Выбрать главу

Dit was echter geen tijd voor zorgen over Sulin of ji’e’toh. Hij reed om het dal heen tot hij op de heuveltop stond waar de Saldeanen voor het eerst in zicht waren gekomen. Bashere zelf reed met hem mee omlaag om de eerste groep die de figuren oefende te bezien, toen een volgende groep. Dat de man daarbij in het zadel stond, was toevallig zo. Rhand greep kort saidin aan en liet het een oogwenk later weer los. Met beter zicht was het niet moeilijk de twee witte stenen te zien die naast elkaar aan de voet van de helling lagen, precies op de plek waar Bashere ze persoonlijk de vorige avond had geplaatst, vier pas uit elkaar. Met wat geluk had niemand hem gezien. Met wat geluk zou niemand te veel vragen stellen over vanmorgen. Onder hem bereden sommige mannen nu twee paarden, een voet op elk zadel, nog steeds in volle galop. Anderen hadden een man op hun schouder; soms in handstand.

Hij keek om toen hij de hoefstappen van een paard hoorde. Deira ni Ghaline t’Bashere reed schijnbaar onbezorgd tussen de Aiel door naar hem toe. Ze was slechts gewapend met een klein mes aan haar zilveren gordel en gekleed in een rijgewaad van grijze zijde, met zilverborduursel langs de mouwen en hoog op de rug. Ze leek hen uit te dagen haar aan te vallen. Ze was even lang als veel Speervrouwen, bijna een hand langer dan haar man, en dus een grote vrouw. Niet fors, zelfs niet plomp, gewoon groot. Ze had witte lokken in het zwarte haar aan de zijkant van haar hoofd, en haar donkere scheef staande ogen waren strak op Rhand gevestigd. Hij vermoedde dat ze een heel knappe vrouw was, wanneer zijn aanwezigheid haar gezicht niet in graniet veranderde.

‘Schept mijn echtgenoot u... vermaak?’ Ze sprak Rhand nooit met een titel aan en gebruikte nooit zijn naam.

Hij keek naar de andere Saldeaanse vrouwen. De krijgsvrouwen hielden hem met harde gezichten en ijzige, scheve ogen in het oog, klaar voor de aanval. Ze wachtten slechts op Deira’s bevel. Hij wilde de verhalen best geloven dat een Saldeaanse vrouw het zwaard van haar gesneuvelde echtgenoot oppakte om vervolgens zijn mannen in de strijd voor te gaan. Ontspannen gebabbel was bij de vrouw van Bashere niet echt goed gevallen. Bashere zelf haalde slechts zijn schouders op en zei dat ze soms een moeilijke vrouw was, maar hij zei het met een grijns die als trots kon worden uitgelegd.

‘Zeg tegen heer Bashere dat het mij plezier doet,’ zei hij. Hij wendde Jeade’en en reed terug naar Caemlin. De ogen van de Saldeaanse leken in zijn rug te priemen.

Lews Therin giechelde; dat was het juiste woord ervoor. Prikkel een vrouw nooit, tenzij het moet. Ze zal je sneller doden dan een man en voor minder redenen, ook al zal ze er naderhand om huilen. Ben je daar werkelijk? wilde Rhand weten. Bestaat er meer dan alleen een stem? Alleen het zachte, krankzinnige gelach gaf antwoord. Hij bleef de hele terugweg naar Caemlin over Lews Therin nadenken, zelfs nog terwijl ze over de langgerekte markt met pannendaken langs de wegen naar de poorten en de Nieuwe Stad in reden. Hij maakte zich zorgen over de komende krankzinnigheid – niet vanwege het feit als zodanig, al was dat erg genoeg, maar hoe kon hij doen wat hij moest doen als hij krankzinnig werd? – maar hij had er nog niets van gemerkt. Aan de andere kant, als zijn verstand met hem op de loop ging, zou hij het dan weten? Hij had nooit eerder een gek gezien en kon alleen afgaan op Lews Therins gebazel in zijn hoofd. Werd iedereen op dezelfde manier gek? Zou het met hem op dezelfde manier aflopen? Lachen en huilen om dingen die niemand anders zag of wist? Hij wist dat hij een kans had het te overleven, al was het een schijnbaar onmogelijke kans. Als je wilt leven, moet je sterven. Dat was een van de dingen waarvan hij wist dat het waar moest zijn. Het was hem verteld binnen een ter’angreaal waar eerlijke antwoorden werden gegeven, die echter nooit gemakkelijk te begrijpen waren. Maar om zo te leven... Hij wist niet zeker of hij niet liever zou sterven. De menigte in de Nieuwe Stad week uiteen voor de ruim veertig Aiel en een handvol herkende bovendien de Herrezen Draak. Misschien wel meer, maar de toejuichingen die opstegen toen hij langsreed, klonken onregelmatig. ‘Het Licht schijne op de Herrezen Draak!’

