Выбрать главу

‘Ze heeft het aanbod afgeslagen en kamers genomen in De Bal en Hoepel.’ Haar mond verstrakte iets. Hoe hoog een golfvrouwe ook was, dat was blijkbaar in de ogen van Reene Harfor ongepast. ‘Ze zaten onder het stof en waren bont en blauw van de reis, amper in staat om recht te staan. Ze hebben gereden, niet in een koets, en ik geloof niet dat ze aan paarden gewend zijn.’ Ze knipperde met haar ogen alsof het haarzelf verbaasde dat ze zo losjes sprak en herwon haar afstandelijkheid alsof ze een mantel omsloeg. ‘Er is nog iemand die u wenst te spreken, mijn heer Draak.’ Haar toon kreeg de verre bijklank van iets onsmakelijks. ‘Vrouwe Elenia.’

Rhand grijnsde bijna inwendig. Ongetwijfeld had Elenia een nieuwe toespraak voorbereid over haar aanspraken op de Leeuwentroon. Tot dusver was het hem gelukt niet meer dan één op de drie woorden te horen. Haar kon hij gemakkelijk genoeg afwijzen. Hij moest echter meer van de geschiedenis van Andor weten en er was niemand die die beter kende dan Elenia Sarand. ‘Stuur haar maar naar mijn kamers, als u wilt.’

‘Bent u echt van plan de troon aan de erfdochter te geven?’ Reenes stem klonk niet ruw, maar alle eerbied was verdwenen. Haar gezicht stond niet anders, maar Rhand was er zeker van dat ze na een verkeerd antwoord zou roepen ‘Voor Elayne en de Witte Leeuw’ om hem vervolgens de hersens in te slaan, Aiel of geen Aiel. ‘Jazeker,’ zuchtte hij. ‘De Leeuwentroon behoort Elayne. Bij het Licht en mijn hoop op wedergeboorte en redding krijgt zij hem.’ Reene nam hem kort op en spreidde toen haar rok voor een nieuwe diepe knix. ik zal haar sturen, mijn heer Draak.’ Haar rug was stijf toen ze wegschuifelde, maar dat was altijd zo. Aan niets kon je zien of ze er iets van geloofde.

‘Een sterke vijand zal een slechte hinderlaag opzetten, waaraan je kunt ontkomen,’ zei Caldin verhit, voor Reene vijf stappen had gedaan. ‘Vol zelfvertrouwen vanwege het overwonnen gevaar, slecht oppassend, loop je recht in een tweede, veel betere hinderlaag.’ Meteen erna zei Nandera kiclass="underline" ‘Jongemannen mogen onstuimig zijn, jongemannen mogen onbesuisd doen, jongemannen kunnen dwazen zijn, maar de Car’a’carn kan zichzelf niet toestaan een jongeman te zijn.’ Rhand keek om voor hij wegliep, lang genoeg om te zeggen: ‘We zijn weer in het paleis. Kies er twee.’ Het was weinig verrassend dat Nandera en Caldin zichzelf uitkozen en al helemaal geen verrassing dat ze met een luide stilte achter hem aanliepen.

Bij de deur naar zijn vertrekken, zei hij hun Elenia naar binnen te sturen wanneer ze kwam en liet hen in de gang staan. In een kan met zilverbeslag zat pruimenwijn, maar hij raakte het niet aan. In plaats daarvan staarde hij ernaar en probeerde te bedenken wat hij zou gaan zeggen, tot hij besefte wat hij deed en verbaasd gromde. Er hoefde toch helemaal niets bedacht te worden?

Een klopje op de deur kondigde de honingblonde Elenia aan die een knix uitvoerde in een gewaad met gouden rozen. Bij iedere andere vrouw zou Rhand gewoon aan rozen hebben gedacht, maar bij Elenia moesten ze wel de Rozenkroon aanduiden. ‘Mijn heer Draak is heel vriendelijk mij te willen ontvangen.’

‘Ik wil je iets vragen over de geschiedenis van Andor,’ zei Rhand. ‘Wil je wat vruchtenwijn?’

Elenia’s ogen gingen van vreugde wijd open voor ze zich kon bedwingen. Ongetwijfeld had ze van tevoren bedacht hoe ze Rhand op het onderwerp van haar aanspraak op de troon kon brengen, en nu kreeg ze het op een dienblaadje aangereikt. Er bloeide een glimlach op haar vossengezicht op. ‘Vergun mij de eer om mijn heer Draak te mogen inschenken,’ zei ze, en ze wachtte niet eens op zijn instemming. Ze was zo verguld met hoe alles verliep, dat hij bijna verwachtte dat ze hem in een gemakkelijke stoel zou duwen en een voetenbankje voor hem zou aanschuiven. ‘Op welk punt van de geschiedenis kan ik mijn licht doen schijnen?’

