Выбрать главу

Wat was hij aan...? Natuurlijk! Hij wilde zeker weten dat niemand het leeftijdloze gezicht van een Aes Sedai had. Egwene schudde het hoofd en verstarde weer. Hij was een dwaas als hij dat afdoende vond. De meesten zagen er veel te oud uit – niet gewoon oud, maar je kon hun leeftijd schatten – maar er waren er twee zo jong dat ze pas verheven zusters konden zijn. Ze waren geen... Egwene kon de vaardigheid alleen in de drie Aes Sedai voelen, en ze was er dicht genoeg bij – maar hij kon het zeker niet op het oog ontdekken.

Hij tilde de kin van een jonge vrouw op en glimlachte in haar ogen. ‘Wees niet bang,’ zei hij zachtjes. Ze wankelde alsof ze ging flauwvallen. Met een zucht draaide Rhand zich om. Hij keek de Aes Sedai niet aan terwijl hij langs hen liep. ‘U geleidt niet in mijn aanwezigheid,’ zei hij vastberaden. ‘Laat gaan.’ Er gleed een schattende blik over Nesunes gezicht, maar de andere twee keken plechtig toe hoe hij ging zitten. Zijn arm wrijvend – Egwene was erbij geweest toen hij voor het eerst die prikkels herkende – zei hij luider: ik zei dat jullie bij mij niet geleiden. Zelfs geen saidar omhelzen.’

Een heel lang ogenblik gleed voorbij, terwijl Egwene in stilte bad. Wat zou hij doen als ze de Ware Bron bleven vasthouden? Proberen hen af te schermen? Een vrouw af te snijden van saidar wanneer ze het al had omhelsd, was veel moeilijker dan haar van tevoren afschermen. Ze wist niet zeker of hij dat kon met drie vrouwen die bovendien gekoppeld waren. Nog erger, wat zouden zij doen als hij iets wilde proberen? De gloed verdween en ze kon nog net voorkomen dat ze opgelucht zuchtte. Zijn weefsel maakte haar onzichtbaar, maar smoorde duidelijk geen enkel geluid.

‘Veel beter.’ Rhands glimlach was voor alle drie, maar ontbrak volkomen in zijn ogen. ‘Laten we opnieuw beginnen. Dit is het begin. Jullie zijn geëerde gasten en jullie zijn net binnengekomen.’ Ze begrepen het natuurlijk. Hij was niet aan het raden. Coiren verstijfde iets, en de ogen van de ravenzwarte vrouw werden echt wat groter. Nesune knikte slechts in zichzelf en voegde in gedachten iets aan haar aantekeningen toe. Egwene hoopte wanhopig dat hij zou oppassen. Nesune zou niets over het hoofd zien.

Het kostte Coiren zichtbaar moeite, maar ze sterkte zich, streek haar gewaad goed en ging bijna de stola schikken die ze niet droeg, ik heb de eer,’ verkondigde ze op galmende toon, ‘Coiren Saeldain Aes Sedai te zijn, gevolmachtigde van de Witte Toren en speciale gezant van Elaida do Avriny a’Roihan, Waker van de Zegels, de Vlam van Tar Valon, de Amyrlin Zetel. De andere twee stelden zich iets minder uitbundig voor, met hun eretitel van Aes Sedai. De vrouw met de harde ogen bleek Galina Casban te zijn.

‘Ik ben Rhand Altor.’ De eenvoud was een scherpe tegenstelling. Zij hadden de woorden Herrezen Draak niet gebruikt, hij evenmin, maar op de een of andere manier leek de titel toch zwak in het vertrek rondgefluisterd te worden.

Coiren haalde diep adem en bewoog haar hoofd alsof ze dat gefluister hoorde. ‘Wij zijn hier om een goedgunstige uitnodiging aan de Herrezen Draak te overhandigen. De Amyrlin Zetel heeft waargenomen en volledig onderkend dat er tekenen zijn geschied en voorspellingen vervuld, waardoor...’ Binnen korte tijd bereikte de lage, doordringende stem het punt dat Rhand ‘met alle zo terechte eer’ mee behoorde te gaan naar de Witte Toren en dat Elaida bij zijn welwillende instemming niet slechts de bescherming van de Witte Toren aanbood, maar hem ook verzekerde van de volle steun die het gezag en de invloed van die Witte Toren hem konden geven. Er bloeiden nog vele bloemen in Coirens toespraak voor ze besloot met: ‘... en als teken hiervan zendt zij u dit kleine geschenk.’

Ze wendde zich naar de kisten, hief haar hand en aarzelde toen met een uiterst zwak glimlachje. Ze moest tweemaal wenken voor de dienstmeiden het begrepen en de met koper beslagen deksels optilden. Blijkbaar was het plan geweest ze met saidar open te gooien. De kisten zaten vol leren zakken. Op een tweede, nog feller gebaar knoopten de vrouwen de zakken open.

