Выбрать главу

‘Het ergste kwade bloed bestaat tussen eerstezusters,’ zei Somara knikkend. ‘Ga naar binnen. Van mij zullen ze je naam niet horen en als Marics tong te veel ratelt, draai ik er een knoop in.’ Maric, die met kop en schouders boven haar uitstak en wel twee keer zo zwaar was, glimlachte zonder haar aan te kijken.

De gewoonte van de Speervrouwen haar zonder aankondiging naar binnen te laten gaan, had haar in het verleden al verlegen ogenblikken bezorgd, maar ditmaal zat Rhand niet in bad. De vertrekken hadden zo te zien de koning toebehoord en de voorkamer was meer een troonzaal in het klein. Klein in vergelijking met de echte troonzaal. De menslange kronkelstralen van de gouden zon, ingelegd in de glimmende stenen vloer, waren de enige ronde vormen in het vertrek. Hoge spiegels in strakke gouden lijsten hingen aan de muren onder brede, rechte vergulde banden, en de brede kroonlijst bestond uit gouden driehoeken die elkaar als schubben overlapten. Zwaar vergulde stoelen, aan weerszijden van de rijzende zon, zorgden met hun hoge rugleuningen voor twee strakke opgaande lijnen. Rhand zat in een andere stoel, die nog zwaarder verguld was, een veel hogere rug had en op een kleine verhoging stond die ook weer met goud was afgezet. Rhand droeg een roodzijden jas met goudborduursel, en in de kromming van zijn arm lag de fraai bewerkte Seanchaanse speer. Hij keek boos. Hij leek een koning, een die een moord ging plegen.

Ze zette haar vuisten in haar zij. ‘Somara zei dat je meteen je oren moest wassen, jongeman.’ Zijn hoofd schoot omhoog. Verrassing en iets van woede waren kort zichtbaar. Grijnzend stapte hij omlaag en gooide de halve lans op de zitting. ‘Bij het Licht, wat heb jij uitgespookt?’ Hij liep naar haar toe, pakte haar bij de schouder en draaide haar om zodat ze in een spiegel kon kijken.

Onwillekeurig kromp ze in elkaar. Ze zag er niet uit. Het stof dat door de doek was gedrongen – modder nu, door al dat zweet – trok strepen over haar wangen en ronde vegen op het voorhoofd, waar ze had getracht het schoon te vegen.

‘Ik zal Somara wat water laten halen,’ zei hij droog. ‘Misschien denkt zij dat het voor mijn oren is.’ Zijn grijns was onverdraaglijk. ‘Dat hoeft niet,’ zei ze hem, zo waardig als ze op kon brengen. Ze wilde zich hier niet wassen. Dat gunde ze hem niet. Ze trok het reeds smerige doekje uit haar beurs en begon gehaast het ergste weg te poetsen. ‘Je ontmoet Coiren en de anderen straks. Ik hoef je niet te waarschuwen dat ze gevaarlijk zijn, hè?’

‘Ik denk dat je dat net hebt gedaan. Ze komen niet allemaal. Ik heb gezegd niet meer dan drie, dus komen ze met drie.’ In de spiegel hield hij zijn hoofd schuin alsof hij luisterde. Hij knikte en zijn stem klonk fluisterzacht. ‘Ja, ik kan er drie aan als ze niet te sterk zijn.’ Opeens merkte hij dat ze keek. ‘Maar als een van hen Moghedien met een pruik op is, of Semirhage, zit ik natuurlijk in de prut.’

‘Rhand, maak er geen grapjes over.’ Het doekje hielp niet veel. Met enorme tegenzin spuugde ze erop; je kon niet keurig op een doekje spugen, ik weet hoe sterk je bent, maar het zijn Aes Sedai. Je kunt je niet gedragen alsof het vrouwen van het platteland zijn. Ook al neem je aan dat Alviarin aan je voeten zal neerknielen met al haar vriendinnen erbij; deze zusters komen van Elaida. Je denkt toch niet dat ze iets anders willen dan jou aan de lijn leggen, hè? Kort en goed komt het hierop neer: je kunt ze beter wegsturen.’

‘En jouw ondergedoken vriendinnen vertrouwen?’ vroeg hij zacht. Veel te zacht.

Aan haar gezicht kon ze niets meer doen. Ze had het aanbod van water moeten aannemen. Nu ze had geweigerd, kon ze er ook niet meer om vragen. ‘Je weet dat je Elaida niet kunt vertrouwen,’ zei ze voorzichtig, terwijl ze hem weer aankeek. Denkend aan wat er de vorige keer was gebeurd, wilde ze het niet eens hebben over de Aes Sedai in Salidar. ‘Dat weet je.’

