Выбрать главу

Hoofden begonnen te knikken, en toen sprak Carlinya als een ijspegel die in de kamer werd geworpen: ‘Kunnen we dat?’ Ieder oog richtte zich op haar, maar ze ging kalm en koel door: ‘Kunnen wij rechtmatig en eerlijk overwegen om een geleider te steunen, een man die andere geleiders probeert te verzamelen, en tegelijkertijd blijven doen wat we altijd deden; elke geleider stillen? Praktisch gesproken: welk gevolg heeft dat voor hem als hij erachter komt? Hoe jammerlijk het ook mag zijn, zoals de zaken er nu voorstaan ziet hij ons als gescheiden van de Toren en, belangrijker nog, van Elaida en de Rode Ajah. Als we ook maar één man stillen, kunnen we dat onderscheid verliezen, en daarmee onze kans om greep op hem te krijgen voor Elaida dat doet.’ Toen ze zweeg, leek een deken van stilte over de kamer te vallen. Aes Sedai wisselden bezorgden blikken uit, en de blikken op Nynaeve maakten die van Nisao tot een lofprijzing. Er waren zusters gestorven bij de gevangenname van Logain. Zelfs als hij weer veilig was afgeschermd, was het haar schuld dat ze dat weer helemaal opnieuw moesten doen. Deze keer zou het moeilijker zijn. ‘Ik geloof dat je moet gaan,’ zei Sheriam zacht.

Nynaeve ging daar niet over redetwisten. Ze maakte haar knix zo snel en goed als ze kon en deed haar best niet weg te hollen bij haar vertrek.

Buiten krabbelde Elayne van de stenen trap overeind. ‘Het spijt me, Nynaeve,’ zei ze, en ze klopte haar rok af. ‘Ik was zo opgewonden dat ik er bij Sheriam alles uit gooide voordat ik in de gaten kreeg dat Romanda en Delana er ook waren.’

‘Het geeft niet,’ zei Nynaeve moeizaam, en ze begon de drukke straat af te lopen. ‘Vroeg of laat zou het toch bekend zijn geworden.’ Maar het was niet eerlijk. Ik heb iets gedaan waarvan ze zeiden dat het niet kon, en ik moet nog steeds potten schuren! ‘Elayne, het kan me niet schelen wat je zegt: we moeten gaan. Carlinya praatte over een “greep” op Rhand krijgen. Dit stel is niet beter dan Elaida. Thom of Juilin kunnen paarden voor ons versieren, en Birgitte mag haar nagels verder opvreten.’

‘Ik ben bang dat het te laat is,’ zei Elayne neerslachtig. ‘De praatjes verspreiden zich al.’

Van twee kanten doken Larissa Lindel en Zenare Ghodar als haviken op Nynaeve af. Larissa was een knokige vrouw, die er zo gewoon uitzag dat de leeftijdloosheid van de Aes Sedai erbij in het niet verdween. Zenare was een beetje gezet en hooghartig genoeg voor twee koninginnen. Hun gezichten stonden vol verwachting. Ze waren van de Gele Ajah, hoewel geen van beiden bij de Heling van Siuan en Leane aanwezig was geweest.

‘Ik wil dat je alles stap voor stap doorneemt, Nynaeve,’ zei Larissa, en ze greep haar arm vast.

‘Nynaeve,’ zei Zenare, die de andere arm greep, ‘ik durf te wedden dat ik wel honderd dingen vind waar je nooit aan gedacht hebt, als je het weven maar vaak genoeg herhaalt.’

Vanuit het niets leek Salita Toranes op te duiken, een Tyreense die er net zo donker uitzag als iemand van het Zeevolk. ‘Anderen zijn me voor, zie ik. Het Licht hale me als ik op mijn beurt moet wachten.’ ik was hier eerst, Salita,’ zei Zenare beslist, en ze verstevigde haar greep.

‘Ik was eerst,’ zei Larissa, die haar greep ook versterkte. Nynaeve wierp Elayne een blik van zuiver afgrijzen toe, en kreeg een blik vol medelijden terug. En een schouderophalen. Dat bedoelde Elayne met ‘te laat’. Ze zou vanaf nu geen enkel wakend ogenblik meer voor zichzelf hebben.

‘... boos?’ zei Zenare. ik schud zo vijftig manieren uit mijn mouw om haar boos genoeg te maken om stenen te kauwen.’ ik kan wel honderd manieren bedenken,’ zei Larissa. ik ben van plan om haar blok te doorbreken, al is het het laatste dat ik doe.’ Magla Daronos worstelde zich de groep in; daar had ze ook wel de schouders voor. Ze zag eruit alsof ze met een zwaard of een smidshamer kon werken. ‘Jij gaat die breken, Larissa? Ha! Ik heb al wat manieren bedacht om het uit haar te trekken.’ Nynaeve wilde alleen nog maar schreeuwen.

