Выбрать главу

‘De Eerste zendt u dit,’ hijgde de jonge vrouw, en ze hield hem een brief voor met een groot groen zegel. Blijkbaar had ze de hele weg gehold om op tijd te komen. ‘Hij komt van het Zeevolk, mijn heer Draak.’ Rhand propte de brief in zijn jaszak en stapte de poort door, de vraag van de vrouw negerend of er nog een antwoord zou komen. Stilte schikte hem vanmorgen beter. Hij liet zijn duim langs het snijwerk van de Drakenstaf glijden. Hij zou sterk en hard zijn en iedere vorm van zelfmedelijden achter zich laten.

De donkere grote zaal in Caemlin bracht de aanwezigheid van Alanna terug in zijn hoofd. Het was hier nog nacht, maar zij was wakker; hij wist dat even zeker als dat ze aan het huilen was en haar tranen droogde, nadat hij na de laatste Speervrouw de poort gesloten had. Een kleine bol van een rafelig onbegrijpelijk gevoel zat nog ergens achter in zijn hoofd, maar hij was ervan overtuigd dat ze wist dat hij terug was. Ongetwijfeld hadden zij en haar binding een aandeel gehad in zijn vlucht, maar hij aanvaardde nu de band, ook al haatte hij hem. Hij moest bijna grimmig grijnzen; hij kon maar beter aanvaarden wat hij niet kon veranderen. Ze had een draad aan hem gebonden – niet meer dan een draadje. Licht, laat het niet meer zijn. Het zou geen moeilijkheden mogen geven, tenzij ze zo dichtbij kon komen dat hij aan de riem kon worden gelegd. Hij had graag Thom Merrilin gesproken. Die wist waarschijnlijk alles over zwaardhanden en bindingen. Hij wist verrassend veel dingen. Nou ja, als hij Elayne vond, vond hij Thom ook. Meer kon er nu niet van gezegd worden.

Saidin maakte een bol van Licht, Vuur en Lucht om de troonzaal te verlichten. De oude koninginnen, verborgen in de duisternis ver boven zijn hoofd, vielen hem nu niet zwaar. Het waren maar afbeeldingen in gebrandschilderd glas.

Hetzelfde kon niet van Aviendha worden gezegd. Voor de deur van zijn kamers stuurde Nandera de Speervrouwen behalve Jalani weg. De twee vrouwen gingen met hem mee naar binnen om de kamers te onderzoeken, terwijl hij met de Kracht de lampen ontstak. De Drakenstaf gooide hij op een klein met ivoor ingelegd tafeltje dat aanzienlijk minder verguldsel vertoonde dan dat in het Zonnepaleis. Alle meubels waren zo, met minder opsmuk en meer houtsnijwerk, gewoonlijk van leeuwen of rozen. Een groot, rood tapijt op de vloer had rozen in gouddraad.

Zonder saidin in hem betwijfelde hij of hij de zachte passen van de vrouwen had gehoord, maar nog voor ze de voorkamer hadden nagekeken, kwam Aviendha uit de stille, donkere slaapkamer sluipen, met wilde haren en haar riemmes in de hand. Ze was spiernaakt. Toen ze hem zag, werd ze zo stijf als een plank en beende terug de slaapkamer in, nog net niet hollend. Een klein lichtje verscheen achter de deuropening, er was een lamp aangestoken. Nandera lachte zachtjes en wisselde blikken van vermaak uit met Jalani.

‘Ik zal de Aiel nooit begrijpen,’ mompelde Rhand en hij duwde de Bron weg. Het kwam niet zozeer doordat de Speervrouwen de toestand grappig vonden, want het begrijpen van hun humor had hij allang opgegeven. Het kwam door Aviendha. Zij vond het wel leuk zich voor het slapen gaan bij hem uit te kleden, maar wanneer hij slechts een glimp van haar enkel zag als ze dat niet wilde, veranderde ze in een geschroeide kat. En gaf hem bovendien nog de schuld. Nandera giechelde. ‘Het zijn vrouwen die je niet begrijpt, niet de Aiel. Geen man heeft ooit een vrouw begrepen.’

‘Mannen zijn daarentegen heel eenvoudig,’ bracht Jalani naar voren. Hij staarde naar de Speervrouw die nog het mollige van een kind vertoonde, en ze kreeg een kleur. Nandera stond op het punt in lachen uit te barsten.

De dood, fluisterde Lews Therin.

Rhand vergat al het andere. De dood? Wat bedoel je?

De dood komt.

Wat voor soort dood? wilde Rhand weten. Waar heb je het over? Wie ben jij? Waar ben ik?

Het voelde of een sterke vuist zijn hals dichtkneep. Rhand was er zo zeker van geweest maar... Dit was de eerste keer dat Lews Therin iets tegen hem zei, iets begrijpelijks en rechtstreeks. Ik ben Rhand Altor. Je zit in mijn hoofd.

In...? Nee, ik ben mezelf! Ik ben Lews Therin Telamon! Ik ben iiiiiik! De schreeuw vervaagde in de verte.

