Ze was aan de rand van het kamp gekomen, dat zich over vele spannen uitstrekte en de kale of begroeide heuvels ten oosten van de stad bedekte. Tussen de lage tenten liepen Aiel, maar er was slechts een handvol gai’shain in de buurt. Er was geen enkele Wijze te zien. Ze had een belofte gebroken. Aan Amys, maar eigenlijk aan allen. Noodzaak leek een steeds dunner rietje om haar bedrog vol te houden. ‘Kom erbij, Egwene,’ riep een vrouwenstem. Zelfs onder haar kap viel Egwene gemakkelijk te herkennen, tenzij ze omringd werd door nog jonge Aielvrouwen. Surandha, de leerlinge van Sorilea, had haar donkerblonde hoofd buiten een tent gestoken en zwaaide naar haar. ‘Alle Wijzen hebben ginds ergens een bijeenkomst, en ze hebben ons de hele dag vrij gegeven. De hele dag!’ Dat was een weelde die zelden werd aangeboden en niet een die Egwene wilde laten lopen. Binnen lagen de vrouwen languit op kussens bij olielampen te lezen – de tent werd vanwege het zand dichtgehouden dus was het er donker – of zaten te naaien, te breien of te borduren. Twee speelden kattenbak. Er werd mompelend gepraat en verschillende vrouwen begroetten haar met een glimlach. Het waren niet allemaal leerlingen – twee moeders en enkele eerstezusters waren op bezoek – en de oudere vrouwen droegen evenveel sieraden als een Wijze. Iedereen had het hemd halfopen en de omslagdoek om hun middel geknoopt, al leek de hitte binnen hen niet te deren.
Een gai’shain schoof rond en schonk thee in. Zijn manier van bewegen vertelde dat hij een ambachtsman was, geen algai’d’siswai. Hij had nog steeds een hard gezicht, maar het was wat verzacht en het gehoorzamen leek hem minder moeite te kosten. Hij was een siswai’aman, aan zijn haarband te zien. Geen enkele vrouw keek verbaasd, hoewel gai’shain werden geacht alleen wit te dragen. Egwene bond haar omslagdoek rond haar middel en pakte dankbaar het water aan om haar gezicht en handen te wassen. Ze knoopte daarna de koordjes van haar hemd wat losser en nam plaats op een rood kussen met kwasten tussen Surandha en Estair, de roodharige leerlinge van Aeron. ‘Waar praten de Wijzen over?’ Haar gedachten waren niet bij de Wijzen. Ze zou zeker geen poging meer wagen het herenhuis van vrouwe Arilyn af te luisteren, maar ze was niet van plan de stad geheel te mijden. Ze had beloofd elke ochtend in De Langeman te kijken of Gawein er was, hoewel de laatdunkende grijns op het gezicht van de forse herbergierster haar wangen warm deed aanlopen. Het Licht mocht weten wat die vrouw dacht. Nadat ze Gawein had achtergelaten, was ze dicht in de buurt geweest en had gevoeld dat er binnen nog steeds geleid werd, maar na een snelle blik om de hoek was ze weggegaan. Haar aanwezigheid op de hoek maakte haar onrustig omdat Nesune elk ogenblik achter haar op kon duiken. ‘Weet iemand het?’
‘Jouw zusters, natuurlijk,’ lachte Surandha. Ze was een knappe vrouw met grote blauwe ogen en haar lach maakte haar nog mooier. Ze was ongeveer vijf jaar ouder dan Egwene, een even sterke geleidster als veel Aes Sedai, en wachtte vol ongeduld op een verzoek voor een eigen veste. Ondertussen sprong ze al op wanneer Sorilea slechts dacht aan springen. ‘Waardoor zouden ze anders opspringen alsof ze op zegadestekels zitten?’
‘We moeten Sorilea met hen laten praten,’ zei Egwene, en ze nam een groen gestreepte theemok aan van de gai’shain. Gawein had verteld hoe zijn Jongelingen bij elkaar moesten slapen in de slaapkamers die niet door de Aes Sedai in gebruik waren genomen, en sommigen zelfs in de stal. Hij had zich laten ontvallen dat er zelfs geen plaats meer was voor een tweede keukenmeid en dat de Aes Sedai niemand wilden aannemen. Het was goed nieuws. ‘Sorilea zorgt er wel voor dat elke Aes Sedai, hoeveel het er ook zijn, kaarsrecht zit.’ Surandha lachte luid, met haar hoofd achterover.
Estairs lach klonk zacht en eigenlijk meer dan een beetje geschokt. De slanke jonge vrouw met ernstige grijze ogen gedroeg zich altijd alsof een Wijze haar in het oog hield. Het verbaasde Egwene buitengewoon dat Sorilea een leerlinge had die een en al pret betekende, terwijl Aeron, een aardige, glimlachende Wijze die amper een boos woord gebruikte, een leerlinge had die voortdurend gehoorzaam alle regeltjes leek op te volgen. ‘Ik geloof vanwege de Car’a’carn,’ zei Estair doodernstig. ‘Waarom?’ vroeg Egwene verstrooid. Ze hoefde alleen maar de stad te vermijden. Niet Gawein natuurlijk. Ze schaamde zich dat ze dat moest erkennen, maar ze zou een ontmoeting niet willen missen, tenzij het volkomen zeker was dat Nesune in De Langeman op haar wachtte. Dat betekende dat ze voor de oefeningen weer door het stof rond de stadswallen moest lopen. Vanmorgen was een uitzondering geweest, maar ze wilde de Wijzen geen uitvlucht aan de hand doen waarmee ze haar terugkeer naar Tel’aran’rhiod konden uitstellen. Vannacht zouden ze de Aes Sedai van Salidar nog alleen ontmoeten, maar over zeven nachten zou ze erbij zijn. ‘Hoezo?’
‘Heb je het niet gehoord?’ riep Surandha uit.
Over twee of drie dagen kon ze Nynaeve en Elayne weer benaderen door ze in hun dromen aan te spreken. In elk geval kon ze proberen met hen te praten. Je kon er nooit volkomen zeker van zijn dat de andere persoon wist dat je meer was dan een droom. Tenzij ze aan dit soort gesprekken gewend was, en dat waren Nynaeve en Elayne zeker niet. Ze had nog maar één keer op die manier met hen gesproken. In elk geval verontrustte de gedachte hen op te zoeken haar een beetje. Ze had er wederom een bijna nevelige nachtmerrie over gehad. Telkens wanneer Nynaeve of Elayne een woord wilde zeggen, struikelden ze en vielen plat op hun gezicht, lieten een kop of bord vallen of stootten een vaas om. Het was altijd iets dat bij de eerste schok al kapotkletterde. Nadat ze haar droom over Gawein als zwaardhand had verklaard, had ze dat bij alle dromen getracht. Tot nog toe zonder echt resultaat, maar ze wist zeker dat ze betekenis hadden. Misschien was het het beste de volgende ontmoeting af te wachten. Bovendien bestond altijd de kans dat ze weer op Gaweins droom zou stuiten en meegezogen zou worden. De gedachte alleen bezorgde haar al een rood hoofd. ‘De Car’a’carn is terug,’ zei Estair. ‘Hij ontvangt je zusters vanmiddag.’ Elke gedachte aan Gawein en de dromen verdween, Egwene keek fronsend in haar theekopje. Tweemaal binnen tien dagen. Hij was ongewoon snel terug. Waarom? Had hij op de een of andere manier van de Aes Sedai uit de Toren vernomen? Hoe? En als altijd ontlokte zijn uitstapje weer de hamvraag: hoe doet hij het?