In wezen was dit alles eenvoudig, even eenvoudig als alle andere ji’e’toh-toestanden. Als hij niet zo met zichzelf bezig was geweest, zou hij het vanaf het begin hebben geweten. Je kon zelfs een dakvrouwe, elke dag dat ze het gai’shain-wit droeg, eraan herinneren wie zij was – diep beschamend, maar het mocht en werd soms zelfs aangemoedigd – maar voor negen van de dertien krijgsgenootschappen was zoiets een grote schande, behalve in vier of vijf omstandigheden die hij zich niet herinnerde. Far Dareis Mai was zeer zeker een van die negen. Er bestonden een paar manieren om jegens een gai’shain toh te verkrijgen en dit was er een van. Dit soort toh leverde wel de zwaarste verplichtingen op. Blijkbaar had Sulin ervoor gekozen haar toh te voldoen met een in Aielogen nog grotere schande dan zij had veroorzaakt. Het was haar toh, haar keus er op die manier aan tegemoet te komen, en zijzelf bepaalde hoe lang ze met dit verachtelijke werk door zou gaan. Wie kende de waarde van haar eer of de grootte van haar plicht beter dan zijzelf? Niettemin had ze het alleen gedaan omdat hij haar niet genoeg tijd had gegeven. ‘Het is mijn schuld,’ zei hij. Dat was het verkeerde om te zeggen. Jalani keek hem geschrokken aan. Aviendha werd rood van verlegenheid. Ze wreef hem voortdurend onder de neus dat verontschuldigingen onder ji’e’toh niet golden. Als de redding van een kind je een verplichting aan je bloedvijand opleverde, betaalde je zonder twisten de prijs.
Als je aardig was, kon je Nandera’s blik op Aviendha minachtend noemen. ‘Je moet eens ophouden met je gedroom over zijn wenkbrauwen, dan kun je hem betere dingen leren.’ Aviendha’s gezicht werd rood van verontwaardiging maar Nandera sprak met flitsende gebaren Jalani toe, waardoor die lachend haar hoofd in de nek wierp. Hierdoor kleurden Aviendha’s wangen van pure verlegenheid nog feller rood. Rhand verwachtte half en half haar aanbod de speren te laten dansen. Hoewel... dat nu ook weer niet. Aviendha had hem geleerd dat de Wijzen en hun leerlingen dat soort dingen niet deden, maar het zou hem niet verbazen als ze Nandera uit ging schelden.
Om dat te voorkomen zei hij sneclass="underline" ‘Als ik de oorzaak ben van wat Sulin deed wat ze heeft gedaan, heb ik dan geen toh jegens haar?’ Blijkbaar was het mogelijk een nog grotere dwaas van zichzelf te maken dan hij al had gedaan. Op de een of andere manier werd Aviendha’s gezicht nog roder en kreeg Jalani ontzettend veel belangstelling voor het tapijt onder haar. Zelfs Nandera keek wat boos vanwege zijn onwetendheid. Iemand kon gezegd worden dat toh bestond, al was dat beledigend, of kon eraan herinnerd worden, maar ernaar vragen betekende dat je het niet wist. Nou ja, hij wist dat hij het had. Hij kon beginnen met Sulin het bevel te geven dat belachelijke baantje als bediende op te geven, ervoor zorgen dat ze haar cadin’sor weer aantrok... En haar belemmeren haar toh na te komen. Alles wat hij deed om haar last te verlichten, zou haar eer schenden. Haar toh, haar keuze. Er zat iets in, maar hij kon niet zien wat. Misschien kon hij het Aviendha vragen. Later, wanneer ze niet stierf van dodelijke schaamte. De gezichten van de drie vrouwen maakten hem duidelijk dat hij haar op dit ogenblik al verlegen genoeg had gemaakt. Licht, wat een rotzooi.
Hij vroeg zich af hoe hij een uitweg kon vinden en besefte dat hij nog steeds Sulins brief in zijn hand had. Hij stak hem weg in een zak en gespte zijn zwaardriem los, die hij boven op de Drakenstaf legde, waarna hij het perkament weer pakte. Wie zou hem een bericht sturen met een ruiter die zelfs niet even voor een ontbijt afstapte? Aan de buitenkant stond niets, geen naam. Alleen de verdwenen bode kon hebben gezegd aan wie de brief was gericht. Wederom herkende hij niets aan het zegel. Het was een of andere bloem die in purperlak was gedrukt, maar het perkament zelf was dik, heel kostbaar. De inhoud, in een fijne kantachtige letter stemde hem glimlachend tot nadenken.
Neef,
De tijden zijn netelig, maar ik voelde de drang je te schrijven om je te verzekeren van mijn welwillendheid en mijn hoop op de jouwe uit te drukken. Vrees nooit; ik ken en erken je, maar we kennen degenen die geen glimlach overhebben voor mensen die jou benaderen, tenzij diezelfden erbij betrokken zijn. Ik vraag niets behalve de veiligheid van mijn vertrouwelijkheden in de vurige vlammen van je hart. Alliandre Maritha
‘Waarom grijns je?’ vroeg Aviendha, nieuwsgierig naar de brief turend. Nog steeds was wat boosheid voor wat hij haar had aangedaan merkbaar rond haar mond.