Egwene slikte een zucht weg. Geen wonder dat die vrouwen zo hadden gesteund en gekreund. In de open zakken glommen gouden munten van iedere waarde, fonkelden ringen en glinsterden kettingen en losse edelstenen. Zelfs als er rommel tussen zat, zou het een fortuin zijn.

Achteruitgeleund in de troon keek Rhand naar de kisten met iets dat een glimlach benaderde. De Aes Sedai namen hem op, hun gezichten vormden strakke maskers, maar Egwene dacht iets van voldoening in Coirens ogen te ontdekken en wat meer verachting rond de volle lippen van Galina. Nesune... Nesune was het echte gevaar. Opeens klapten de deksels onaangeraakt hard dicht en de dienstmeiden sprongen opzij en wisten hun gegil niet te onderdrukken. De Aes Sedai verstijfden en Egwene riep even vurig het Licht aan als ze stond te zweten. Ze wilde dat hij hovaardig en een tikje lomp overkwam, maar niet zo erg dat ze met strakke rug zouden besluiten hem ter plekke te stillen.

Opeens bedacht ze dat hij tot dusver weinig ‘nederig als een muis’ was geweest. Hij was het nooit van plan geweest. De man had wat gespeeld met haar! Als ze niet zo bang was geweest dat haar knieën knikten, was ze naar hem toegegaan en had ze hem een draai om zijn oren gegeven.

‘Dat is heel veel goud,’ zei Rhand. Hij leek ontspannen en zijn glimlach vulde zijn hele gezicht, ik kan goud altijd nuttig gebruiken.’ Egwene knipperde met haar ogen. Het klonk bijna hebzuchtig! Coiren beantwoordde hem met een eigen glimlach, en leek nu het toonbeeld van overtuigde voldoening. ‘De Amyrlin Zetel is uiteraard zeer vrijgevig. Bij uw aankomst in de Witte Toren...’

‘Mijn aankomst in de Witte Toren,’ onderbrak Rhand haar alsof hij hardop nadacht. ‘Ja, ik zie met verlangen uit naar de dag dat ik in de Toren sta.’ Hij boog zich naar voren, een elleboog op zijn knie, en de Drakenstaf slingerde wat heen en weer. ‘Dat zal een tijdje duren, begrijpt u. Ik moet eerst nog wat afspraken nakomen, hier, in Andor, elders.’

Coirens mond verstrakte kort. Haar stem bleef echter even gladjes en vol. ‘We vinden het zeker geen enkel bezwaar om enkele dagen te rusten voor we aan onze terugreis naar Tar Valon beginnen. Mag ik u voor die korte tijd voorstellen dat een van ons u terzijde staat, om u raad te geven voor het geval u dat wenst? Wij hebben natuurlijk gehoord van Moiraines ongelukkige verscheiden. Ik kan mezelf niet voordragen, maar Nesune Sedai of Galina Sedai zouden uw verzoek ter wille zijn.’ Rhand nam het tweetal met een frons op en Egwene hield de adem in. Hij leek opnieuw ergens naar te luisteren of te luisteren of hij iets hoorde. Op haar beurt nam Nesune hem even openlijk op als hij haar opnam. Onbewust streken Galina’s vingers langs haar rok. ‘Nee,’ zei hij uiteindelijk en hij schoof weer naar achter met zijn armen op de armleuning, waardoor het zelfs nog meer op een troon leek dan eerst. ‘Het zou onveilig kunnen zijn. Ik zou het onaangenaam vinden als een van u per ongeluk een speer door de ribben krijgt.’ Coiren wilde wat zeggen maar hij overstemde haar. ‘Voor uw eigen veiligheid zou niemand van u mij dichter dan een span moeten benaderen. Het is het beste als u zo ver mogelijk van het Zonnepaleis vandaan blijft, tenzij u toestemming heeft. Ik zal het u laten weten wanneer ik klaar ben om mee te gaan, dat beloof ik.’ Opeens stond hij op. Op de verhoging stak hij zo ver boven de Aes Sedai uit dat die hun hoofd in de nek moesten leggen en aan de drie vrouwen was duidelijk te zien dat ze dit net als het onderhoud niet zo fijn vonden. Drie gezichten als uit rotssteen gehouwen staarden hem aan. ‘Ik zal u nu terug laten keren naar uw verblijf. Hoe sneller ik bepaalde dingen kan afhandelen, hoe eerder ik naar de Toren kan. Ik zal u berichten wanneer ik u weer kan ontvangen.’ Ze waren er niet blij mee zo plotseling te worden weggestuurd, het wegsturen op zich was al onaangenaam – Aes Sedai bepaalden zelf wanneer een ontvangst was afgelopen – maar ze konden slechts kleine kniebuiginkjes maken, waarbij hun ontevredenheid bijna door hun Aes Sedai-kalmte heen brak.