‘Ji’e’toh is de kern van de Aiel. Wij zijn ji’e’toh. Vanmorgen heb je me tot op het bot te schande gezet.’ Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem recht in de ogen. Ze gaf hem een lesje over zijn onwetendheid en hoe belangrijk het was die te verhullen tot zij de zaak recht kon trekken, waarna ze verderging over het feit dat toh tegen elke prijs vervuld moest worden. Ze besteedde daar ruime aandacht aan.
Hij wist zeker dat ze dat niet had bedoeld, toen ze zei met hem te willen praten maar hij genoot zozeer van haar ogen dat hij zich dat alles niet meer af wilde vragen. Hij genoot er enorm van. Stukje bij beetje onderdrukte hij het genot en verpletterde alles tot slechts een doffe pijn achterbleef.
Hij meende het goed verstopt te hebben, maar zijn gezicht moest zijn veranderd. Aviendha ging steeds langzamer en zachter praten en bleef hem luid ademhalend aankijken. Met zichtbare inspanning wendde ze haar ogen af. ‘Nu begrijp je het tenminste,’ mopperde ze. ‘Ik moet ik moet nodig... Zolang je het maar begrijpt.’ Ze hield haar rok bijeen en beende de kamer uit. Het lijk had net zo goed een struikje kunnen zijn waar ze omheen moest stappen.
Ze liet hem alleen bij een dode man, in een kamer die opeens grijzer leek. Het paste bij elkaar. Toen de gai’shain de grijzel kwamen weghalen, stond Rhand zachtjes te lachen.
Padan Fajin zat met zijn voeten op een voetenkussen en bekeek de schoonheid van het ontluikende zonlicht dat glinsterde op de gebogen kling van de dolk die hij voortdurend rond liet draaien. De grote robijn in de punt van het handvat glansde diep en kwaadaardig. De dolk was een deel van hem, of hij een deel van de dolk. De dolk maakte deel uit van Aridhol, wat de mensen ook Shadar Logoth noemden, maar ja, hij maakte ook deel uit van Aridhol. Of was dat een deel van hem? Hij was door en door gek en besefte dat heel goed, maar hij gaf er niet om. Het zonlicht glom op staal dat dodelijker was dan al het staal uit Thakan’dar.
Hij hoorde geritsel en keek op naar de Myrddraal die aan de andere kant van het vertrek op Fajins luimen zat te wachten. Hij probeerde zijn blik niet op Fajin uit. Dat had de voormalige marskramer hem allang afgeleerd.
Hij probeerde zijn overpeinzingen over het wapen weer op te vatten, over de volmaakte schoonheid van een volmaakte dood. Over de schoonheid van wat Aridhol was geweest en weer zou worden, maar de Myrddraal had zijn aandacht te veel afgeleid en verpest. Hij was er bijna heen gelopen om het ding te doden. Het duurde lang voor Halfmannen stierven. Hoe lang zou het met deze dolk duren? Misschien voelde de Schim zijn gedachten, want hij bewoog weer. Nee, hij kon nog steeds nut hebben.
Het viel hem trouwens toch al moeilijk zijn aandacht langere tijd op iets gevestigd te houden. Behalve op Rhand Altor natuurlijk. Hij kon Altor voelen, hem van zo nabij aanwijzen. Altor trok aan hem, trok zo hard dat het pijn deed. De laatste tijd was er een verschil geweest dat opeens was ontstaan. Bijna alsof iemand anders gedeeltelijk van Altor bezit had genomen en daarmee een deel van Fajins eigendom opzij had geschoven. Het deed er niet toe. Altor behoorde hem. Hij had graag Altors pijn willen voelen. Hij had hem toch zeker al iets gepijnigd? Speldenprikjes tot dusver, maar met genoeg speldenprikken kon iemand ook bloedeloos worden. De Witmantels waren nu voldoende opgestookt tegen de Herrezen Draak. Fajins lippen krulden spottend. Het was onwaarschijnlijk dat Nial ooit Altor meer zou hebben gesteund dan Elaida van de Witte Toren, maar bij die vervloekte Rhand Altor kon je beter het zekere voor het onzekere nemen. Nou, hij had ze beiden getroffen met wat hij uit Aridhol had meegenomen. Ze zouden mogelijk hun eigen moeder vertrouwen, maar Altor nooit. De deur sloeg open en de jonge Perwijn Belman schoot de kamer in, gevolgd door zijn moeder. Nan Belman was een knappe vrouw hoewel Fajin zoiets zelden in een vrouw zag. Een Duistervriend die had gedacht dat haar eed slechts diende voor wat pootjebaden in slechtheid, totdat Padan Fajin had aangeklopt. Ze dacht dat hij ook een Duistervriend was, iemand hoog uit de raad. Fajin was natuurlijk veel hoger gestegen. Hij zou sterven zodra een Uitverkorene hem in handen kreeg. Hij moest giechelen bij de gedachte.