‘Ik vertrouw geen enkele Aes Sedai. Ze zullen proberen mij te...’ – er klonk een aarzeling in door alsof hij een ander woord wilde kiezen maar ze kon niet bedenken welk – ‘gebruiken en ik zal trachten hen te gebruiken. Een mooie gesloten kring, nietwaar?’ Als ze ooit de mogelijkheid overwoog hem in de buurt te laten komen van de Aes Sedai in Salidar, dan gaven zijn ogen haar nu ongelijk. Ze keken zo hard en koud dat ze inwendig rilde.

Als hij misschien kwaad genoeg werd, als hij genoeg vlammen bij Coiren aanwakkerde zodat het gezantschap met lege handen naar de Toren terugkeerde, alleen... ‘Als jij zoiets mooi vindt, dan neem ik aan dat het zo is. Jij bént de Herrezen Draak. Nou, aangezien je van plan bent ermee door te gaan, kun je het maar beter goed doen. Denk eraan dat het Aes Sedai zijn. Zelfs een koning luistert met eerbied naar een Aes Sedai, ook al is hij het niet met hen eens, maar hij zou na een oproep wel meteen te paard naar Tar Valon gaan. Ook de Hoogheren en zelfs Pedron Nial.’ De dwaas grinnikte weer of liet in ieder geval zijn tanden zien. De rest van zijn gezicht vertelde evenveel als een rotswand. ‘Ik hoop dat je luistert. Ik probeer je te helpen. Laat ze niet blazen als verzopen katten. Ze zullen van de Herrezen Draak even weinig onder de indruk komen als ik, ondanks je mooie jas, de troon of die stomme staf.’ Ze keek kwaad naar de halve speer met de kwast. Licht, ze kreeg kippenvel van dat ding! ‘Ze vallen niet op hun knieën neer als ze je zien en je gaat er niet aan dood als ze dat niet doen. Je gaat er ook niet aan dood als je enige hoffelijkheid toont. Buig die koppige nek van je eens. Het is niet vernederend om gepaste achting te tonen en wat bescheidenheid.’

‘Gepaste achting,’ zei hij nadenkend. Zuchtend schudde hij droevig het hoofd en streek met een hand door zijn haar. ‘Ik neem aan dat ik tegen een Aes Sedai niet op dezelfde manier kan praten als tegen een heer die achter mijn rug om plannetjes smeedt. Een goede raad, Egwene. Ik zal het proberen. Ik zal zo nederig zijn als een muis.’ Ze wilde niet laten merken dat ze haast had en wreef opnieuw haar gezicht af met het doekje om haar stomverbaasde blik te verbergen. Ze wist niet echt zeker of haar ogen uitpuilden, maar ze dacht van wel. Haar hele leven had hij zijn kin hoog gehouden en volgehouden dat links beter was wanneer zij hem erop wees dat het rechts moest zijn! Waarom ging hij juist nu naar haar luisteren?

Was er iets goeds aan de huidige toestand? Het zou hem geen kwaad doen als hij de Aes Sedai enige achting betoonde, zelfs als ze Elaida steunden. Het was het idee van onbeschaamdheid bij een zuster dat haar echt van haar stuk bracht. Daarentegen wilde ze ook dat hij onbeleefd was, zo hoogmoedig als hij nooit eerder was geweest. Het had geen zin alles weer in te trekken. Nu niet, zo dom was hij niet. Slechts doodvermoeiend.

‘Ben je alleen daarvoor gekomen?’ vroeg hij.

Ze kon nog niet vertrekken. Er bestond een kans dat ze alles nog goed kon breien of er tenminste voor kon zorgen dat hij niet zo’n schaapskop was om mee naar Tar Valon te gaan. ‘Weet je dat er een golfvrouwe van het Zeevolk op een schip in de rivier is? Wit Schuim heet het.’ Dat was een even goed onderwerp als wat dan ook. ‘Ze is hier gekomen om met je te praten en ik hoor dat ze ongeduldig wordt.’ Dat laatste had ze van Gawein. Erian had zich naar het schip laten roeien om uit te zoeken wat het Zeevolk zo ver van zee deed. Ze had geen toestemming gekregen aan boord te komen en was teruggekeerd met een stemming die je bij een gewone vrouw laaiend noemde. Egwene had een redelijk vermoeden waarom ze er waren, maar dat ging ze Rhand niet aan de neus hangen. Hij mocht ook weleens iemand ontmoeten zonder de verwachting dat ze neerknielden. ‘De Atha’an Miere zit blijkbaar overal.’ Rhand ging in een van de stoelen zitten. Om de een of andere reden verkneukelde hij zich, maar ze durfde te zweren dat het met het Zeevolk niets te maken had. ‘Berelain zegt dat ik die Harine din Togara Tweewinden dien te ontvangen, maar als ze het karakter heeft dat Berelain beschrijft, mag ze wachten. Er zijn al meer dan genoeg vrouwen boos op me.’ Dat gaf haar bijna een kans, maar niet helemaal. ‘Ik begrijp niet waarom. Je hebt altijd iets innemends over je.’ Onmiddellijk wenste ze dat niet te hebben gezegd. Het versterkte slechts wat ze niet wilde dat hij deed.