De vier mannen hadden harde gezichten, hoewel de met bloed besmeurde man heen en weer zwaaide en met rollende ogen naar de Aiel blikte. De twee anderen toonden een koppig verzet, de vierde keek honend.
Rhands handen jeukten. ‘Weten jullie zeker dat ze erbij hoorden?’ Hij kon bijna niet geloven dat hij het zo zacht zei, met zo’n vaste stem. Lotsvuur zou alles oplossen. Lotsvuur, hijgde Lews Therin hem toe. Nooit weer. ‘Zijn jullie zeker?’
‘Ja,’ zei een Speervrouw. Door de sluier kon hij niet zien wie. ‘De mannen die we gedood hebben, droegen allemaal dit.’ Ze trok een mantel los achter de samengebonden armen van de bebloede kerel. Een smerige witte mantel, groezelig en vuil, met een geborduurde gouden zonnekrans op de borst. De andere drie hadden er ook een. ‘Deze moesten op de uitkijk staan,’ voegde een brede Bergdanser eraan toe, ‘en verslag uitbrengen als de aanslag slecht afliep.’ Hij lachte, kort en blaffend. ‘Wie hen ook heeft gestuurd, wist niet hoe verschrikkelijk slecht het zou verlopen.’
‘Geen van deze vier heeft die kruisboog afgeschoten?’ vroeg Rhand. Lotsvuur. Nee, gilde Lews Therin in de verte. De Aiel keken elkaar aan en schudden hun in sjoefa’s gehulde hoofd. ‘Ophangen,’ zei Rhand. De man met het bebloede gezicht klapte bijna in elkaar. Rhand greep hem met stromen Lucht en trok hem overeind. Voor het eerst drong tot hem door dat hij saidin weer vasthield. Hij verwelkomde de strijd om te overleven, hij verwelkomde zelfs het vuil dat zijn botten bezoedelde met bitter slijm. Hij was zich daardoor minder bewust van dingen waar hij liever niet aan dacht, van gevoelens die hij liever niet wilde voelen. ‘Hoe heet je?’
‘F... Faral, mijn heer. D... Dimir Faral.’ Met uitpuilende ogen staarde hij Rhand door een masker van bloed aan. ‘Als het u belieft, mijn heer. Ik... ik w... wandel in het L... Licht. Ik zweer het.’
‘Je bent een gelukkig man, Dimir Faral.’ Rhands stem klonk hem even ver in de oren als het geroep van Lews Therin. ‘Je mag toekijken hoe je vriendjes zullen hangen.’ Faral begon te huilen. ‘Daarna krijg je een paard en mag je Pedron Nial gaan vertellen dat ik hem op een dag hiervoor zal opknopen.’ Toen hij de stromen Lucht losliet, klapte Faral in een hoopje op straat en kreunde dat hij zonder stoppen naar Amador zou rijden. De drie die zouden sterven, staarden de snikkende man verachtelijk aan. Een spuwde naar hem.
Rhand zette hen uit zijn gedachten. Hij wilde alleen Nial in zijn geheugen vastleggen. Er was nog iets anders wat hem te doen stond. Hij duwde saidin van zich af en won het gevecht om zonder weggevaagd te worden eraan te ontsnappen; het gevecht om zichzelf te dwingen er vrij van te zijn. Bij wat hij moest doen, wilde hij geen scherm tussen hem en zijn gevoel.
Een Speervrouw legde net Desora’s lichaam goed. Ze had de sluier omhooggetrokken. Ze probeerde hem tegen te houden, toen hij dat doekje van algoed aanraakte, aarzelde toen, keek naar zijn gezicht en zette zich op haar hurken naast de dode Speervrouw neer. Hij trok de sluier af en bekeek Desora’s gezicht aandachtig. Ze keek of ze lag te slapen. Desora van de Musarasibbe van de Reynstam. Zoveel namen. Liah van de Cosaida Sharien, Dailin van de IJzerberg Taardad en Lamelle van de Rookwater Miagoma en... Zo velen... Soms liep hij in gedachten de lijst naam voor naam na. Er was één naam die hij er zelf niet had opgezet. Ilyena Moerelle Dalisar. Hij wist niet hoe Lews Therin haar daar had geplaatst, maar al had hij geweten hoe, hij zou de naam niet hebben gewist.
Het was zowel moeilijk als een opluchting om zich van Desora af te wenden. Het was puur opluchting voor hem dat het andere lichaam geen tweede dode Speervrouw was, maar een man die voor een Aiel vrij klein was. Het deed hem pijn dat mannen voor hem stierven, maar bij hen kon hij aan het oude gezegde denken: Laat de doden rusten en zorg voor de levenden. Niet gemakkelijk maar hij kon zich ertoe zetten. Hij kon het niet opbrengen om zich te dwingen hetzelfde bij de dood van een vrouw te denken.
Zijn oog viel op een rok die uitgespreid op de straat lag. Er waren niet alleen Aiel gedood.
