Выбрать главу

In de stad wist de eerste aan wie ze het vroeg, een slungelige vrouw die voor waanzinnige prijzen rimpelige appeltjes verkocht van een handkar, niet waar het paleis van vrouwe Arilyn lag. Een plompe naaister die met grote ogen keek naar de Aielse die zomaar haar winkel binnenkwam, evenmin. Ook een kalende messenmaker, die meende dat ze veel meer belangstelling had voor zijn messen, kon haar niet helpen. Ten slotte vertelde een zilversmid met toegeknepen ogen, die haar in zijn winkel voortdurend nauwlettend in het oog hield, waar ze moest zijn. Terwijl Egwene door de menigte stapte, schudde ze haar hoofd. Soms vergat ze hoe groot een stad als Cairhien werkelijk was, zodat niet iedereen wist waar iets was.

Ze verdwaalde dan ook driemaal en moest nog twee keer de richting vragen voor ze zich eindelijk tegen de zijmuur van een huurstal aandrukte en rond een hoek naar een laag, vierkant gebouw van donkere steen loerde. Het lag aan de andere kant van de straat en had veel smalle vensters, rechthoekige balkons en getrapte torentjes. Voor een paleis was het klein, maar voor een huis enorm. Arilyn was iets hoger dan de gewone adel in Cairhien, als Egwene het zich goed herinnerde. Soldaten in groene jassen met borstschilden en helmen op stonden op wacht voor de brede voortrap, bij iedere poort die ze kon zien en zelfs op de balkons. Het was vreemd, maar ze leken allemaal jong. Maar dat vond ze nu niet zo belangrijk. In dat gebouw werd de Ene Kracht geleid en dat ze dat aan het andere eind van de straat kon voelen, dat ze het zó sterk kon voelen betekende dat ze geen kleine stromen saidar geleidden. Opeens werd het veel minder, maar het was nog steeds aanzienlijk.

Ze beet op haar lip. Ze kon niet zeggen wat daar gebeurde. Ze moest de stromen zien en wat ze weefden. Zelfs als ze bij een raam stonden, zou elke stroom die vanuit dat herenhuis werd gestuurd, onzichtbaar of niet, op het zuiden gericht moeten zijn, weg van het Zonnepaleis, weg van alles. Wat deden ze daar?

Een poort zwaaide lang genoeg open om een bij elkaar passend span van zes vossen door te laten, die een dichte zwarte koets trokken met het wapen van twee zilveren sterren op een veld van rode en groene balken op de portieren geschilderd. De koets zocht zich een weg door de menigte naar het noorden. De koetsier in livrei gebruikte zijn lange zweep zowel om de mensen opzij te drijven als om de paarden aan te sporen. Vrouwe Arilyn ging ergens heen, of was het iemand van het gezantschap?

Nou ja, ze was hier niet om enkel te kijken. Ze schoof achteruit, zodat ze nog maar met één oog om het hoekje kon turen, net genoeg om het grote huis te zien. Ze haalde een kleine rode steen uit haar beurs, haalde diep adem en begon te geleiden. Als iemand deze kant opkeek, zou ze de stromen zien, maar niet Egwene. Dat gevaar moest ze maar voor lief nemen.

De gladde steen was inderdaad gewoon een steen die in een beek was gepolijst, maar Egwene had het kunstje van Moiraine geleerd. Die had een steen gebruikt als brandpunt – toevallig een edelsteen maar het kon met elk soort steen – dus Egwene deed het ook. Ze weefde voornamelijk Lucht, met een beetje Vuur, meer was niet nodig. Daarmee kon je afluisteren. Spioneren zouden de Wijzen zeggen. Egwene gaf er niet om hoe ze het noemden, zolang ze maar iets vernam van de bedoelingen van de Aes Sedai uit de Witte Toren.

Haar weefsel raakte behoedzaam een raam, heel, heel zachtjes, toen nog een, en nog een. Stilte. Vervolgens...

‘... dus zeg ik tegen hem,’ zei een vrouwenstem in haar oor, ‘als je wilt dat die bedden worden opgemaakt, dan moet je ophouden met me onder de kin te kriebelen, Alwin Rael.’ Een andere vrouw giechelde. ‘Nee toch?’ Egwene grijnsde. Dienstmeiden.

Een forse vrouw die met een mand brood op haar schouder voorbijkwam, gluurde verbaasd naar Egwene. Begrijpelijk, want ze hoorde twee vrouwenstemmen terwijl daar alleen Egwene stond, die niet eens praatte. Egwene loste het op de snelst denkbare manier op. Ze keek zo woest dat de vrouw een gilletje slaakte en bijna haar mand liet vallen toen ze in de menigte verdween.

