Выбрать главу

Galina snoof. ‘Je hoeft nog niet bevriend met haar te zijn om te weten dat ze in orde was bij ons vertrek.’ Nesune vroeg zich af of de vrouw wist dat ze pruilde. Misschien stond haar mond gewoon zo, maar je leerde toch te leven met je gezicht. ‘Denk je dat hij het echt wist?’ vervolgde Galina. ‘Dat wij... Het is onmogelijk. Hij moet het geraden hebben.’

Nesunes oren spitsten zich, hoewel ze tegen haar lippen bleef tikken. Dit was duidelijk een poging om van onderwerp te veranderen en bovendien een teken dat Galina zenuwachtig was. Weer bleef het een heel lange tijd stil, omdat niemand over Altor wilde praten en er geen ander onderwerp mogelijk leek te zijn. Waarom wilde Galina niet over Alviarin praten? Die twee waren zeker geen vriendinnen. Het kwam zelden voor dat een Rode een vriendin buiten haar eigen Ajah had. Nesune borg de vraag in een eigen vakje van haar geest op. ‘Als hij het heeft geraden, zou hij veel geld kunnen verdienen bij een beestenspul.’ Coiren was geen dwaas. Ongelooflijk hoogdravend, maar nooit dwaas. ‘Hoe belachelijk het misschien ook lijkt, we moeten aannemen dat hij saidar in een vrouw kan voelen.’

‘Dat kan rampzalig zijn,’ mompelde Galina. ‘Nee, het kan niet. Hij moet het geraden hebben. Iedere geleider zou veronderstellen dat wij saidar zouden omhelzen.’

Het gepruil van de vrouw ergerde Nesune. Deze hele reis ergerde haar. Ze zou meer dan gelukkig zijn geweest als haar gevraagd was om mee te gaan, maar Jesse Bilal had niets gevraagd. Jesse had haar praktisch persoonlijk op een paard getild. Misschien ging het in de andere Ajahs anders, maar van het hoofd van de Bruine Ajah-raad werd dit soort gedrag niet verwacht. Het ergste van alles was echter dat Nesunes reisgenoten zo sterk gericht waren op die jonge Altor dat ze voor al het andere blind leken.

‘Hebben jullie enig idee,’ peinsde ze hardop, ‘wie de zuster was die bij ons onderhoud aanwezig was?’

Misschien was het geen zuster – telkens wanneer zij de koninklijke librije bezocht leken er drie Aielvrouwen op te duiken van wie er twee konden geleiden – maar ze wilde zien hoe zij reageerden. Ze was niet teleurgesteld; of liever, ze was het wel. Coiren ging rechtop zitten, maar Galina staarde voor zich uit. Nesune kon een zucht niet onderdrukken. Ze waren echt blind. Ze hadden maar een paar stappen van een geleidster gestaan en hadden haar niet gevoeld omdat ze haar niet konden zien.

‘Ik weet niet hoe ze verborgen was,’ vervolgde Nesune, ‘maar het zou interessant zijn dat te ontdekken.’ Het moest zijn werk zijn, want een saidarweefsel zouden ze hebben gevoeld. De anderen vroegen niet of ze het zeker wist; Nesune wist altijd wanneer er geraden werd. ‘Een bevestiging dat Moiraine nog leeft.’ Galina schoof met een grimmige glimlach naar achter, ik stel voor dat we Beldeine dat uit laten zoeken. Dan pakken we Moiraine op en stoppen haar zolang in de kelder. Daarmee is ze uit de buurt van Rhand Altor en kunnen we haar samen met hem naar Tar Valon brengen. Ik betwijfel of hij het zal merken, zolang we hem genoeg goud onder de neus houden.’ Coiren schudde heftig het hoofd. ‘We hebben niet meer gegevens dan we reeds hadden, er is niets wat op Moiraine wijst. Het kan die geheimzinnige Groene zuster zijn. Ik ben het ermee eens dat we moeten uitzoeken wie ze is, maar al het andere dienen we zorgvuldig te overwegen. Ik ga niet alles wat zo zorgvuldig is uitgedacht, in de waagschaal zetten. We dienen te beseffen dat Altor met deze zuster, wie ze ook is, verbonden is en dat zijn verzoek om meer tijd slechts zijn beleid is. Gelukkig hebben we de tijd.’ Galina knikte, zij het met enige aarzeling. Ze zou nog eerder trouwen en boerin worden dan hun plannen in gevaar brengen.

Nesune stond zichzelf toe te zuchten. Behalve gewichtigdoenerij was het uitspreken van iets dat overduidelijk was, Coirens enige echte fout. Ze had best een goed verstand wanneer ze het gebruikte. En ze hadden inderdaad tijd. Haar voet raakte weer een van haar verzamelkistjes. Hoe alles verder ook verliep, de studie die ze over Rhand Altor ging schrijven, zou een hoogtepunt in haar leven worden.

