Выбрать главу

‘Hoe doet hij wat?’ vroeg Estair en Egwene knipperde geschrokken met haar ogen omdat ze hardop had gepraat.

‘Hoe komt het dat mijn maag door hem van streek raakt?’

Surandha schudde meelevend en grijnzend haar hoofd. ‘Het is een man, Egwene.’

‘Hij is de Car’a’carn,’ zei Estair heel nadrukkelijk en met te veel eerbied. Egwene zou helemaal niet verbaasd zijn als zij ook zo’n stomme haarband om zou doen.

Surandha viel Estair er meteen op aan. Hoe kon ze ooit een vestehoofd aanpakken, laat staan een sibbehoofd of een stamhoofd, als ze niet besefte dat een man niet anders werd als hij leiding gaf? Estair hield daarentegen strak en ferm vol dat het met de Car’a’carn anders was. Een oudere vrouw, Mera, die op bezoek was bij haar dochter, boog zich naar hen toe en zei dat de manier om een hoofd van een veste of een stam, óf de Car’a’carn aan te pakken dezelfde was als de manier waarop je een echtgenoot aanpakte. Daardoor moest Baerin, een andere bezoekster, lachen en ze merkte op dat je dan heel snel het mes van de dakvrouwe voor je voeten had liggen, een verklaring van een vete. Baerin was voor haar trouwen een Speervrouw geweest, maar iedereen kon met iedereen een vete aangaan, met uitzondering van een Wijze of een smid. Voor Mera goed en wel was uitgesproken, mengden allen, behalve de gai’shain, zich in het gesprek, waardoor de arme Estair werd overstemd – de Car’a’carn was een hoofd onder hoofden, niets hogers in ieder geval – en besprak iedereen wat het beste was: een sibbehoofd rechtstreeks aanschieten of eerst met zijn dakvrouwe praten. Egwene besteedde er weinig aandacht aan. Rhand zou toch geen dwaze dingen doen? Hij koesterde terechte twijfels over Elaida’s brief, maar geloofde niettemin het schrijven van Alviarin dat niet alleen veel hartelijker was, maar regelrecht kruiperig. Hij meende vriendschap, zelfs volgelingen, in de Witte Toren te kunnen vinden. Zij dacht van niet. Drie Eden of geen Drie Eden, ze was ervan overtuigd dat Elaida en Alviarin samen die tweede brief hadden bekonkeld, met al dat belachelijke gepraat over ‘neerknielen in zijn straling’. Het was gewoon een spelletje om hem in de Toren te krijgen.

Ze tuurde droevig naar haar handen, zuchtte en zette haar kopje neer. De gai’shain had het al opgepakt voor haar hand zich had teruggetrokken.

‘Ik moet weg,’ zei ze tegen de twee leerlingen, ik besef opeens dat ik nog iets moet doen.’ Surandha en Estair zeiden iets in de zin van meegaan – nou, meer dan iets, want als Aiel iets zeiden, meenden ze het ook – maar ze gingen helemaal in het gesprek op en maakten geen tegenwerpingen toen Egwene erop stond dat ze bleven. Ze sloeg haar omslagdoek weer om het hoofd en liet de steeds luidere stemmen achter. Mera gaf net Estair in niet mis te verstane woorden te kennen dat ze uiteindelijk een Wijze zou worden, maar dat ze tot die dag best mocht luisteren naar een vrouw die een man in toom hield en zonder hulp van een zustervrouw drie dochters en twee zoons had opgevoed. Egwene dook het rondwervelende stof weer in.

In de stad probeerde ze door de overvolle straten te sluipen zonder dat het op sluipen leek, ze probeerde alle kanten op te kijken en de indruk te geven alleen recht voor zich uit te kijken. De kans Nesune tegen het lijf te lopen was klein, maar... Voor haar stapten twee vrouwen, in eenvoudige kleren en kraakheldere schonen, opzij om de ander voorbij te laten, maar beiden stapten dezelfde kant op zodat ze weer recht tegenover elkaar stonden. Ze verontschuldigden zich zacht en iedere vrouw stapte weer opzij. Dezelfde kant op. Nog meer verontschuldigingen, en als in een dans bewogen ze beiden opnieuw. Tegelijk. Toen Egwene langs hen liep, stapten ze nog in volmaakte eenheid links en rechts, terwijl hun gezichten rood werden en verontschuldigingen werden weggeslikt achter opeengeperste lippen. Ze had geen idee hoe lang dat nog door kon gaan, maar het was goed eraan te denken dat de ta’veren Rhand in de stad was. Licht, met hem in de buurt werd het zelfs aannemelijk dat ze tegen alle zes Aes Sedai zou botsen, waarbij tegelijk een windvlaag de doek van haar hoofd rukte en drie mensen haar met Egwene Sedai aanspraken. Met Rhand in de stad zou het zelfs niet ongelooflijk zijn als ze Elaida tegen het lijf liep.

