Nynaeve fleurde op en ging rechter zitten. ‘Egwene? O, dat is geweldig! Zo, ze zijn eindelijk eens niet als dwazen tekeergegaan. Ik vroeg me al zo’n beetje af waarom ze niet hier zijn om ons weg te slepen voor een volgende les.’ Ze keek Siuan met samengeknepen ogen aan, maar zelfs die blik zag er opgewekt uit. ‘Een boot, zei je? Wie is de kapitein?’
‘Dat ben ik, kleine donderstr...’ Leane schraapte haar keel en Siuan haalde diep adem. ‘Goed, een bemanning op gelijke voet, met gelijke stemmen. Maar iemand moet aan het roer staan,’ voegde ze eraan toe, toen Nynaeve begon te glimlachen, ‘en die iemand ben ik.’
‘Goed,’ zei Nynaeve na een lange stilte. Ze aarzelde opnieuw terwijl ze met de lepel speelde; vervolgens zei ze met een stem die zo achteloos klonk dat Elayne haar handen in de lucht had willen steken: is er een kans dat je mij... ons uit de keuken kunt krijgen?’ Hun gezichten zagen er niet ouder uit als dat van Nynaeve, maar ze waren een hele tijd Aes Sedai geweest; hun ogen herinnerden zich die Aes Sedai-blik. Nynaeve beantwoordde die kalmer dan Elayne had verwacht – ze schuifelde alleen wat met haar voeten – maar het was geen verrassing toen ze uiteindelijk mompelde: ik neem aan van niet.’
‘We moeten weg,’ zei Siuan, en ze stond op. ‘Leane heeft de prijs van ontdekking heel laag ingeschat. Wij kunnen de eerste Aes Sedai zijn die in het openbaar gevild worden, en ik ben al eens de eerste geweest.’ Tot Elaynes verrassing boog Leane zich voorover om haar te omarmen en fluisterde: ‘Vriendinnen.’ Elayne beantwoordde de omarming en het woord met warmte.
Leane omarmde ook Nynaeve en mompelde iets dat Elayne niet kon opvangen, waarna Siuan volgde met een bedankje dat nors en weifelend was.
Zo klonk het haar tenminste in de oren, maar toen ze eenmaal vertrokken waren, zei Nynaeve: ‘Ze stond op het punt om te gaan huilen, Elayne. Misschien meende ze dit alles echt. Ik veronderstel dat ik zou moeten proberen om haar vriendelijker te bejegenen.’ Ze zuchtte, wat overging in een geeuw en een gedempt: ‘Vooral nu ze weer een Aes Sedai is.’ En met die woorden viel ze in slaap terwijl het blad nog op haar knieën lag.
Elayne onderdrukte zelf een geeuw, kwam overeind en ruimde alles netjes op, waarbij ze het blad onder Nynaeves bed schoof. Het kostte wat tijd om Nynaeve uit haar kleren te krijgen en ietwat gemakkelijk op bed te laten liggen, maar zelfs dat maakte haar niet wakker. Toen Elayne eenmaal de kaars gedoofd had en in haar kussens lag, bleef ze wakker, staarde in de duisternis en dacht na. Rhand wilde onderhandelen met Aes Sedai die door Elaida waren gestuurd? Ze zouden hem levend verorberen. Ze wenste bijna dat ze Nynaeves suggestie had opgevolgd toen die nog een kans van slagen had. Ze wist zeker dat ze hem door alle valstrikken kon leiden die zij voor hem hadden opgezet – Thom had een heleboel toegevoegd aan wat haar moeder haar geleerd had – en hij zou naar haar geluisterd hebben. Bovendien had ze hem op die manier kunnen binden. Ze had immers ook niet gewacht tot ze de stola droeg om Birgitte te binden; waarom zou ze met Rhand wel wachten?
Ze schoof wat dieper in de kussens. Hij moest wachten. Hij was in Caemlin, niet in Salidar. Hé, Siuan had gezegd dat hij in Cairhien was. Hoe...? Ze was te moe; de gedachte dreef weg. Siuan. Siuan hield nog steeds iets verborgen, daar was ze zeker van.
De slaap kwam aandrijven en daarmee een droom. Een boot met Leane op de boeg, minnekozend met een man die steeds een ander gezicht had als Elayne naar haar keek. Op de achtersteven worstelden Nynaeve en Siuan, die elk een andere kant op wilden sturen – tot Elayne opstond en het bevel op zich nam. Een kapitein met geheimen was reden genoeg voor muiterij als dat nodig mocht blijken. In de ochtend kwamen Siuan en Leane terug, nog voor Nynaeve haar ogen open had. Dat was meer dan voldoende om haar zo boos te maken dat ze kon geleiden. Maar het werkte niet. Wat reeds geheeld was, kon niet nogmaals geheeld worden.
