Выбрать главу

Hij zuchtte. Hij was helemaal vergeten dat het Zeevolk hier in Caemlin was. Dat herinnerde hem aan de brief die hem in Cairhien was gegeven en hij haalde hem te voorschijn. Zowel de groene als de blauwe lak toonde dezelfde afdruk, hoewel hij niet goed zag wat die voorstelde. Twee dingen als platte schalen met een dikke versierde lijn die van de ene door de andere liep. Elke brief was gericht aan de Coramoor, wie of wat dat ook was. Hijzelf, nam hij aan. Misschien was dat de naam die het Zeevolk aan de Herrezen Draak gaf. Het blauwe zegel verbrak hij het eerst. Er was geen aanhef, en het leek zeker op geen enkele andere brief die Rhand als Herrezen Draak ooit had ontvangen.

Zo het Licht wenst, zult u mogelijk uiteindelijk in Caemlin terugkeren. Aangezien ik ver heb gereisd om u te spreken, kan ik mogelijk tijd vrijmaken, wanneer u dat kunt. Zaida din Parede Zwartvleugel van de Catelarclan, golfvrouwe

Blijkbaar had huisvrouwe Harfor gelijk; de golfvrouwe was niet blij gestemd. De brief met het groene zegel bevatte weinig beters.

Indien het het Licht behaagt, zal ik u ontvangen op het dek van Wit Schuim zodra het u schikt. Harine din Togara Tweewinden van de Shodeinclan, golfvrouwe

‘Bevatten ze slecht nieuws?’ vroeg Aviendha.

‘Ik weet het niet.’ Hij bekeek fronsend de brieven en was zich er amper van bewust dat vrouwe Harfor een vrouw binnenliet in het rood en wit, en zacht wat besprak. Deze twee Zeevolk-vrouwen leken hem geen aangenaam gezelschap. Hij had iedere vertaling van de Voorspellingen van de Draak gelezen die hij kon vinden, en hoewel de helderste vaak nog duister was, herinnerde hij zich niets over de Atha’an Miere. Misschien zouden ze op hun zeeschepen en verre eilanden het enige volk zijn dat niet door hem of Tarmon Gai’don werd beroerd. Hij moest die Zaida zijn verontschuldigingen aanbieden, maar misschien kon hij haar met Bashere afschepen. Die had in ieder geval voldoende titels om ieders ijdelheid te strelen. ‘Ik denk van niet.’ Het dienstmeisje zonk op haar knieën voor hem neer, het hoofd met de witte haren omlaag en de handen uitgestrekt met een derde brief, deze op dik perkament. Haar houding deed hem met zijn ogen knipperen; zelfs in Tyr had hij een bediende nooit zo kruiperig zien doen, laat staan in Andor. Huisvrouwe Harfor schudde misnoegd het hoofd. De geknielde vrouw zei iets, nog steeds met haar gezicht omlaag. ‘Dit is gekomen voor mijn heer Draak.’

‘Sulin?’ De adem stokte in zijn keel. ‘Wat doe je? Waarom draag je die jurk?!’

Sulin keek naar hem op; ze zag er volmaakt gruwelijk uit, een wolf die heel hard trachtte te doen alsof hij een hinde was. ‘Dit is vereist voor vrouwen die voor geld dienen en gehoorzamen.’ Ze bewoog de brief in haar opgeheven handen. ‘Mij werd opgedragen te zeggen dat dit zojuist voor mijn heer Draak is gekomen en afgegeven door een... een ruiter die vertrok zodra dit was overhandigd.’ De huisvrouwe klakte vol ergernis met haar tong.

‘Ik wil een eerlijk antwoord,’ zei hij, het verzegelde perkament uit haar handen grissend. Ze sprong overeind zodra haar handen leeg waren. ‘Kom terug, Sulin. Sulin, ik wil antwoord.’ Maar ze rende even pijlsnel weg als ze in de cadin’sor zou doen, recht naar de deur en naar buiten.

Om de een of andere reden keek vrouwe Harfor woest naar Nandera. ik heb je gezegd dat dit niet zou gaan. En ik heb jullie allebei verteld dat zolang zij het livrei van het paleis draagt, ik erop reken dat ze het paleis tot eer strekt, of het nu een Aielse is of de koningin van... van Saldea.’ Ze maakte een knix, groette Rhand haastig met een ‘mijn heer Draak’ en beende naar buiten, in zichzelf pratend over die gekke Aiel.