Ze haastte zich verder met steeds wildere ogen en werd steeds ongeruster dat ze gevangen zou worden in een kolking van de ta’veren. Gelukkig stapten de mensen snel opzij bij het zien van een Aielse met wilde ogen en het hoofd in een doek – ze kenden toch niet het verschil tussen een doek en een sluier – waardoor ze bijna kon hollen, maar ze kwam pas op adem nadat ze door een achterdeurtje het Zonnepaleis was binnengeglipt.

Er hing een sterke eetlucht in de smalle gang en mannen en vrouwen in livrei haastten zich weg of kwamen terug. Anderen, in hemdsmouwen, bliezen even uit of wapperden met hun schort voor wat koelte. Allen staarden haar stomverbaasd aan. Waarschijnlijk was hier bij de keukens al die jaren nooit iemand anders dan een bediende geweest en zeker geen Aielse. Ze keken of Egwene meteen een speer onder haar rok vandaan zou halen.

Ze wees een rond mannetje aan die zijn nek met een doek afveegde. ‘Weet jij waar Rhand Altor is?’

Hij schrok, zijn ogen schoten schichtig naar de andere bedienden die snel wegschoven. Schuifelend met zijn voeten wilde hij heel graag hun voorbeeld volgen. ‘De Drakenheer, eh... vrouwe? In zijn vertrekken? Dat neem ik tenminste aan.’ Hij schuifelde buigend opzij. ‘Als vrouw... eh... als mijn vrouwe me wil vergeven dan moet ik weer aan...’

‘Jij brengt me erheen,’ zei ze ferm. Ditmaal ging ze niet ronddolen. Hij onderdrukte snel een zucht, liet zijn ogen nog eenmaal naar zijn verdwenen vrienden schieten en wierp haar een snelle, angstige blik toe om te zien of hij haar had beledigd. Daarna schuifelde hij weg om zijn livrei te pakken. Hij vond handig zijn weg door het doolhof van paleisgangen, liep snel, bij elke hoek haar toebuigend, en ten slotte wees hij met een buiging op de grote deuren die de gouden rijzende zon vertoonden en bewaakt werden door een Speervrouw en een Aielman. Ze voelde even verachting toen ze hem wegstuurde. Ze begreep niet waarom; hij deed enkel waarvoor hij loon kreeg. De Aielman bleef gewoon staan terwijl ze aan kwam lopen, een heel lange man van middelbare leeftijd, met een tors en schouders als een bierton en kille grijze ogen. Egwene kende hem niet en hij was zichtbaar van plan haar weg te sturen. Gelukkig kende ze de Speervrouw. ‘Laat haar maar door, Maric,’ zei Somara grijnzend. ‘Dit is de leerlinge van Amys, van haar en Bair en Melaine. Volgens ons de enige leerlinge die drie Wijzen tegelijk dient. En zo te zien moest ze van hen met enkele welgekozen woorden naar Rhand Altor hollen.’

‘Hollen?’ Marics gegrinnik verzachtte zijn gezicht en ogen niet. ‘Kruipen, lijkt wel.’ Hij richtte zijn ogen weer op de gang. Egwene hoefde niet te vragen wat hij bedoelde. Ze trok een doekje uit haar riembuidel en veegde haastig haar gezicht af. Niemand nam je woorden ernstig als je heel vuil binnenkwam en Rhand moest luisteren. in elk geval belangrijke woorden, Somara. Hij is alleen, hoop ik? De Aes Sedai zijn er nog niet?’ Het doekje zag er smerig en vuil uit en zuchtend stopte ze het weg in haar beurs.

Somara schudde het hoofd. ‘Dat duurt nog wel even. Wil je tegen hem zeggen voorzichtig te zijn? Ik wil niet oneerbiedig doen over je zusters, maar hij kijkt niet voor hij springt. Hij is dwars.’ ik zal het hem zeggen.’ Egwene kon een grijns niet bedwingen. Ze had Somara al eerder zo horen praten – met die vermoeide moederlijke trots voor een al te avontuurlijke zoon van ongeveer tien – en enkele andere Speervrouwen praatten net zo. Het moest een soort Aielgrapje zijn en ook al begreep ze het niet, ze steunde van harte elke poging te voorkomen dat hij naast zijn schoenen ging lopen, ik zal hem ook vertellen dat hij zijn oren moet wassen.’ Somara kon niet voorkomen dat ze knikte. Egwene haalde diep adem. ‘Somara, mijn zusters mogen niet horen dat ik hier ben.’ Maric keek haar nieuwsgierig aan, tussen zijn blikken op elke bediende die de gang in kwam lopen. Ze moest oppassen. ‘We zijn niet echt bevriend, Somara. Je mag feitelijk zeggen dat we als zusters niet verder van elkaar af kunnen staan.’