‘Maar alle koninginnen stammen af van Souran en Ishara?’ bracht Rhand snel naar voren. De vrouw zou, als hij haar de kans gaf, een dagelijks verslag willen geven van die honderd jaar. Hij ging zitten en gebaarde haar een stoel te nemen.
‘Ja,’ zei ze aarzelend, waarschijnlijk omdat Souran op die lijst stond, maar ze klaarde onmiddellijk weer op. ‘Ziet u, het is een zaak van hoe sterk het bloed van Ishara in je is. Hoeveel bloedlijnen je verbinden met haar en in welke graad. In mijn geval...’
‘Het is voor mij niet gemakkelijk te begrijpen. Neem bijvoorbeeld Tigraine en Morgase. Morgase had de sterkste aanspraak op de troon na Tigraine. Ik neem aan dat dat inhoudt dat Morgase en Tigraine nauw verwant waren?’
‘Ze waren nichten.’ Elenia slaagde er met veel moeite in haar ergernis te onderdrukken dat ze zo vaak haar verhaal moest onderbreken, vooral nu ze zo dicht bij de kern van haar boodschap was gekomen, en haar mond kreeg iets zuinigs. Ze leek op een vos die wil toehappen, maar telkens merkt dat het kuikentje buiten zijn bereik trippelt, ik begrijp het.’ Nichten. Rhand nam een lange slok en ledigde zijn roemer half.
‘We zijn allemaal neven en nichten van elkaar. Alle Huizen.’ Zijn zwijgen leek haar nieuwe kracht te geven. Haar glimlach keerde terug. ‘Na zoveel huwelijken gedurende drieduizend jaar is er geen enkel Huis zonder bloed van Ishara. Maar in welke graad? Dat is net zo belangrijk als het aantal bloedlijnen. In mijn geval...’
Rhand knipperde met zijn ogen. ‘Jullie zijn allemaal neef of nicht van elkaar? Allemaal? Dat lijkt me onmo...’ Hij boog zich gespannen naar haar toe. ‘Elenia, stel dat Morgase en Tigraine... koopvrouwen waren geweest, of boerinnen... hoe zit het dan met de verwantschap?’
‘Boerinnen?’ riep ze uit terwijl ze hem aankeek. ‘Mijn heer Draak, wat een merkwaardige...’ Haar gezicht trok langzaam wit weg; Rhand was immers een boer geweest. Ze maakte haar lippen nat met een trillende beweging van haar tong. ik veronderstel... Ik zou moeten nadenken. Boeren. Ik neem aan dat het betekent dat ik me moet verbeelden dat alle Huizen boeren zijn.’ Ze giechelde opeens zenuwachtig, wat ze verdronk met een slok wijn. ‘Als ze boeren waren geweest, had niemand hen als familie beschouwd. Alle bloedlijnen stammen van zoveel eeuwen terug. Maar ze waren het niet, mijn heer Draak...’ Hij bleef met niet meer dan een half oor luisteren en zakte wat dieper weg in zijn stoel. Geen familie.
‘... heeft eenendertig lijnen naar Ishara, terwijl Dyelin er maar dertig heeft en...’
Waarom voelde hij zich opeens zo ontspannen? Er waren knopen uit zijn spieren verdwenen die hij voorheen niet eens had gevoeld. ‘... als ik zo vrij mag zijn te zeggen, mijn heer Draak.’
‘Wat? Vergeef me. Ik was even met mijn gedachten elders... de problemen... Ik miste het laatste dat u zei.’ Er was hem in haar laatste woorden ergens wat opgevallen.
Elenia toonde de slaafse vleierige glimlach die op haar gezicht zo vreemd stond. ‘O. Ik zei net dat u, uzelf, enige gelijkenis vertoont met Tigraine, mijn heer Draak. U zou zelf iets van Ishara’s bloed...’ Ze brak met een gilletje haar woorden af en hij besefte dat hij overeind was gesprongen.