28

Brieven

Lews Therin was er – dat wist Rhand zeker – maar nog geen fluistering die niet van hemzelf was, klonk in zijn hoofd. De rest van die dag probeerde hij aan andere zaken te denken, hoe nutteloos ook. Berelain stond op het punt uit haar vel te springen nadat hij voor de zoveelste keer bij haar binnengevallen was met een vraag die ze zonder hem volmaakt kon oplossen. Hij wist het niet zeker, maar ze leek hem te willen ontwijken. Zelfs Rhuarc keek wat opgejaagd toen Rhand hem voor de tiende keer naar de Shaido’s vroeg. Die hadden zich niet verplaatst, en voor zover Rhuarc het kon bekijken, konden ze kiezen tussen hen in Therins Dolk te laten zitten of hen uit te graven. Herid Fel zwierf ergens rond, wat hij vaak deed, zoals Idrien hem al snel duidelijk maakte, en was dan onvindbaar. Wanneer Fel in gedachten verzonk, verdwaalde hij zelfs in de stad. Rhand schreeuwde haar toe. Fel was niet haar verantwoordelijkheid en niet haar fout, maar ze zag spierwit en beefde toen Rhand haar achterliet. Zijn boze bui zond rimpelingen rond als een enorm onweer dat aan de einder opdoemt. Hij kafferde Meilan en Maringil uit tot ze stonden te trillen in hun laarzen en hem met gezichten als slap deeg verlieten. Colavaere sabelde hij neer tot een wilde huilbui en zelfs Anaiyella stuurde hij met de rok tot de knieën opgetrokken hollend weg. Toen Amys en Sorilea kwamen vragen wat hij de Aes Sedai had gezegd, schreeuwde hij trouwens ook. Aan de blik op Sorilea’s gezicht te zien toen ze wegschreden, vermoedde hij dat ze misschien voor het eerst in haar leven was uitgescholden. Het kwam doordat hij wist, echt wist, dat Lews Therin in hem zat en meer dan een stem was, een man die zich in zijn hoofd verborg. Hij was bijna bang in slaap te vallen toen de avond viel, bang dat Lews Therin hem in zijn slaap zou overmeesteren, en nadat zijn ogen eindelijk waren dichtgevallen, lag hij door zijn verwarde dromen te woelen en te mompelen. Het eerste straaltje licht door de ramen wekte hem in verwarde lakens die nat van het zweet waren. Hij had korrelige ogen, een mond die smaakte naar een zes dagen dood paard en pijnlijke benen. Elke droom die hij zich herinnerde, ging over vluchten voor iets dat hij niet kon zien. Hij duwde zich uit zijn grote hemelbed en waste zich bij de vergulde wastafel. Nu de hemel buiten net grijs werd, was de gai’shain nog niet met vers water verschenen, maar dat van de vorige avond was net zo goed.

Hij was bijna klaar met scheren toen hij opeens het scheermes stilhield tegen zijn wang en zichzelf aankeek in de spiegel. Vluchten. Hij was er zeker van dat hij voor een Verzaker op de vlucht was gegaan, of voor de Duistere, of voor Tarmon Gai’don of misschien wel voor Lews Therin Telamon. Rhand Altor, zo verschrikkelijk vol van zichzelf; een Herrezen Draak kon toch alleen maar dromen over vluchten voor de Duistere? Ondanks zijn verweer dat hij Rhand Altor was, vergat hij blijkbaar even gemakkelijk als ieder ander. Rhand Altor was weggevlucht voor Elayne, voor zijn vrees dat hij van Elayne hield, net zoals hij gevlucht was voor zijn vrees dat hij Aviendha liefhad. De spiegel kletterde in honderden scherven in de porseleinen wasbak. De stukken die in de lijst bleven hangen, kaatsten vele malen zijn gezicht terug.

Hij liet saidin los, schrapte zorgvuldig het laatste schuim weg en knipte bewust het scheermes dicht. Geen vluchten meer. Hij zou doen wat hij te doen had, maar hij ging niet meer vluchten. Twee Speervrouwen wachtten hem in de gang op toen hij verscheen. Harilin, een magere roodharige van ongeveer zijn leeftijd, verdween op een holletje naar de anderen bij zijn verschijnen. Chiarid, een blij kijkende blondharige die oud genoeg was om zijn moeder te zijn, bleef bij hem in de gangen. Er waren slechts enkele bedienden bezig, die verbaasd waren dat hij zo vroeg op was. Gewoonlijk maakte Chiarid graag grapjes over hem wanneer ze alleen waren. Sommige begreep hij zelfs. Ze zag hem als een jongere broer die nodig ingetoomd moest worden voor hij van trots naast zijn laarzen ging lopen. Vanmorgen voelde ze echter aan wat voor bui hij had en zei niets. Ze wierp een blik van walging op zijn zwaard, maar daar bleef het bij. Nandera en de andere Speervrouwen haalden hem in, voor hij halverwege de reiskamer was, en voelden zijn stemming even snel aan, net als de Mayeners en Zwartogen die de vierkante bewerkte deur bewaakten. Rhand meende Cairhien te kunnen verlaten zonder iemand iets te zeggen, tot een vrouwdienares in het rood en blauw van Berelain kwam aansnellen en een diepe knix maakte, net toen hij de poort had geopend.