29
Vuur en Geest
Wachtend in de schaduw voor de Kleine Toren, depte Nynaeve zorgvuldig haar gezicht af en stak het doekje weer terug in haar mouw. Het hielp wel niet echt – ze was meteen alweer bezweet – maar ze wilde er binnen op haar best uitzien. Ze wilde er koel en kalm en waardig uitzien, al bestond daar weinig kans op. Haar slapen klopten pijnlijk en haar maag voelde... kwetsbaar. Vanmorgen had ze de aanblik van een ontbijt niet eens verdragen. Gewoon door de hitte natuurlijk, maar ze wilde graag weer naar bed, zich lekker instoppen en doodgaan. Nog erger was het feit dat haar weergevoel bleef opspelen. De blakerende zon hoorde onzichtbaar te zijn achter voortjagende zwarte onweerswolken en dreigende bliksems.
De zwaardhanden die aan de voorkant rondhingen, zagen er op het eerste oog niet als schildwachten uit, maar waren het wel. Ze herinnerden haar aan de Aiel in de Steen van Tyr. Zelfs in hun slaap leken ze waarschijnlijk nog op wolven. Een kale man met een vierkant gezicht, niet langer dan zij maar bijna even breed als lang, kwam hollend uit de Kleine Toren en verdween de straat in. Het gevest van het zwaard op zijn rug stak boven zijn schouder uit. Ook Jori, gebonden door Morvrin, leek op een wolf.
Uno kwam voorbij; hij stuurde zijn paard door de menigte en leek nauwelijks de hitte te voelen, hoewel hij vanaf zijn schouders door stalen platen en maliën omgord was. Hij verschoof in het zadel om haar met zijn goede oog aan te kijken en haar gezicht verhardde zich. Birgitte had wél gepraat. Elke keer dat de man haar zag, wachtte hij duidelijk op haar vraag naar paarden. Ze was er bijna aan toe. Zelfs Elayne kon niet zeggen dat ze hier nuttig werk verrichtten. Nou ja, ze kon het wel en deed het ook, maar het zou niet zo mogen zijn. Uno verdween om een hoek en Nynaeve zuchtte. Ze was eigenlijk bezig het uit te stellen. Misschien was Mijrelle binnen. Ze depte haar gezicht nogmaals af, keek boos naar haar rimpelige hand – vandaag was de elfde dag dat ze potten moest schuren en nog negenentwintig voor de boeg, negenentwintig! – en ging naar binnen. Het was ietwat koeler in de gelagkamer van de vroegere herberg en haar pijnlijke hoofd kreeg wat verlichting in wat iedereen nu de ‘wachtkamer’ noemde. Aan herstel was weinig tijd besteed. Verschillende stenen in de haarden ontbraken en achter de gaten in het pleisterwerk waren latten zichtbaar. Areina en Nicola waren met een andere novice aan het vegen, maar op de door de tijd verruwde vloer was daar weinig eer mee te behalen. Areina keek boos, want zij vond het nooit prettig om samen met de novices werkjes op te knappen. In Salidar had iedereen een taak. Aan de andere kant van het vertrek sprak Romanda met twee slanke, oudere Aes Sedai. Hun gezichten mochten tijdloos zijn, hun haren waren zilverwit. Ze waren net aangekomenen, aan de dunne stofmantels op hun rug te zien. Mijrelle was nergens te bekennen, wat een zucht van verlichting veroorzaakte. De vrouw legde Nynaeve bij iedere gelegenheid op het rooster, waarna ze Nynaeve ook nog aan de andere kant ging roosteren! De Aes Sedai zaten aan tafels die niet bij elkaar pasten, maar netjes in rijen waren geplaatst. Ze bekeken perkamenten of gaven opdrachten aan zwaardhanden en bedienden. Het waren er echter minder dan de eerste keer dat ze hier was binnengestapt. Alleen de Gezetenen en hun dienstmeiden woonden op de hogere verdiepingen. Ieder ander was verhuisd om werkruimte voor de Aes Sedai te scheppen. De Kleine Toren had alle kenmerken van de Witte Toren overgenomen, op de eerste plaats de nauwkeurige gepaste vormen. Bij Nynaeves eerste bezoek was er druk aan iets gewerkt, zogenaamd gewerkt, nu leek het bijna langzaam te gaan, maar het voelde aan als de Witte Toren.