‘Ik... ik voel me wat moe.’ Hij trachtte zijn stem gewoon te laten klinken, maar hij klonk veraf, alsof hij in de leegte verkeerde. ‘Zou je me alleen willen laten, alsjeblieft?’
Hij wist niet wat voor gezicht hij trok, maar Elenia schoot uit haar stoel en zette haastig haar roemer op het tafeltje. Ze beefde, en als haar gezicht eerder bloedeloos had geleken, was het nu lijkwit. Terwijl ze een knix maakte, die zo diep was als van een op diefstal betrapte keukenmeid, haastte ze zich, hem voortdurend aankijkend, naar de deur en wist die eindelijk open te wringen, waarna het geluid van haar hollende muiltjes in de gang wegstierf. Nandera stak haar hoofd om de hoek, keek naar hem en duwde de deur weer dicht. Heel lang stond Rhand in het niets te staren. Geen wonder dat die oeroude koninginnen hem hadden aangestaard. Zij wisten wat hij dacht, terwijl hij het zelf niet eens besefte. Die plotselinge knagende zorg die ongeweten aan hem had gevreten, nadat hij de echte naam van zijn moeder had ontdekt. Maar Tigraine was niet verwant geweest met Morgase. Zijn moeder was geen familie van Elaynes moeder. Hij was geen neef van...
‘Je bent nog erger dan een geile bok,’ zei hij verbitterd hardop. ‘Je bent een dwaas en een...’ Hij wilde dat Lews Therin wat zei, zodat hij tegen zichzelf kon zeggen: dat is een gek en ik ben bij mijn verstand. Voelde hij de dode vorstinnen van Andor of was het Alanna? Hij schreed naar de deur en gooide die open. Nandera en Caldin zaten op hun hurken onder een wandkleed met felgekleurde vogels. ‘Roep je mensen bij elkaar. Ik ga naar Cairhien. Zeg alsjeblieft niets tegen Aviendha.’
27
Geschenken
Egwene liep de stad uit naar het uitgestrekte tentenkamp en probeerde weer wat greep op zichzelf te krijgen, maar ze wist niet zeker of haar voeten eigenlijk wel de grond raakten. Nou ja, ze merkte dat het zo was. Ze voegden hun kleine stofwolkjes toe aan de stormen zand die door warme rukwinden werden meegevoerd. Ze hoestte en wenste dat de Wijzen sluiers droegen. Een omslagdoek om haar hoofd was niet hetzelfde en voelde bovendien aan of ze een zweettent meedroeg. Niettemin leek ze nog steeds op wolken te lopen. Haar hersens leken rond te tollen en niet van de hitte.
Eerst had ze gedacht dat er geen ontmoeting met Gawein zou komen, maar opeens was hij opgedoken, terwijl zij midden tussen de mensenmassa op straat liep. Ze hadden de hele ochtend in het achterkamertje van De Langeman elkaars hand vastgehouden en bij wat thee zitten praten. Ze had hem volkomen schaamteloos gekust zodra de deur dicht was, voordat hij ook maar een beweging in die richting had gemaakt. Ze had zelfs een keer op zijn knie gezeten, al had dat niet lang geduurd. Daardoor begon ze aan zijn dromen te denken – ze kon nog een keer naar binnen glippen – en aan dingen waar geen enkele nette vrouw ooit aan zou mogen denken! Een ongetrouwde vrouw zeker niet. Ze was als een geschrokken hinde opgesprongen, waardoor hij op zijn beurt was geschrokken.
Haastig keek ze rond. De renten waren nog een halve span verder en er was geen levende ziel in de buurt. Als die er was geweest, had die haar rode wangen kunnen zien. Ze besefte dat ze als een idioot achter de omslagdoek liep te grijnzen en veegde de lach van haar gezicht. Licht, ze moest zichzelf in de hand houden. Gaweins sterke armen vergeten en eraan denken waarom ze zoveel tijd in De Langeman hadden doorgebracht.
Ze baande zich een weg door de menigte en gluurde rond naar Gawem, terwijl ze met moeite probeerde net te doen alsof ze met niets bepaalds bezig was. Ze wilde tenslotte niet dat hij haar gretig zou vinden. Opeens boog een man zich naar haar toe en fluisterde heftig: ‘Volg me naar De Langeman.’