‘Een soort algemeen...’ Rhand fronste. Daarmee kreeg zij een kapstok om een zeer uitvoerige lijst voorouders op te sommen en zijn vraag niet in twee zinnen af te doen. ik bedoeclass="underline" waarom bracht Souran Maravaile zijn vrouw hierheen? Kwam hij uit Caemlin?’

‘Ishara heeft Souran meegenomen, mijn heer Draak.’ Elenia’s glimlach werd even toegeeflijk. ‘De moeder van Ishara was Endara Casalain, die in die jaren de landvoogdes van Artur Haviksvleugel was in het gewest dat Andor werd genoemd. Zij was ook de dochter van Joal Ramedar, de laatste koning van Aldeshar. Souran was een gewone... gewoon een generaal,’ – Rhand durfde er wat om te verwedden dat ze ‘gewone burger’ had willen zeggen – ‘maar hij was wel de beste die Haviksvleugel had. Endara deed afstand van haar lastgeving en knielde voor Ishara neer als haar nieuwe koningin.’ Op de een of andere manier geloofde Rhand niet dat het echt zo was gebeurd, niet zo vlot in ieder geval. ‘Dat waren natuurlijk heel barre tijden, zeker zo slecht als de Trollok-oorlogen, denk ik. Na Haviksvleugels dood dacht iedere edele de nieuwe Hoge Koning of Hoge Koningin te kunnen worden. Ishara besefte echter dat niemand alles kon overheersen; er waren te veel splintergroepen en een verbond werd even snel gebroken als gesloten. Ze overtuigde Souran de belegering van Tar Valon te beëindigen en voerde hem met het grootste deel van zijn leger naar Andor.’

‘Dus Souran Maravaile belegerde Tar Valon?’ vroeg Rhand verbaasd. Artur Haviksvleugel had Tar Valon twintig jaar belegerd en op het hoofd van iedere Aes Sedai een prijs gezet.

‘Het laatste jaar,’ zei ze een tikkeltje ongeduldig. ‘Zoiets kunnen we tenminste uit de verslagen opmaken.’ Het was duidelijk dat ze eigenlijk geen echte belangstelling had voor Souran, hoogstens als de echtgenoot van Ishara. Ishara was verstandig. Ze beloofde de Aes Sedai dat haar oudste dochter voor lessen naar de Witte Toren zou worden gestuurd, waardoor ze de steun van Tar Valon verwierf en een Aes Sedai-raadgeefstet, te weten Ballair. Ze was de eerste vorst die dat deed. Anderen volgden natuurlijk, maar die streefden nog steeds naar de troon van Haviksvleugel.’ Ze had haar draai helemaal gevonden, haar gezicht was een en al leven, de roemer pruimenwijn vergeten en al pratend gebaarde ze druk met haar andere hand. ‘Een heel mensenleven ging voorbij voor dat idee stierf, al probeerde Narasim Bhuran wel zoiets in de laatste tien jaar van de Oorlog van Honderd Jaren. Het werd een smadelijke mislukking, die een jaar later eindigde met zijn hoofd op een speer. Esmara Getares, die ongeveer dertig jaar eerder hetzelfde poogde, veroverde een groot gebied voor ze Andor aanviel. De laatste twaalf jaar van haar leven was ze “te gast” bij koningin Telaisien. Uiteindelijk werd Esmara vermoord, hoewel er geen verslag bestaat waarom iemand haar dood wenste nadat Telaisien haar macht had gebroken. Ziet u, de koninginnen na Ishara, vanaf Alesinde tot Lyndelle, volgden na wat zij begon, en niet alleen door het sturen van een dochter naar de Witte Toren. Ishara liet Souran eerst zorgen voor veilige gebieden rond Caemlin, in het begin waren dat slechts enkele dorpen, maar geleidelijk breidde ze haar heerschappij uit. Het duurde wel vijf jaar voor de grens bij de Erinin kon worden getekend. Maar de Andoraanse vorstinnen hadden hun land stevig in handen, terwijl veel anderen die zich koning of koningin noemden, nog steeds méér belangstelling hadden voor nieuwe veroveringen, dan voor het versterken van het gebied waarover ze heersten.

Ze zweeg om adem te halen en Rhand onderbrak haar snel. Elenia sprak over deze mensen alsof ze hen persoonlijk kende, maar zijn hoofd tolde van de namen die hij nooit eerder had gehoord. ‘Waarom is er geen huis Maravaile?’

‘Geen enkele zoon van Ishara werd ouder dan twintig.’ Elenia trok haar schouders op en nam een slok van de wijn. Ze vond dit alles niet belangrijk, maar ze kwam zo wel op een nieuw onderwerp. ‘Negen koninginnen hebben gedurende de Oorlog van de Honderd Jaren geregeerd en van de vele zonen is de oudste drieëntwintig jaar geworden. Er was altijd oorlog en Andor werd van alle kanten bedreigd. Tijdens de regering van Maragaine brachten niet minder dan vier koningen hun leger tegen haar in het veld. Er is daar een stadje naar die veldslag genoemd. De koningen waren...’