Ze liep naar een tafel die het meest dichtbij stond en maakte zorgvuldig een knix. ‘Neemt u me niet kwalijk, Aes Sedai, maar mij was gezegd dat Siuan en Leane hier waren. Kunt u me zeggen waar ze zijn?’ Brendas’ pen hield stil en ze keek met koele donkere ogen op. Nynaeve had haar uitgekozen en niet iemand die dichter bij de deur zat, omdat Brendas een van de weinige Aes Sedai was, die haar nooit het vuur na aan de schenen had gelegd met vragen over Rhand. Bovendien had Siuan in haar tijd van Amyrlin Brendas aangewezen als iemand die je kon vertrouwen. Dat had hier wel niets mee te maken, maar het was toch prettig je ergens op je gemak te kunnen voelen. ‘Ze zijn bij enkele Gezetenen, kind.’ Brendas’ stem klonk als een klokje, maar was even gevoelloos als haar bleke gezicht. Witten toonden zelden gevoel, Brendas echt nooit.
Nynaeve onderdrukte een geërgerde zucht. Als Gezetenen een verslag van hun ogen-en-oren wensten, kon dat de komende uren in beslag nemen, misschien wel de rest van de dag, en op dat tijdstip zou ze weer met hoofd en schouders in de ketels hangen. ‘Dank u wel, Aes Sedai.’ Brendas voorkwam met een gebaar Nynaeves knix. ‘Heeft Theodrin gisteren nog vorderingen geboekt?’
‘Nee, Aes Sedai.’ Haar stem klonk wat strak en een tikkeltje kortaf, maar ze had er reden voor. Theodrin had gezegd dat ze alles zou proberen en blijkbaar bedoelde ze echt alles. Gisteren was ze begonnen met enkele slokjes wijn voor de ontspanning, maar op de een of andere manier was het voor Nynaeve op heel wat slokjes uitgelopen. Ze dacht niet dat ze ooit zou vergeten hoe ze zingend – zingend! – naar haar kamer terug was gedragen en ze zou zich dit altijd met een vuurrood hoofd blijven herinneren. Brendas zou het wel gehoord hebben. Iedereen. Nynaeve wilde in de vloer wegzinken. ‘Ik vraag het maar, omdat je studie eronder schijnt te lijden. Ik heb verschillende zusters horen zeggen dat je blijkbaar aan het eind van je opmerkelijke ontdekkingen bent gekomen. Je bijzondere keukentaken vormen wellicht het probleem – maar Elayne onthult elke dag iets nieuws en doet dat zelfs naast het lesgeven en haar werk aan de ketels. Enige zusters vragen zich af of zij je misschien beter kunnen helpen dan Theodrin. Als we het om beurten aanpakken en alle komende dagen de hele dag aan je werken, dan zullen die wellicht vruchtbaarder blijken te zijn dan die vrije zittingen met iemand die uiteindelijk zelf weinig meer is dan een Aanvaarde.’ Het kwam er allemaal heel effen uit, zonder enige beschuldiging, maar Nynaeves gezicht werd vuurrood alsof ze werd uitgescholden, ik weet zeker dat Theodrin nu elke dag een doorbraak kan bereiken, Aes Sedai,’ fluisterde ze bijna, ik zal het nog harder proberen, Aes Sedai.’ Ze maakte iets dat op een haastige knix leek en draaide zich pijlsnel om voor Brendas haar opnieuw kon tegenhouden. Het gevolg was dat ze tegen een van de twee witharige nieuwkomers aanbotste. De twee leken zoveel op elkaar dat het zusters konden zijn, bijna spiegelbeelden van elkaar met hun fijne botten en lange statige gezichten. Eigenlijk was de botsing meer iets van een veeg en ze probeerde zich echt te verontschuldigen, maar de Aes Sedai bevroor haar met zo’n strakke blik dat een havik er trots op zou zijn. ‘Kijk uit waar je loopt, Aanvaarde. In mijn tijd zou een Aanvaarde die trachtte een Aes Sedai omver te lopen, nog wittere haren hebben dan ik tegen de tijd dat ze klaar was met de vloeren.’
De ander tikte op haar arm. ‘Ach, laat het kind gaan, Vandene. We hebben nog meer te doen.’
Vandene liet Nynaeve een scherp gesnuif horen, maar liet zich vervolgens mee naar buiten tronen.
Nynaeve wachtte een paar tellen om hen voor te laten gaan en zag Sheriam uit een van de spreekkamers komen met Mijrelle, Morvrin en Beonin. Mijrelle zag haar ook en kwam haar kant op, maar al na een stap legden zowel Sheriam als Morvrin een hand op de armen van de Groene zuster en spraken snel en zacht met veel heimelijke blikken naar Nynaeve. Al pratend liep het viertal het vertrek door en verdween door een andere deur.