‘Nare dingen, die ziellozen.’ Ieder ander zou hebben gehuiverd, maar niet Taim. ‘Ik ben door een poort naar je balkon gereisd omdat ik meende dat je het nieuws zo snel mogelijk wilde horen.’
‘Over iemand die te snel leert?’ onderbrak Rhand hem en Taims halve glimlach flitste weer op.
‘Nee, geen Verzaker, tenzij het hem lukt zich te vermommen als een jongen die net iets ouder is dan twintig. Zijn naam is Jahar Narishma en hij heeft de vonk, hoewel die zich nog niet heeft laten blijken. Mannen tonen het gewoonlijk later dan vrouwen. Je zou weer eens naar de school moeten komen; de veranderingen zouden je verbazen.’ Rhand twijfelde er niet aan. Jahar Narishma was zeker geen Andoraanse naam. Voor zover hij wist kende reizen geen grenzen, maar blijkbaar had Taims zoektocht naar leerlingen zich heel ver uitgestrekt. Hij zei niets, maar keek weer even naar het lijk op het kleed. Taim grijnsde, nog steeds even bedaard, met slechts iets van ergernis. ‘Geloof me, ik wil even graag als jij dat die nog leefde. Ik zag hem en handelde meteen; het laatste dat ik wilde is jou dood zien liggen. Jij greep hem net toen ik geleidde, maar het was al te laat.’ Ik moet hem doden, mompelde Lews Therin en de Kracht stortte zich in Rhand. Verstijfd vechtend dwong hij saidin weg en het was een zware strijd. Lews Therin probeerde het vast te houden en te geleiden.
Langzaam verdween de Ene Kracht uiteindelijk, als water dat door een gat in de emmer weggorgelt.
Waarom? wilde hij weten. Waarom wil je hem doden? Er kwam geen antwoord, slechts een ver waanzinnig gelach en gehuil. Aviendha keek hem aan, haar gezicht een en al zorg. Ze had haar mes weggestoken, maar aan zijn prikkelende huid voelde hij dat ze saidar nog vasthield. De twee Speervrouwen hadden zich ontsluierd, nu uit alles bleek dat Taims komst geen aanslag inhield. Ze bleven hem en de rest van het vertrek echter in het oog houden, maar wierpen elkaar niettemin nog om de een of andere reden beschaamde blikken toe. Rhand nam een stoel bij de tafel waarop zijn zwaard boven op de Drakenstaf lag. De strijd had uiterst kort geduurd, maar zijn knieën voelden zwak. Lews Therin had hem bijna overgenomen, had saidin bijna overgenomen. Eerder was Rhand op de school nog in staat geweest zichzelf voor de gek te houden, ditmaal niet.
Mocht Taim iets gemerkt hebben dan liet hij er niets van blijken. Hij bukte zich om de brief op te rapen en keek er even naar voor hij hem met een buiginkje aan Rhand overhandigde.
Rhand propte het perkament in zijn zak. Niets kon Taim verontrusten, niets verstoorde zijn evenwicht. Waarom wilde Lews Therin hem doden? ‘Als ik denk aan je bereidheid elke Aes Sedai achterna te zitten, verbaast het me dat je niet voorstelt Sammael aan te vallen. Jij en ik samen, misschien met enkele sterke leerlingen, kunnen hem door een poort rauw op zijn dak in Illian vallen. Die grijzel moet van Sammael zijn gekomen.’
‘Misschien,’ zei Taim kortaf met een blik op de Zielloze. ‘Ik zou er heel wat voor overhebben om het zeker te weten.’ Dat klonk als de naakte waarheid. ‘Wat Illian betreft, ik betwijfel of het zo eenvoudig zal zijn als het uitschakelen van enkele Aes Sedai. Ik heb voortdurend in gedachten wat ik zou doen in Sammaels geval. Ik zou Illian met een ban in blokken verdelen, zodat ik het meteen weet als een geleider zelfs maar aan saidin durft te denken, en waar hij zit, en ik alles tot en met de aarde kan verschroeien nog voor die geleider adem kan halen.’ Zo zag Rhand het ook. Niemand wist beter dan Sammael hoe je een plek moest verdedigen. Misschien was het maar goed dat Lews Therin krankzinnig of misschien ook jaloers was. Rhand probeerde zich wijs te maken dat hij de school niet had vermeden omdat hij jaloers was, maar hij voelde wel altijd iets steken als hij in Taims buurt was. ‘Je hebt je nieuws gegeven. Ik stel voor die Jahar Narishma te gaan oefenen. Oefen hem goed. Mogelijk zal hij zijn kunde spoedig moeten tonen.’