Alleen de gedachte dat ze opnieuw zou gaan huilen, weerhield Siuan ervan om saidar te omvatten en vast te houden. Dat kon ze niet doen. Bovendien zou het lijken op het gepronk van een novice, bij de vrouwen die haar in de wachtkamer omringden. Elke uitdrukking van verwondering en verrukking, elk warm welkom – alsof ze jaren weg was geweest – leek wel balsem, vooral van diegenen die haar vriendinnen waren voordat ze de Amyrlin was geworden, voordat tijd en verplichting hen uit elkaar hadden gedreven. Lelaine en Delana sloegen hun armen om haar heen, wat ze in jaren niet gedaan hadden. Moiraine was de enige geweest die haar nader had gestaan, de enige die ze na de Amyrlin stola naast Leane had kunnen behouden. Hun verplichtingen hadden ook geholpen om bij elkaar te blijven. ‘Het is zo goed om je weer terug te hebben,’ lachte Lelaine. ‘Zo ontzettend goed,’ mompelde Delana.

Siuan lachte, en moest de tranen van haar wangen vegen. Licht, wat was er met haar aan de hand? Ze had niet meer zo gehuild sinds ze een kind was!

Misschien kwam het door de vreugde om het herwinnen van saidar, door de warmte die haar omgaf. Het Licht wist dat dit alles tezamen iedereen van haar stuk zou brengen. Ze had nooit van zo’n dag durven dromen, en nu het gebeurd was, maakte ze deze vrouwen geen enkel verwijt. Niet hun koude afstandelijkheid van gisteren, niet hun drang dat zij haar plaats goed diende te beseffen. Het verschil tussen een Aes Sedai en iemand die dat niet was, was duidelijk – ze had er zelf op gestaan voordat ze gesust was, en vanzelfsprekend zou ze dat weer doen – en ze wist hoe je met gesuste vrouwen moest omgaan. Het was voor hun eigen bestwil en voor het bestwil van degenen die nog steeds konden geleiden. Ermee om moeten gaan. Hoe vreemd was het dat het nooit meer zo zou zijn.

Uit haar ooghoeken zag ze Garet Brin de trap op komen, aan de zijkant van de kamer. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze, en ze haastte zich achter hem aan.

Maar ondanks haar haast moest ze elke twee, drie stappen stilstaan om een gelukwens te aanvaarden. Dat ging zo door tot aan de trap, zodat ze hem niet eerder kon inhalen dan toen hij de gang op de tweede verdieping af liep. Ze vloog vooruit en plantte zichzelf voor hem. Zijn grijzige haar was door de wind in de war, zijn vierkante gezicht en versleten leren jas waren stoffig. Hij zag er even betrouwbaar uit als steen.

Hij hield een stapeltje papier op. ik moet dit afleveren, Siuan,’ en hij probeerde langs haar heen te lopen.

Ze hield hem met een gebaar tegen, ik ben geheeld. Ik kan weer geleiden.’

Hij knikte. Hij knikte slechts! ik heb zoiets gehoord. Ik neem aan dat het betekent dat je nu mijn hemden met geleiden kunt schoonmaken. Misschien worden ze dan ook echt schoon. Ik heb er spijt van gehad dat ik Min zo gemakkelijk heb laten gaan.’

Siuan staarde hem aan. De man was geen dwaas. Waarom deed hij alsof hij het niet begreep? ‘Ik ben weer een Aes Sedai. Verwacht je echt dat een Aes Sedai jouw was doet?’

Alleen maar om het te onderstrepen, omhelsde ze saidar – die verloren zoetheid was zo wonderbaarlijk dat ze ervan huiverde -, wikkelde hem in stromen Lucht en tilde hem op. Probeerde dat. Haar mond viel open. Ze trok meer saidar aan, probeerde het harder en harder tot de zoetheid met duizend weerhaakjes aan haar trok. Zijn laarzen kwamen nog geen duim van de vloer.

Het was onmogelijk. Weliswaar was iemand optillen met geleiden een van de zwaarste dingen, maar ze was ooit in staat geweest om bijna drie keer haar eigen gewicht te tillen.

‘Word ik geacht hiervan onder de indruk te zijn?’ zei Brin kalm, ‘of moet ik bang worden? Sheriam en haar groepje gaven hun woord, de Zaal gaf haar woord en, belangrijker nog, jij gaf het jouwe, Siuan. Ik zou je niet laten gaan, al was je de Amyrlin zelf. Nou, maak ongedaan wat je gedaan hebt, anders zal ik je, eenmaal bevrijd, ondersteboven keren en je als een klein kind een pak slaag geven. Je bent zelden kinderachtig, dus denk niet dat ik je er zomaar mee weg laat komen.’ Bijna duizelig liet ze de Bron los. Niet vanwege zijn bedreiging – hij was ertoe in staat en had het al eens eerder gedaan; nee, niet daarom – en ook niet door de schok dat ze niet in staat was geweest om hem op te tillen. De tranen leken als een fontein in haar op te wellen. Ze hoopte dat het loslaten van saidar ook de tranen zou stoppen. Maar hoe vaak ze ook met haar ogen knipperde, er druppelden er nog steeds een paar over haar wangen.