Met tegenzin verminderde Egwene de sterkte van haar weefsel. Ze kon nu misschien minder goed horen, maar het was verstandiger dan toeschouwers met open monden aan te trekken. Er keken toch al te veel mensen naar die zich tegen de muur drukkende Aielse, al bleef niemand weifelend staan. Niemand wilde moeilijkheden met de Aiel. Ze zette hen van zich af. Ze richtte haar weefsel, raam na raam, zwetend als een otter, en dat niet alleen vanwege de steeds grotere hitte. Er hoefde maar één Aes Sedai haar stromen op te vangen om te weten, ook al wist ze niet wat het was, dat een tegenstandster aan het geleiden was. Ze zouden het doel kunnen vermoeden. Egwene schoof iets achteruit, waardoor nog maar een half oog zichtbaar was. Stilte. Stilte. Geritsel van iets. Liep daar iemand? Muiltjes op een tapijt? Maar geen gepraat. Stilte. Een mopperende man die blijkbaar de kamerpotten ledigde en daar helemaal niet blij mee was. Met rode oortjes ging ze snel verder. Stilte. Stilte. Stilte.

‘... geloof je echt dat het nodig is?’ Zelfs gedempt klonk de vrouwenstem diep en zelfbewust.

‘We dienen op alle mogelijkheden voorbereid te zijn, Coiren,’ antwoordde een andere vrouw met een stem als een ijzeren staaf, ik heb een verbazingwekkend gerucht opgevangen...’ Een deur klikte ferm dicht en sneed de rest af.

Egwene liet zich tegen de stenen stalmuur zakken. Ze had van ergernis kunnen gillen. Dat waren de Grijze zuster, die de leiding had, en een andere Aes Sedai, anders had ze nooit op die manier met Coiren gesproken. Geen andere Aes Sedai had betere inlichtingen kunnen geven over wat ze wilde weten, maar ze moesten zo nodig een andere kamer inlopen. Wat voor gerucht? Welke mogelijkheden? Op wat voor manier wilden ze zich voorbereiden? Het geleiden in het herenhuis veranderde weer en werd sterker. Wat waren ze van plan? Ze haalde diep adem en begon verbeten opnieuw.

Terwijl de zon steeds hoger kwam te staan, hoorde ze vele, vaak onherkenbare geluiden en veel geroddel en gebabbel van bedienden. Iemand die Ceri heette, zou binnenkort bevallen en de Aes Sedai zouden bij hun middageten wijn krijgen van Arindrim, wat dat ook mocht zijn. Het belangwekkendste nieuws was dat Arilyn inderdaad in die koets had gezeten en op weg was naar haar man op het platteland. Maar wat ze met dat nieuwtje aan moest? Een hele ochtend verknoeid. De voordeuren van het herenhuis zwaaiden wijd open en bedienden bogen diep. De schildwachten verstijfden niet, maar gaven de indruk nog aandachtiger op te letten. Nesune Bihara kwam naar buiten, gevolgd door een jongeman die uit een rotsblok leek te zijn gehouwen. Egwene liet haar weefsel haastig gaan, liet saidar los en haalde diep adem om kalm te worden. Dit was geen tijd voor paniek. Nesune en haar zwaardhand overlegden, vervolgens keek de zwartharige Bruine zuster de straat af, eerst de ene kant, toen de andere kant. Ze leek heel duidelijk iets te zoeken.

Egwene besloot dat het misschien toch tijd was voor paniek. Ze trok zich heel langzaam terug om de scherpe ogen van Nesune niet te trekken, en schoot weg zodra ze uit het zicht was. Ze tilde haar rok op en holde duwend door de menigte weg. Drie stappen tenminste. Toen raakte ze een stenen muur, botste achteruit en kwam zo hard op straat terecht, dat ze opnieuw opveerde van de hete straatstenen. Ze staarde omhoog, verdwaasd, wat door haar bonzende hart nog werd verergerd. De stenen muur was Gawein, die op haar neerkeek en net zo stomverbaasd was als zij. Zijn ogen waren schitterend blauw onder roodgouden krullen. Ze wilde die weer rond haar vingers wikkelen. Ze voelde haar gezicht donkerrood worden. Dat heb ik nooit gedaan, dacht ze ferm. Het was maar een droom! ‘Heb ik je pijn gedaan?’ vroeg hij bezorgd en hij wilde naast haar neerknielen.