Выбрать главу

Hij leek haar niet te hebben gehoord en fronste. ‘Egwene, ik weet dat je Berelain niet mag, maar ga je niet te ver? Ik bedoel, het lukt je uitstekend een echte Aielse te worden. Ik kan me voorstellen dat je haar nog eens aanbiedt met de speren te dansen. Ze was stil door iets, verontrust, maar wilde niets zeggen.’

Waarschijnlijk had de vrouw een man getroffen die nee tegen haar had gezegd. Dat was al voldoende om Berelains wereld tot in haar grondvesten te laten schudden. ‘Ik heb na de Steen van Tyr nog geen tien woorden tegen haar gezegd en daarvoor niet veel meer. Rhand, denk je niet dat...’

Een van de deuren ging wijd genoeg open voor Somara, die hem meteen weer achter zich sloot. ‘De Aes Sedai zijn er, Car’a’carn.’ Rhands hoofd wendde zich pijlsnel naar de deur, zijn gezicht was van steen. ‘Ze zouden pas...! Dus ze willen me onverhoeds overvallen, niet? Ze zullen moeten leren dat ik hier de regels bepaal.’ Op datzelfde ogenblik kon het Egwene niets schelen of ze hem in zijn ondergoed wilden betrappen. Elke gedachte aan Berelain verdween. Somara maakte een gebaartje dat misschien medeleven uitdrukte. Ook dat kon haar niets schelen. Als zij het vroeg, kon Rhand ervoor zorgen dat de Aes Sedai haar niet meenamen. Ze moest dan wel voortaan vlak bij hem blijven, zodat ze haar niet konden afschermen en ontvoeren zodra ze het waagde haar neus op straat te vertonen. Ze hoefde het maar te vragen en zich onder zijn bescherming te stellen. Vergeleken met een ontvoering in een zak naar de Witte Toren was die keus zo weinig beter dat ze er maagpijn van kreeg. Allereerst zou ze nooit Aes Sedai worden wanneer ze zich achter zijn rug verborg, en verder knarsten haar tanden al bij het idee zich achter iemand te verbergen. Maar ze waren ei; vlak achter de deur en binnen de kortste keren kon ze zo goed als in die zak zitten. Langzaam en diep ademhalen hielp niets om haar gevoelige zenuwen te bedaren. ‘Rhand, is er een andere uitgang? Als die er niet is, verberg ik me in een van de andere kamers. Ze mogen niet weten dat ik hier ben. Rhand? Rhand! Luister je?’

Hij zei iets, maar zeer zeker niet tegen haar. ‘Jij bent er wél,’ fluisterde hij hees. ‘Het is geen toeval meer dat je dat precies nu denkt.’ Hij staarde met een woeste, misschien bevreesde blik in het niets. ‘Bloedvuur, geef antwoord! Ik weet dat je er bent!’

Egwene maakte haar lippen vochtig voor ze zich kon bedwingen. Somara mocht Rhand best aangapen met een diepgevoelde moederlijke zorg – terwijl hij de grap niet eens opving – maar Egwenes maag maakte misselijke rondjes. Hij kon niet plotseling krankzinnig zijn geworden. Dat kon niet. Maar het leek erop dat hij zojuist naar een verborgen stem had geluisterd en misschien ook iets had gezegd. Ze herinnerde zich niet dat ze naar hem toeliep, maar opeens hield ze haar hand tegen zijn voorhoofd. Nynaeve zei altijd dat je eerst moest kijken of iemand koorts had, maar wat voor zin dat op dit ogenblik had... Wist ze maar meer dan dat kleine beetje van Heling, maar ook dat zou hier niet helpen. Niet als hij... ‘Rhand, ben je...? Voel je je wel goed?’

Hij vermande zich en schoof achteruit, weg van haar hand en gluurde haar achterdochtig aan. Meteen daarna richtte hij zich op, greep haar arm en sleurde haar zo snel de kamer door dat ze bijna over haar rok struikelde om hem bij te houden. ‘Blijf daar stilstaan,’ beval hij bruusk, terwijl hij haar naast de verhoging plaatste en achteruitstapte. Terwijl ze stevig en vooral opvallend over haar arm wreef, wilde ze hem achternalopen. Mannen beseften nooit hoe sterk ze waren. Zelfs Gawein wist dat niet, al vond ze dat bij hem niet erg. ‘Wie denk je wel dat je...’