Hij was bereid ermee in te stemmen. Hij keek van Nandera, naar Aviendha en Jalani. Geen van hen leek het minst verbaasd. Geen van hen leek iets ongewoons te hebben opgemerkt. ‘Willen jullie me bij het Licht vertellen wat hier aan de hand is? Dat was Sulin!’

‘Eerst zijn Sulin en ik naar de keukens gegaan,’ zei Nandera. ‘Ze dacht dat het boenen van pannen en zo gepast zou zijn. Daar zei een man echter dat hij reeds alle keukenmeiden had die hij nodig vond. Hij dacht blijkbaar dat Sulin met de anderen zou vechten. Hij was niet zo groot,’ ze wees tot net onder Rhands kin, ‘maar wel even breed en ik denk dat hij zou hebben aangeboden de speren te laten dansen als we niet weg waren gegaan. Daarna gingen we naar de vrouw Reene Harfor, aangezien zij hier de dakvrouwe lijkt te zijn.’ Er gleed een lichte grimas over haar gezicht; een vrouw zou dakvrouwe zijn of niet – in het denken van de Aiel was geen plaats voor huisvrouwen. ‘Ze begreep het niet, maar ten slotte stemde ze ermee in. Ik dacht bijna dat Sulin van gedachten zou veranderen, toen ze besefte dat Reene Harfor haar een rok aan wilde trekken maar natuurlijk deed ze dat niet. Sulin is moediger dan ik. Ik zou nog liever gai’shain worden gemaakt door een jonge Seia Doon.’

‘Ik zou nog liever elke dag een jaar lang een pak rammel krijgen,’ zei Jalani stoutmoedig, ‘van de eerstebroeder van mijn ergste vijand, vlak voor mijn moeders ogen.’

Nandera’s ogen knepen zich afkeurend samen en haar vingers bewogen, maar ze gebruikte geen handtaal en zei opzettelijk: ‘Je pocht als een Shaido, meisje.’ Als Jalani ouder was geweest, zouden deze drie opzettelijke beledigingen moeilijkheden hebben veroorzaakt, maar nu kneep ze haar ogen stijf dicht om uit het zicht te zijn van de mensen die haar beschaamd hadden gezien.

Rhand streek met zijn vingers door het haar. ‘Reene begreep het niet? Ik begrijp het niet, Nandera. Waarom doet ze dit? Heeft zij de speer opgegeven? Als ze met een Andoraan is getrouwd,’ – er waren wel vreemdere dingen vlak bij hem gebeurd – ‘zal ik haar genoeg goud voor een boerderij of wat dan ook geven. Ze hoeft geen dienstmeid te zijn.’ Jalani’s ogen sperden zich wijd open, en de drie vrouwen keken hem aan alsof hij gek was geworden.

‘Sulin komt haar toh na, Rhand Altor,’ zei Aviendha ferm. Ze stond kaarsrecht en keek hem strak aan, een goede nabootsing van Amys. Al werd het met de dag steeds minder nabootsing en steeds meer haarzelf. ‘Het is niet jouw zorg.’

Jalani knikte instemmend, heel vastbesloten. Nandera stond gewoon een speerpunt aandachtig te bekijken.

‘Sulin is wel mijn zorg,’ zei hij. ‘Als er iets met haar gebeurt...’ Opeens herinnerde hij zich het gesprekje dat hij had opgevangen vlak voor hun tocht naar Shadar Logoth. Nandera had Sulin ervan beschuldigd dat zij de gai’shain als Far Dareis Mai had aangesproken en Sulin had het toegegeven en gezegd dat ze het later zouden afhandelen. Hij had Sulin na hun terugkomst uit Tweewater niet meer gezien, maar hij had aangenomen dat ze boos op hem was en aan anderen de taak had overgelaten. Hij had beter moeten weten. Als je lang met Aiel omging, zou je iets van ji’e’toh leren. Speervrouwen waren er gevoeliger voor dan ieder ander, behalve misschien Steenhonden en Zwartogen. Bovendien had hij nog te maken met Aviendha en haar pogingen hem in een Aiel te veranderen.