Kom terug, riep Rhand. Wat voor dood? Geef antwoord, bloedvuur! Stilte. Hij voelde zich verontrust. Weten was één ding, maar een dode man die in zijn hoofd over de dood sprak, bezorgde hem een smerig gevoel, als het kleinste veegje van de bezoedeling van saidin. Iets raakte zijn arm aan en hij had bijna de Bron weer vast voor hij besefte dat het Aviendha was. Ze moest haar kleren hebben aangerukt, maar had zo te zien ruimschoots de tijd gehad om elk haartje op de voor haar juiste plek te kammen. De mensen zeiden dat Aiel geen gevoel toonden, maar dat kwam alleen doordat ze zich beheerster gedroegen dan de meeste mensen, meer teruggetrokken bleven. Hun gezichten spraken heel duidelijk als je wist waarnaar je moest kijken. Aviendha werd heen en weer geslingerd tussen bezorgdheid en haar wens boos te zijn. ‘Alles in orde met je?’ vroeg ze.

‘Ik stond te denken,’ zei hij. Dat was ook waar. Geef antwoord, Lews Therin! Kom terug en geef antwoord! Waar was de gedachte van die ochtend gebleven dat stilte hem best beviel?

Jammer genoeg vatte Aviendha het letterlijk op en als ze zich nergens zorgen over hoefde te maken... Ze plantte haar vuisten in de zij. Dat begreep hij wel van vrouwen, uit de Woestenij, Emondsveld of van waar dan ook. Vuisten in de zij betekende moeilijkheden. Hij had geen moeite hoeven te doen de lampen aan te steken. Haar ogen vlamden zo fel dat ze de kamer konden verlichten. ‘Je bent wéér zonder mij weggegaan. Ik heb de Wijzen beloofd in je buurt te blijven tot ik weg moest, maar jij maakt mijn belofte nietswaardig. Je bent me hiervoor toh schuldig, Rhand Altor. Nandera, van nu af moet mij gezegd worden waar hij heen gaat en wanneer. Hij gaat zonder mij nergens heen als ik hem dien te vergezellen.’

Nandera aarzelde even voor ze knikte. ‘Het zal zijn zoals je verlangt, Aviendha.’

Rhand maakte zich groot voor beide vrouwen. ‘Ho, wacht eens even! Niemand wordt verteld waar ik heen ga of wanneer ik vertrek, tenzij ik het zeg.’

‘Ik heb het beloofd, Rhand Altor,’ zei Nandera vlak. Ze keek hem recht in de ogen en er lag niets van inbinden in. ik ook,’ zei Jalani even vlak.

Rhand deed zijn mond open en weer dicht. Vervloekte ji’e’toh. Het had uiteraard geen enkele zin te zeggen dat hij de Car’a’carn was. Aviendha keek zelfs een tikkeltje verbaasd omdat hij zich nog verzette. Blijkbaar was het voor haar een besluit waar je niet op terugkwam. Hij trok verontrust zijn schouders op, hoewel dat niet door Aviendha kwam. Het smerige gevoel hing er nog steeds en werd sterker. Misschien was Lews Therin terug. Zwijgend riep Rhand hem aan, maar er kwam geen antwoord.

Na een te verwaarlozen klopje op de deur kwam huisvrouwe Harfor binnen, die haar gebruikelijke diepe knix maakte. Uiteraard viel bij haar niets van het vroege tijdstip te zien. Reene Harfor kon je op elk ogenblik van de dag door een ringetje halen. ‘Er zijn mensen in de stad aangekomen, mijn heer Draak, en heer Bashere meende dat u zo snel mogelijk op de hoogte gesteld diende te worden. Vrouwe Aemlyn en heer Culhan zijn gisteren rond het middaguur hier gekomen. Zij verblijven bij heer Pelivar. Vrouwe Arathelle kwam wat later, met een groot gevolg. Heer Barel, heer Macharan, vrouwe Sergase en vrouwe Negara kwamen ’s avonds afzonderlijk aan, met slechts enkele soldaten. Geen heeft zijn groet aan het paleis afgegeven.’ Ze deelde het laatste op dezelfde toon mee, en er klonk niets van haar mening in door. ‘Dat is goed nieuws,’ zei hij tegen haar, en dat was het ook, of ze nu wel of niet hun opwachting bij het paleis wilden maken. Aemlyn en haar man Culhan waren bijna even machtig als Pelivar; Arathelle was machtiger dan ieder ander met uitzondering van Dyelin en Luan. De anderen waren van lagere Huizen en alleen Barel bezette de hoge zetel van zijn Huis, maar de adel die zich tegen ‘Gaebril’ had verzet, kwam weer nader. Dat was goed nieuws, mits hij bijtijds Elayne vond voor ze zouden proberen Caemlin van hem af te nemen. Huisvrouwe Harfor nam hem kort op en hield hem toen een blauw verzegelde brief voor. ‘Dit werd gisteravond laat bezorgd, mijn heer Draak. Door een staljongen, een smerige staljongen. De golfvrouwe van het Zeevolk was niet al te gelukkig met uw afwezigheid toen zij voor haar ontvangst verscheen.’ Ditmaal klonk er hoorbaar afkeuring in haar stem door, al was niet duidelijk of dat de golfvrouwe betrof, Rhands afwezigheid bij een ontvangst of de manier waarop de brief was bezorgd.