Perwijn en zijn moeder krompen in elkaar bij het zien van de Myrddraal. De jongen herstelde zich het eerst en kwam bij Fajin staan, terwijl de moeder nog steeds naar adem hapte.
‘Meester Mordeth, meester Mordeth,’ piepte de jongen en hij sprong in zijn rood-witte jas van de ene op de andere voet. ik heb nieuws dat u wilt horen.’
Mordeth? Had hij die naam gebruikt? Soms kon hij zich niet herinneren welke naam hij had gebruikt, niet eens welke naam van hem was. Hij stak de dolk weg onder zijn jas en mat zich een warme glimlach aan. ‘En wat voor nieuws mag dat wel zijn, kereltje?’ iemand heeft vanmorgen geprobeerd de Herrezen Draak te doden. Een man. Hij is nu dood. Hij wist langs iedereen, ook de Aiel, in de slaapkamer van de Drakenheer te komen.’
Fajin voelde hoe zijn glimlach een snauw werd. Geprobeerd Altor te doden? Altor behoorde hem! Altor zou door zijn hand sterven, niet door een ander! Wacht! Was de moordenaar langs de Aiel in Altors kamer gekomen? ‘Een grijzel!’ Hij herkende zijn raspende stem zelf niet eens. Een grijzel betekende de Uitverkorenen. Zou hij ooit van hun bemoeizucht bevrijd zijn?
Al die woede moest ergens heen voor hij ontplofte. Bijna terloops streek zijn hand langs het jongensgezicht. De ogen van de knaap puilden uit en hij begon zo hevig te beven dat hij klappertandde. Fajin begreep niet echt alle kunstjes die hij kon klaarspelen. Enkele wellicht van de Duistere, andere van Aridhol. Nadat hij was opgehouden met Padan Fajin, de marskramer te zijn, was het gekomen; daarna was zijn kunde geleidelijk zichtbaar geworden. Hij wist slechts dat hij zekere dingen kon zolang hij aanraakte waarmee hij werkte. Nan liet zich op haar knieën naast zijn stoel vallen en greep zijn jas beet. ‘Genade, meester Mordeth,’ hijgde ze. ‘Alstublieft, genade. Het is nog maar een kind. Nog maar een kind.’
Nieuwsgierig nam hij haar kort met een scheef hoofd op. Ze was eigenlijk best een leuke vrouw. Hij plantte een voet op haar borst en duwde haar opzij, zodat hij op kon staan. De Myrddraal gluurde verholen en rukte zijn oogloze gezicht opzij toen hij merkte dat Fajin keek. Hij herinnerde zich Fajins kunstjes maar al te goed. Fajin beende heen en weer. Hij moest iets doen. Altors ondergang moest door hém geschieden, niet door de Uitverkorenen. Hoe kon hij de man weer pijn doen, pijn die hem recht in het hart trof? In Culains Hond zaten natuurlijk die kwetterende meiden, maar als Altor al niet naar Tweewater kwam wanneer dat werd geteisterd, wat zou het hem dan kunnen schelen als Fajin de herberg met al die geiten platbrandde? Waar kon hij mee aan het werk? Hij had nog maar enkelen van zijn vroegere Kinderen van het Licht over. Dat was eigenlijk slechts een proef geweest – hij zou de man die Altor had kunnen doden persoonlijk het vel van het lijf hebben gestroopt – maar buiten Caemlin zaten nog enkele Duistervrienden bij elkaar en uit Tar Valon waren er nog onderweg. De trek van Altor sleurde hem verder. Dat was iets eigenaardigs met Duistervrienden. Niemand kon ooit een Duistervriend van een ander onderscheiden, maar de laatste tijd merkte hij dat hij het na één blik al zag, zelfs bij iemand die slechts dacht aan een eed aan de Duistere. Alsof ze een teken van roet op hun voorhoofd hadden. Nee! Hij moest zijn aandacht erbij houden. Alle aandacht! Vrij van andere gedachten! Zijn oog viel op de vrouw, die zacht kreunend haar snikkende zoon streelde en gedempt tegen hem praatte. Alsof dat zou helpen. Fajin had geen idee hoe hij zijn kunstje, als hij er eenmaal mee was begonnen, moest stoppen. De jongen zou het wel overleven, zij het in slechtere staat als het kunstje was uitgewerkt. Fajin had er zijn hart niet in gelegd. Schoon je gedachten. Denk aan iets anders. Een leuke vrouw. Hoe lang was het geleden dat hij een vrouw had gehad? Glimlachend pakte hij haar bij de arm. Hij moest haar van dat stomme joch aftrekken. ‘Kom met me mee.’ Zijn stem klonk anders, grootser. De Lugardse klanken waren weg, maar hij merkte het niet, hij merkte het nooit. ‘Ik weet zeker dat jij tenminste weet hoe je echt achting kunt tonen. Doe me een plezier en jou zal niets ergs overkomen.’ Waarom stribbelde ze tegen? Hij wist dat hij aardig en voorkomend was. Hij zou haar pijn moeten doen. Allemaal de schuld van Altor.