Heel even glinsterden Taims ogen fel, toen boog hij kort het hoofd. Zonder iets te zeggen greep hij saidin en opende midden in de voorkamer een poort. Rhand dwong zich te gaan zitten, zich leeg te houden tot de man weg was en de poort zich versmalde tot een felle lichtstreep. Hij kon zich geen nieuw gevecht met Lews Therin veroorloven, niet wanneer hij misschien zou verliezen en zou merken dat hij met Taim streed. Waarom wilde Lews Therin deze man dood zien? Licht, Lews Therin leek iedereen dood te willen, waaronder hemzelf. Het was een drukke en boeiende ochtend geweest, vooral als je bedacht dat de hemel nog steeds grijs was. Er was meer goed nieuws geweest dan slecht. Hij bekeek de grijzel op het tapijt. De wond was meteen bij het treffen dichtgebrand. Huisvrouwe Harfor zou het hem zeker laten weten, zonder een woord te zeggen, als er ook maar één druppeltje bloed zichtbaar was. Wat de golfvrouwen van het Zeevolk betrof, ze konden wat hem betrof stikken in hun nukken. Hij had al genoeg om handen zonder een nieuwe geprikkelde vrouw op zijn bord. Nandera en Jalani stonden bij de deur nog wat te schuifelen. Ze hadden meteen na Taims vertrek al buiten moeten staan. ‘Als jullie je niet op je gemak voelen vanwege de grijzel,’ zei hij, ‘moet je het maar gewoon vergeten. Alleen een dwaas verwacht bij toeval iets van een Zielloze te zien en jullie zijn niet dwaas.’
‘Daar gaat het niet om,’ zei Nandera stijfjes. Jalani’s kaak stond zo strak dat ze zichtbaar nog net haar zwijgen kon bewaren. Op hetzelfde ogenblik begreep hij het opeens. Ze wisten dat ze de grijzel niet hadden kunnen zien en schaamden zich daarvoor. Beschaamd en bang voor de schande dat het nieuws van hun ‘falen’ zich zou verspreiden. ‘Niemand mag van mij weten dat Taim hier was en wat hij heeft gezegd. De mensen zijn bezorgd genoeg dat de school in de buurt van de stad ligt, ze hoeven niet ook nog bang te zijn dat Taim of een leerling zomaar kan opduiken. Ik denk dat we het beste kunnen verzwijgen wat er vanmorgen is gebeurd. We kunnen een lijk niet geheim houden, maar ik wil jullie belofte dat jullie niets zeggen, behalve dat een man me probeerde te vermoorden en daarbij is gedood. Dat ga ik zeggen en ik zou het niet fijn vinden door jullie voor leugenaar te worden gezet.’ De dank op hun gezicht was opmerkelijk, ik heb toh,’ mompelden ze bijna tegelijk.
Rhand schraapte ruw zijn keel. Daar was hij helemaal niet op uit geweest, maar nu had hij ze tenminste op hun gemak gesteld. Opeens kreeg hij een idee hoe hij het geval Sulin kon oplossen. Ze zou het niet leuk vinden, maar ze zou daarmee nog steeds aan haar toh voldoen, misschien nog wel heter, omdat ze er een hekel aan zou hebben. Tevens zou het zijn eigen geweten wat ontlasten en iets aan zijn toh jegens haar doen.
‘Ga nu lijfwacht spelen voor ik de gedachte krijg dat jullie naar mijn wenkbrauwen willen staren.’ Dat had Nandera echt gezegd. Vond Aviendha zijn wenkbrauwen boeiend? ‘Vooruit! En zoek iemand om het lijk weg te halen.’ Ze gingen weg, een en al glimlach en flitsende handtaal. Hij bleef staan en pakte Aviendha bij de arm. ‘Je zei dat we moesten praten. Kom mee naar de slaapkamer totdat dit hier is opgeruimd.’ Misschien kon hij een vlek met geleiding wegkrijgen. Aviendha trok zich los. ‘Nee! Niet daar!’ Ze haalde diep adem, matigde haar luide stem, maar keek hem nog steeds achterdochtig en redelijk kwaad aan. ‘Waarom kunnen we hier niet praten?’ Het lijk van een Zielloze was voor haar geen reden die telde. Ze duwde hem bijna hardhandig achteruit naar zijn stoel, nam hem op en haalde diep adem voor ze verder sprak.