‘De glorie van het Licht voor de Herrezen Draak!’

‘De Herrezen Draak, koning van Andor.’

Dat laatste stak hem hevig en hij hoorde het meerdere keren. Hij moest Elayne vinden. Hij voelde zijn tanden op elkaar knarsen. Hij kon niet naar de mensen op straat kijken; hij wilde hen neerslaan, op de knieën dwingen en toebrullen dat Elayne hun koningin was. Hij probeerde het niet te horen, maar bekeek de lucht, de daken van de huizen, al het andere maar niet de mensen. Daardoor zag hij hoe een man in een witte mantel op een dak met rode pannen opstond en een kruisboog optilde.

Alles gebeurde in enkele hartkloppingen. Rhand greep saidin beet en geleidde naar de aanvliegende pijl die kletterend als metaal tegen metaal Lucht raakte, een zilverblauwe wolk boven de straat. Een vuurbol sprong uit Rhands hand en trof de kruisboogschutter midden in de borst, terwijl de pijl van het schild van Lucht terugkaatste. De man werd in vlammen gehuld en viel gillend van het dak. Iemand sprong tegen Rhand op en trok hem uit het zadel.

Hij kwam hard op de straatstenen terecht met het gewicht boven op hem. Tegelijk raakte hij zowel alle lucht als saidin kwijt. Naar adem happend worstelde hij met het dode gewicht, duwde het omhoog en merkte dat hij Desora in zijn armen hield. Ze glimlachte hem toe, een prachtige glimlach, en haar hoofd zakte weg naar opzij. Niets ziende blauwe ogen staarden hem aan en verglaasden al. De kruisboogpijl stak door haar ribben heen en drukte tegen zijn pols. Waarom had ze zo’n mooie glimlach ooit willen verbergen?

Handen grepen hem vast en trokken hem overeind. Speervrouwen en Bergdansers duwden hem naar de zijkant, tegen de voorgevel van een tinwinkel. Ze vormden een dichte gesluierde kring om hem heen, hoornbogen in de hand, terwijl hun ogen straat en daken afzochten. Overal klonk geschreeuw en gegil, maar de straat was reeds leeg, afgezien van de lichamen op de stenen. Desora en zes anderen, drie Aiel. Nog een Speervrouw, dacht hij. Het was moeilijk dat op die afstand te bepalen, wanneer iemand als een hoopje vodden in elkaar was gezakt.

Rhand bewoog en de muur van Aielvlees drukte hem nog steviger tegen de winkel. ‘Deze plaatsen zijn net konijnenholen,’ zei Nandera alsof ze over het weer sprak, maar haar ogen boven de sluier bleven rondspeuren. ‘Als je je daarin in de dans schaart, heb je een speer in je rug voor je beseft dat er gevaar dreigt.’

Caldin knikte. ‘Dit herinnert me aan die keer bij Sedar Cur... We hebben in elk geval een gevangene.’ Enkele krijgers van zijn Hama N’dore kwamen uit een taveerne aan de overkant van de straat en duwden een man met de armen op de rug gebonden voor zich uit. Hij bleef zich verzetten tot ze hem op de knieën op de straat drukten en speerpunten op zijn keel zetten. ‘Misschien kan hij ons vertellen wie dit heeft beraamd.’ Caldin sprak alsof er geen enkele twijfel bij hem bestond. Wat later kwamen Speervrouwen met een tweede man uit een ander gebouw. De geboeide man hinkte en zijn gezicht zat onder het bloed. Binnen de kortste keren zat een viertal mannen onder Aielbewaking voor hem neergeknield. Eindelijk werd de halve kring die Rhand inklemde, losser.