Ze sprong ongewild op. Het duurde even voor ze Gawein herkende. Hij droeg een eenvoudige bruine jas en een dunne stofmantel op de rug, de kap was opgetrokken en verborg vrijwel zijn hele gezicht. Hij was niet de enige met een mantel – behalve de Aiel droeg iedereen die de stad uitging er een – maar met die bloedhitte hadden er niet veel hun kap op.
Ze greep hem stevig bij de mouw, toen hij voor haar uit wilde lopen. ‘Hoe kom je erbij dat ik zomaar met jou naar een herberg ga, Gawein Trakand?’ vroeg ze dreigend met toegeknepen ogen. Ze bleef echter wel zachtjes praten; het was niet nodig met een ruzie ieders oog te trekken. ‘We zouden gaan wandelen. Je neemt te veel zomaar op eigen houtje aan. Als je ook maar één tel denkt dat ik...’ Grijnzend fluisterde hij haar haastig toe: ‘De vrouwen met wie ik ben gekomen zijn op zoek naar iemand. Iemand als jij. Als ik er ben, zeggen ze weinig, maar ik heb zo hier en daar wat opgevangen. Volg me nu maar.’ Hij keek verder niet om, maar schreed de straat in en liet het aan haar over hem met kramp in haar buik te volgen. Deze herinnering deed haar met beide voeten op de grond belanden. De zwart geblakerde grond was bijna even heet als de straatstenen onder haar laarszolen. Ze slofte verder in het zand en dacht verwoed na. Gawein had niet veel meer geweten dan hij in die eerste zinnen had gezegd. Hij stelde dat zij nooit die gezochte zuster kon zijn, en dat ze enkel voorzichtig moest zijn als ze geleidde, en zoveel mogelijk uit het zicht moest blijven. Maar hij leek zelf niet echt overtuigd, want hij droeg immers een vermomming. Ze beheerste zich en had niet op zijn kleren gewezen. Hij was zo bezorgd dat ze, als die Aes Sedai haar vonden, allerlei problemen zou krijgen, zo bezorgd dat hij de zusters naar haar zou leiden, en hij toonde zoveel tegenzin om haar niet meer op te zoeken, al stelde hij het wel zelf voor. En hij was er zo van overtuigd dat zij op de een of andere manier naar Tar Valon terug moest sluipen, de Toren in. Dat, of vrede sluiten met Coiren en de anderen, en met hen terugreizen. Licht, eigenlijk zou ze boos op hem moeten zijn omdat hij dacht dat hij alles het beste wist en dat beter wist dan zijzelf, maar om de een of andere reden wilde ze hem daardoor nog meer vergeven en toegeeflijk toelachen. Ze kon gewoon niet nuchter over hem denken, en hij leek al haar gedachten binnen te kruipen. Ze beet op haar lip en richtte haar aandacht op het echte probleem. De Aes Sedai van de Toren. Kon ze zichzelf er maar toe brengen Gawein te ondervragen. Het zou geen verraad van hem zijn. Een vraagje naar hun Ajahs was niet belangrijk, en waar ze in de stad heen gingen, of... Nee! Ze had het zichzelf beloofd en die belofte verbreken zou hem oneer brengen. Geen vragen. Alleen wat hij uit zichzelf vertelde. Uit zijn verhaal had ze niet kunnen opmaken dat men naar Egwene Alveren zocht. Maar ook geen aanwijzing, gaf ze aarzelend toe, om te denken dat ze dat niet deden, alleen heel wat veronderstellingen en veel hoop. Dat een faktoor van de Toren de Aielse niet als Egwene Alveren zou herkennen, wilde niet zeggen dat zo iemand haar naam niet had gehoord, of zelfs iets had opgevangen over Egwene Sedai van de Groene Ajah. Ze kromp in elkaar. Van nu af aan moest ze heel voorzichtig zijn in de stad. Uiterst voorzichtig.