‘Ik zal doen wat ik kan, Siuan,’ zei Delana, en ze leunde naar voren om de ander op de arm te kloppen. Ze zaten alleen in de zitkamer. De theekopjes op het tafeltje tussen hen in waren onaangeraakt. Siuan zuchtte en zag er verslagen uit, hoewel Delana niet snapte wat zij nog verwachten kon na haar uitbarsting in de Zaal. Het vroege ochtendlicht straalde door het raam, en ze dacht aan haar komende ontbijt, maar dit was Siuan. De omstandigheden waren verwarrend en Delana hield niet van verwarring. Ze had zichzelf aangewend haar oude vriendin niet in dit gezicht te zoeken, wat niet moeilijk was, aangezien ze helemaal niet leek op de Siuan Sanche die Delana zich herinnerde. Maar om Siuan weer te zien, een Siuan die jong en aantrekkelijk was, was slechts de eerste schok. De tweede was een Siuan die bij haar aanklopte voor hulp, terwijl de zon nog niet op was; Siuan had nooit om hulp gevraagd. En ten slotte kwam de grootste schok van allemaal, de schok die zich telkens wanneer ze Siuan zag herhaalde, nadat die Almaeren haar onmogelijke wonder had verricht. Zij, Delana, was sterker dan Siuan, veel sterker. Dat was altijd andersom geweest. Siuan had al in hun dagen als novice de leiding genomen, nog voor ze Aanvaarden waren. Maar ze was Siuan, en ze was van streek, wat Delana zich nooit had kunnen voorstellen. Siuan kon van streek zijn, maar ze liet dat nooit merken. Het deed haar pijn dat ze niet meer kon doen voor de vrouw, die ooit samen met haar honingkoekjes had gestolen en meer dan eens de schuld op zich had genomen voor streken die ze samen hadden uitgehaald.
‘Siuan, ik kan in ieder geval dit wel voor je doen. Romanda zou die droomter’angrealen heel graag aan de zorg van de Zaal willen toevertrouwen. Ze heeft niet genoeg Gezetenen achter haar om het te laten lukken, maar als Sheriam denkt van wel, of als ze denkt dat je het door jouw invloed op Leane en mij tegen hebt gehouden, zal ze het jou niet kunnen weigeren. Ik weet dat Leane ermee zal instemmen. Hoewel het mij een raadsel is waarom je die Aielvrouwen wilt ontmoeten. Romanda glimlacht als een kat in de boterton, als ze ziet hoe Sheriam na zo’n ontmoeting nijdig rondstampt. Met jouw karakter zul je waarschijnlijk iets kapotgooien.’ Wat een verandering. Vroeger zou ze er nooit aan gedacht hebben om Siuans stemming te benoemen; nu deed ze het zonder nadenken.
Op Siuans betrokken gezicht brak een glimlach door. ik had gehoopt dat je zoiets zou doen. Ik zal met Lelaine spreken. En Janya; ik geloof dat Janya wil helpen. Maar je moet ervoor zorgen dat Romanda het niet echt doet. Van het weinige dat ik weet, heeft Sheriam tenminste iets bedacht voor de omgang met die Aiel. Ik ben bang dat Romanda vanaf het begin zou moeten beginnen. Dat hoeft de Zaal natuurlijk niet belangrijk te vinden, maar ik ben er bepaald niet op gebrand om een eerste blik op hen te werpen als iedereen een haak in haar kieuwen heeft.’
Delana verborg haar glimlach terwijl ze Siuan naar de voordeur begeleidde en haar omarmde. Ja, het zou heel belangrijk voor de Zaal zijn om de Wijzen tevreden te stellen, hoewel Siuan dat niet kon weten. Ze keek Siuan na, die zich de straat uit haastte, en ging weer naar binnen. Het zag ernaar uit dat zij nu de beschermende hand was. Ze hoopte dat ze het even goed zou doen als haar vriendin had gedaan. De thee was nog warm en ze besloot om Miesa, haar dienstmeisje, erop uit te sturen voor wat broodjes en fruit. Toen er bedeesd op de deur werd geklopt, was het niet Miesa maar Lucilde, een novice die ze van de Toren hadden meegebracht.
Het spichtige meisje maakte een zenuwachtige knix, maar Lucilde was altijd zenuwachtig. ‘Delana Sedai? Er is vanmorgen een vrouw aangekomen, en Anaiya Sedai heeft gezegd dat ik haar naar u moest brengen? Haar naam is Halima Saranov. Ze zegt dat ze u kent?’ Delana opende haar mond om te zeggen dat ze nog nooit van Halima Saranov had gehoord, toen er een vrouw op de drempel verscheen. Onwillekeurig staarde Delana haar aan. De vrouw slaagde erin om zowel slank als weelderig te lijken. Ze droeg grijze rijkleding, die belachelijk laag was uitgesneden; lang, weelderig zwart haar omlijstte een gezicht met groene ogen, waar iedere man met open mond naar zou kijken. Maar dat was niet de reden waarom Delana zo staarde. De vrouw hield haar handen in haar zij, met de duimen tussen wijs- en middelvinger gestoken. Delana had zoiets nooit verwacht van een vrouw die geen stola droeg, en deze Halima Saranov kon niet eens geleiden. Ze was dichtbij genoeg om daar zeker van te zijn. ‘Ja,’ zei Delana, ‘ik meen me haar te herinneren. Laat ons alleen, Lucilde. En onthoud, kind, dat niet elke zin vragend hoeft te eindigen.’ Lucilde maakte zo snel een diepe knix dat ze bijna omviel. Onder andere omstandigheden zou Delana een zucht hebben geslaakt; ze had nooit goed om kunnen gaan met novices, hoewel ze niet wist waarom. Terwijl de novice de kamer verliet, schreed Halima reeds naar de stoel die Siuan had gebruikt, en ging onuitgenodigd zitten. Ze pakte een niet-gebruikt kopje op, sloeg haar benen over elkaar, nipte en keek Delana over de rand aan.