‘Blijf daar!’ Vol afkeer voegde hij eraan toe: ‘Vloekvent, het lijkt wel of het rimpelt als je je beweegt. Ik ga hem aan de vloer bevestigen, maar je kunt nog steeds niet rondspringen. Ik weet niet hoe groot ik het kan maken en dit is niet de tijd om dat uit te zoeken.’ Somara’s mond was opengevallen, hoewel ze hem meteen weer dichtklemde. Aan de vloer bevestigen? Waar had hij het over? Het antwoord overviel haar zo plotseling dat ze vergat naar die vent te vragen. Rhand had saidin om haar heen geweven. Haar ogen gingen wijd open. Ze ademde te snel, maar kon zich niet beheersen. Was het dicht bij haar? Ieder vezeltje verstand zei haar dat de bezoedeling niet uit zijn geweven stroom kon sijpelen. Hij had haar al eerder met saidin aangeraakt, maar dat idee maakte het slechts erger. Als vanzelf trok ze haar schouders bij elkaar en hield haar rok strak om zich heen. ‘Wat...? Wat heb je gedaan?’ Ze was heel trots het zo te kunnen zeggen, wat trillerig misschien, maar in de verste verte geen krijsend gejank.

‘Kijk eens in de spiegel,’ lachte hij. Lachte!

Mopperig gehoorzaamde ze... en haar mond viel wijd open. Daar, in het verzilverde glas zag ze de vergulde stoel op de verhoging, een deel van de rest van de kamer, maar niet haarzelf, ik... ik ben onzichtbaar,’ zuchtte ze. Moiraine had hen eens achter een scherm van saidar verborgen, maar hoe had hij dit geleerd?

‘Veel beter dan je onder mijn bed te verstoppen,’ zei hij tegen een stuk lucht dat zich rechts van haar hoofd bevond. Alsof ze ooit aan zoiets zou denken! ik wil je laten zien hoeveel achting ik kan opbrengen.’ Zijn stem klonk weer ernstig. ‘Bovendien zul je misschien iets opmerken wat ik mis. Misschien ben je zelfs bereid het mij te vertellen.’ Met een blaffende lach sprong hij op de verhoging, pakte de speer op en ging zitten. ‘Stuur ze maar binnen, Somara. Laat het gezantschap van de Witte Toren de Herrezen Draak naderen.’ Zijn verwrongen glimlach maakte Egwene net zo ongerust als de nabijheid van de geweven saidin. Hoe dichtbij was dat bloedspul?

Somara verdween en even later gingen beide deuren wijd open. Een plompe, statige vrouw in een donkerblauw gewaad, dat moest Coiren zijn, kwam als eerste binnen. Eén pas achter haar volgden Nesune, in een eenvoudig bruin wollen gewaad, en een ravenzwarte Aes Sedai in groene zijde, een mooie vrouw met een rond gezicht en een volle veeleisende mond. Egwene zag graag dat een Aes Sedai de kleuren van haar Ajah droeg, en Witten deden het bij elke gelegenheid. Die derde vrouw kon van alles zijn, maar zeker geen Groene, aan de harde blik te zien die ze op Rhand wierp zodra ze een stap in het vertrek had gezet. Kille waardigheid verborg haar minachting amper, verborg het misschien voor iedereen die niet aan Aes Sedai gewend was. Zou het Rhand opvallen? Misschien niet. Hij leek alleen aandacht voor Coiren te hebben, maar van haar gezicht viel niets af te lezen. Nesune nam natuurlijk alles in haar op; haar felle ogen schoten alle kanten uit. Op dat ogenblik was Egwene heel blij met de verhulling die hij voor haar had geweven. Ze wilde haar gezicht afdeppen met het doekje in haar hand, maar verstarde meteen. Hij had gezegd dat hij het aan de vloer had vastgemaakt. Had hij dat gedaan? Licht, voor zover zij wist kon ze hier open en bloot voor hun ogen staan. Al gleed Nesunes blik wel zonder hapering door haar heen. Zweet druppelde van Egwenes gezicht. Het stroomde van haar gezicht. Bloedvuur! Ze zou volmaakt gelukkig zijn geweest met een schuilplekje onder zijn bed! De Aes Sedai werden gevolgd door ruim tien andere vrouwen, eenvoudig gekleed en met een ruw linnen stofmantel over hun rug. De meesten zagen er sterk uit, maar het gewicht van twee niet al te kleine kisten deed hen zwoegen. De glimmende koperbanden toonden de Vlam van Tar Valon. De dienstmeiden zetten de kisten met een hoorbare zucht van opluchting neer, bewogen hevig hun armen of duwden hun vuisten in de rug. De deuren sloegen dicht en Coiren en de andere twee maakten volmaakt tegelijk een knix, al was die niet erg laag. Rhand was zijn stoel al uit voor ze weer recht stonden. De gloed van saidar omringde de Aes Sedai. Van alle drie samen; ze hadden zich gekoppeld. Egwene probeerde zich te herinneren wat ze had gezien en hoe ze het hadden gedaan. Ondanks de gloed zagen ze er uiterlijk kalm en onverstoorbaar uit, terwijl Rhand naar de dienstmeiden beende en gezicht voor gezicht strak bekeek.