschillen – maar ze zouden in staat moeten zijn onwelkome verrassingen te ontdekken. ‘En we moeten er zeker van zijn dat het er maar zes zijn.’ Ze moest dat uitleggen. Ze hadden boeken van natlanders gelezen, maar zelfs de geleidsters kenden niet echt de gebruiken die waren ontstaan onder Aes Sedai die geleiders moesten aanpakken. Bij de Aiel vond een jonge geleider zichzelf uitverkoren. Hij trok naar het noorden, de Verwording in, om op de Duistere te jagen. Niemand was ooit teruggekeerd. Egwene had voor haar komst naar de Toren de Aes Sedai-gewoonten ook niet gekend. De verhalen die ze eerder had gehoord, vertoonden zelden enige overeenkomst met de waarheid. ‘Rhand kan twee geleidsters tegelijk aan,’ besloot ze. Dat wist ze uit eigen ervaring. ‘Hij is misschien in staat er zes aan te kunnen, maar als ze met meer zijn dan ze zelf hebben genoemd, is dat op z’n minst een bewijs dat ze hebben gelogen, al was het maar door het te verzwijgen.’ Ze kromp door hun gefrons in elkaar. Als je loog, was je toh verschuldigd aan de bedrogene. Maar in haar geval was het noodzakelijk. Het was zo.
Het verdere ontbijt werd besteed aan overleg. De Wijzen besloten wie vandaag naar het paleis zou gaan en aan welk stamhoofd kon worden toevertrouwd krijgers uit te kiezen om naar andere Aes Sedai uit te kijken. Sommigen zouden in ieder geval met tegenzin een Aes Sedai op die manier willen behandelen. De Wijzen zeiden het niet hardop, maar het was duidelijk uit hun vaak bittere woorden op te maken. Anderen konden het een bedreiging voor de Car’a’carn vinden, zodat die de Aes Sedai zelfs het liefst met de speer wilden aanpakken. Enkele Wijzen leken die mening nu ook te delen; Sorilea onderdrukte meteen meerdere terloopse opmerkingen dat de moeilijkheid opgelost zou zijn als de Aes Sedai er gewoon niet meer waren. Uiteindelijk waren Rhuarc en Mandelain van de Daryne de twee over wie ze het eens werden. ‘Zorg dat ze geen enkele siswai’aman kiezen,’ merkte Egwene op. Die zouden bij de minste aanduiding van gevaar zeker naar de speer grijpen. De opmerking zorgde voor heel wat blikken, die verschilden van effen tot wrang. Geen enkele Wijze was een dwaas. Eén ding zat haar nog dwars. Niemand van de Wijzen noemde datgene wat ze gewoonlijk bijna elke keer hoorde bij een bespreking over de Aes Sedai: dat de Aiel eenmaal gefaald hadden en vernietigd zouden worden indien ze dat weer deden.
Afgezien van die ene opmerking hield Egwene zich buiten het overleg en at vol overgave een tweede kom pap met gedroogde peren en pruimen, wat haar een goedkeurend knikje van Sorilea opleverde. Ze deed het echter niet voor Sorilea, ze had echt trek en hoopte vooral dat de anderen haar zouden vergeten. Het leek te werken. Nadat het ontbijt en het overleg voorbij waren, slenterde ze naar haar tent en bleef vlak achter de voorflap kijken hoe een klein groepje Wijzen onder leiding van Amys op weg ging naar de stad. Nadat ze door de stadspoort waren verdwenen, schoot ze weer naar buiten. Overal waren Aiel, gai’shain en anderen, maar de Wijzen waren binnen, en niemand lette op haar, toen ze – niet al te vlug – naar de stad liep. Als iemand haar zag, zou die mogelijk denken dat ze op pad ging voor haar ochtendoefening. De wind wakkerde aan en blies wolken stof en oude as op van Voorpoort, maar ze bleef stevig doorstappen: alleen maar buiten voor de oefening.