‘Het is gewoon prettig om van iemand op haar manier iets eenvoudigs te vernemen,’ vertelde hij. Het Spel der Huizen was eenvoudig vergeleken met ji’e’toh. De naam eronder gaf voor hem duidelijk genoeg aan wie de afzender was, maar als het perkament in de verkeerde handen viel, zou het gezien worden als een briefje aan een vriend, of mogelijk als een hartelijk antwoord op een verzoek. Alliandre Maritha Kigarin, Gezegende van het Licht, Koningin van Geldan, zou zeker nooit zo’n intieme brief aan iemand die ze niet kende, laat staan aan de Herrezen Draak, ondertekenen. Blijkbaar was ze bezorgd over de Witmantels in Amadicia en over Masema de Profeet. Hij zou iets aan Masema moeten doen. Alliandre was heel voorzichtig en had het papier slechts het noodzakelijkste toevertrouwd. Ze herinnerde hem er tevens aan de brief te verbranden: ‘In de vurige vlammen van je hart.’ Het was echter wel de eerste keer dat een vorstin hem benaderde zonder dat zijn zwaard op de nek van haar land lag. Nu diende hij alleen Elayne nog te vinden en Andor aan haar te overhandigen voor hier een nieuw slagveld ontstond.
De deur ging zachtjes open en hij keek op, maar hij zag niets en keek weer naar de brief. Hij vroeg zich af of hij er alles uit had gehaald wat erin zat. Lezend wreef hij over zijn neus. Lews Therin en zijn gepraat over de dood. Rhand kon het gevoel van smerigheid maar niet kwijtraken.
‘Jalani en ik gaan buiten op wacht staan,’ zei Nandera. Hij knikte verstrooid en staarde naar de brief. Thom zou waarschijnlijk bij een eerste blik al zes dingen tussen de regels door lezen die hij over het hoofd zag.
Aviendha legde een hand op zijn arm, maar trok die weer terug. ‘Rhand Altor, ik moet ernstig met je praten.’
Opeens viel alles in zijn hoofd op zijn plaats. De deur was opengegaan. Hij rook vuil, voelde het niet alleen, maar het was eigenlijk geen geur. Hij liet de brief vallen, stootte Aviendha zo hard opzij dat ze met een kreet van schrik viel, een eind van hem vandaan, buiten gevaar. Alles leek trager te verlopen. Hij greep saidin aan terwijl hij rondtolde.
Nandera en Jalani draaiden zich om, nieuwsgierig naar de reden van Aviendha’s schreeuw. Rhand moest heel goed kijken om de lange man in de grijze jas te zien. De beide Speervrouwen zagen hem niet terwijl hij vlak langs hen heen gleed met zijn donkere, levenloze ogen strak op Rhand gericht. Zelfs nu hij hem scherp bekeek, merkte hij dat zijn blik langs de grijzel wilde glijden. Het was een van de moordenaars van de Duistere. Terwijl de brief de grond raakte, besefte de grijzel dat Rhand hem had gezien. Aviendha’s schreeuw hing nog in de lucht en ze kwam omhoog na hard te zijn neergeploft. Een dolk verscheen in de hand van de grijzel, laag, en hij sprong naar voren. Rhand wikkelde hem bijna achteloos in lussen Lucht. Een polsdikke staaf Vuur flitste langs zijn schouder en brandde een gat in de borst van de grijzel, zo groot als een vuist. De moordenaar stierf voor hij kon bewegen. Zijn hoofd viel naar voren en zijn ogen, even dood als daarvoor, staarden Rhand aan.
In de dood hield de halve onzichtbaarheid van een grijzel geen stand. Dood was hij opeens even goed te zien als ieder ander. Aviendha, die net weer opkrabbelde, slaakte een geschrokken kreet en Rhand voelde kippenvel, wat hem vertelde dat ze saidar had omhelsd. Nandera’s hand schoot met een verbeten kreet naar haar sluier en Jalani trok die van haar al half omhoog.
Rhand liet het lijk vallen, maar hield saidin vast terwijl hij zich omdraaide en Taim aankeek, die in de deuropening van de slaapkamer stond. ‘Waarom heb je hem gedood?’ Slechts een deel van de harde kilte in zijn stem kwam door de leegte, ik had hem geboeid. Misschien had hij wat kunnen vertellen, wie hem had gestuurd. Wat doe je hier trouwens? Waarom sluip je zo mijn slaapkamer in?’ Volledig ontspannen kwam Taim verder de kamer in. Hij droeg een zwarte jas met draken die zich in blauw en goud om de mouwen slingerden. Ondanks saidar vertelden Aviendha’s ogen dat ze bereid was haar getrokken riemmes zowel in Taim te stoppen als terug in de schede aan haar riem. Nandera en Jalani hadden zich gesluierd en stonden op de punten van hun tenen, een speer in de aanslag. Taim negeerde hen; Rhand voelde hoe de Kracht de ander verliet. Taim leek zich zelfs geen zorgen te maken dat Rhand nog steeds van saidin was vervuld. Die merkwaardige halve glimlach speelde rond zijn lippen, terwijl hij naar de dode grijzel keek.