Er zat een kruisboogpijl midden tussen de schouderbladen, maar bijna geen bloed op de achterkant van haar kleren. Het was snel gegaan, een kleine gunst. Neerknielend, draaide hij haar zo voorzichtig mogelijk om. Het andere eind van de pijl stak uit haar borst. Ze had een vierkant gezicht en was van middelbare leeftijd met een tikkeltje grijs in het haar. Haar donkere ogen stonden wijd open; ze keek verbaasd. Hij kende haar naam niet, maar prentte het gezicht in zijn geheugen. Ze was gestorven, omdat ze zich in dezelfde straat had bevonden. Hij pakte Nandera bij de arm en zij schudde zich los, omdat ze elk ogenblik haar boog wilde gebruiken, maar ze keek hem aan. ‘Zoek de familie van deze vrouw en zorg dat ze krijgen wat ze nodig hebben. Goud...’ Het was niet genoeg. Wat zij nodig hadden was een vrouw die terugkwam, een moeder, en dat kon hij niet geven. ‘Zorg voor hen,’ zei hij. ‘En ik wil haar naam weten.’
Nandera stak haar hand naar hem uit en pakte haar boog weer vast. Bij het opstaan zag hij de Speervrouwen naar hem kijken. O, ze hielden alles als gebruikelijk in het oog, maar de gesluierde gezichten draaiden zich wat vaker naar hem toe. Sulin wist hoe hij zich voelde, al wist ze niet van de lijst, maar hij had geen idee of ze het de anderen had verteld. In dat geval had hij geen idee wat ze ervan vonden. Hij liep terug naar de plek waar hij was neergetrokken en pakte de Drakenstaf met de kwast op. Bukken kostte hem moeite en de korte speer voelde loodzwaar. Jeade’en was met zijn lege zadel niet veel verder gelopen; het paard was goed geoefend. Rhand klom op de rug van de schimmel, ik heb alles wat ik hier kon doen, gedaan,’ zei hij. Ze mochten denken wat ze wilden. Hij spoorde het paard fel aan. Hij kon zijn herinneringen niet achterlaten, maar de Aiel wel, een tijdlang tenminste. Hij had Jeade’en al aan een stalknecht gegeven en was in het paleis, voor Nandera en Caldin hem inhaalden met ongeveer tweederde deel van de Speervrouwen en Bergdansers die ze bij zich hadden gehad. Sommigen waren achtergebleven om voor de doden te zorgen. Caldin keek zuur en geërgerd. Uit de vlammende ogen van Nandera kon Rhand opmaken dat hij blij mocht zijn dat ze niet gesluierd was.
Voor hij iets kon zeggen, kwam huisvrouwe Harfor naar Rhand toe en maakte een diepe buiging. ‘Mijn heer Draak,’ zei ze met een lage, krachtige stem, ‘de golfvrouwe van de Catelarclan van de Atha’an Miere heeft verzocht door u ontvangen te worden.’ Als de fraaie snit van Reenes rood-witte gewaad al niet genoeg aanwijzing gaf dat ‘huisvrouwe’ een verkeerde titel was, dan maakte haar optreden dat wel duidelijk. Ze was een enigszins gezette vrouw met grijzend haar en een lange kin en keek Rhand recht in de ogen, haar hoofd iets achterover om dat klaar te spelen. Op de een of andere wijze had ze tegelijk een gepaste eerbied, een volkomen afwezige slaafsheid en een afstandelijke houding die de meeste vrouwen van adel niet konden opbrengen. Net als Halwin Norrij was ze gebleven, terwijl veel bedienden waren gevlucht, hoewel Rhand min of meer vermoedde dat zij haar paleis wilde verdedigen en beschermen tegen rovers. Het zou hem niet verbazen als ze regelmatig zijn kamers afzocht om te kijken of daar kostbaarheden van het paleis waren verstopt. En evenmin als ze de tassen en kleren van de Aiel had willen nakijken. ‘Zeevolk?’ zei hij. ‘Wat willen ze?’
Ze keek hem geduldig aan en probeerde duidelijk inschikkelijk te zijn. ‘Het verzoek vermeldt dat niet, mijn heer Draak.’ Misschien had Moiraine iets van het Zeevolk geweten, maar ze had het niet opgenomen in haar lessen. Uit de houding van Reene maakte hij echter op dat de vrouw belangrijk was. Een golfvrouwe klonk zeker belangrijk. Dat hield dus de grote zaal in. Na zijn terugkomst uit Cairhien was hij er niet meer geweest. Niet dat hij enige reden had de troonzaal te vermijden, maar hij hoefde er niet te zijn. ‘Vanmiddag,’ zei hij langzaam. ‘Zeg haar dat ik haar vanmiddag wil spreken. Heb je haar een goede kamer gegeven? En haar gevolg?’ Hij dacht niet dat iemand met zo’n titel alleen zou reizen.