Delana wierp haar een harde blik toe. ‘Wie denk je wel dat je bent, vrouw? Hoe hoog je ook denkt te staan, geen staat hoger dan de Aes Sedai. En waar heb je dat teken geleerd?’ Voor het eerst in haar leven haalde haar blik niets uit.
Halima glimlachte spottend. ‘Denk je echt dat de geheimen van de... zullen we zeggen, dónkerder Ajah zo geheim zijn? En wat je hoogte betreft, je weet heel goed dat je zelfs een bedelaar zou gehoorzamen als hij het juiste teken laat zien. Mijn verhaal is dat ik een tijdje de reisgenote was van een zekere Cabriana Mecandes, een Blauwe zuster. Ongelukkigerwijze overleed Cabriana door een val van haar paard; haar zwaardhand weigerde om nog onder zijn dekens uit te komen of iets te eten. Hij ging ook dood.’ Halima glimlachte, alsof ze Delana vroeg of ze het allemaal nog kon volgen. ‘Cabriana en ik hebben veel gepraat voor ze stierf, en ze vertelde me over Salidar. Ze heeft me ook een aantal dingen gezegd die ze had opgestoken, over de plannen die de Witte Toren met jullie heeft. En met de Herrezen Draak.’ Weer een glimlach, een snelle flits van witte tanden, en ze richtte zich weer op de thee en keek toe.
Delana was nooit een vrouw geweest die het gemakkelijk opgaf. Ze had koningen gedwongen om vrede te sluiten terwijl ze oorlog wensten, en koninginnen aan hun nekvel naar de ondertekening van verdragen gesleept. Het was waar: ze zou de veronderstelde bedelaar gehoorzaamd hebben als hij de juiste tekens had gegeven en de juiste dingen had gezegd, maar Halima’s hand had het teken van de Zwarte Ajah gegeven, wat ze overduidelijk niet was. Misschien dacht de vrouw dat het de enige manier was waarop Delana haar zou erkennen, en misschien had ze met haar verboden kennis willen pralen. Delana hield niet van deze Halima. ‘En ik word verondersteld ervoor te zorgen dat de Zaal jouw inlichtingen aanvaardt,’ zei ze nors. ‘Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang je genoeg van Cabriana weet om jouw verhaal te ondersteunen. Daar kan ik je niet in helpen; ik heb haar niet meer dan twee keer ontmoet. Ik neem aan dat er geen kans is dat ze verschijnt om jouw verhaal te ontkrachten?’
‘Geen enkele kans.’ Opnieuw die snelle, spottende glimlach. ‘En ik zou heel Cabriana’s leven kunnen vertellen. Ik weet dingen die ze zelf vergeten was.’
Delana knikte slechts. De dood van een zuster was te betreuren, maar wat gebeuren moest, moest gebeuren. ‘Dan is er geen probleem. De Zaal zal je als gast ontvangen, en ik kan ervoor zorgen dat ze luisteren.’
‘Een gast was niet wat ik in gedachten had. Iets dat behoorlijk wat langer duurt. Jouw schrijfster, of beter nog, jouw gezellin. Ik moet er zeker van zijn dat de Zaal zorgvuldig wordt gestuurd. Behalve het verhaal van Cabriana’s nieuws, zal ik ook van tijd tot tijd opdrachten voor je hebben.’
‘Luister eens goed naar me! Ik...’
Halima sneed haar af zonder haar stem te verheffen. ‘Mij is opgedragen om je een naam te noemen. Een naam die ik soms gebruik. Aran’gar.’
Delana ging met een plof zitten. Die naam was in haar dromen genoemd. Voor het eerst sinds jaren was Delana Mosalaine doodsbang.
31
Rode lak
Het geluid van de hoeven van de zwarte ruin ging bijna geheel onder in het lawaai van Amador. Emon Valda reed langzaam door de overvolle straten. Het zweet gutste van hem af, nog verergerd door zijn ondanks de stof volmaakt glimmende maliën en borstkuras en de sneeuwwitte mantel die over het machtige lijf van de ruin lag gespreid. Niettemin schonk hij er evenveel aandacht aan alsof het een mooie lentedag was. Hij deed zijn best de vuile mannen en vrouwen, en ook kinderen, te negeren, met hun lege gezichten en door de reis versleten kleren. Zelfs hier. Zelfs hier.
Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich niet opgewekt door de grote stenen muren rond de Burcht van het Licht met de vele onaantastbare torens en banieren, een burcht van waarheid en gerechtigheid. Hij steeg af op het hoofdplein en gooide de teugels naar een Kind met de grommende aanwijzing goed voor het dier te zorgen. De man wist natuurlijk wat hij te doen had, maar Valda wilde iemand afsnauwen. Ondanks de hitte haastten mannen in witte mantels zich druk doend rond. Hij hoopte dat het meer was dan pure vertoning. De jonge Dain Bornhald kwam over het plein aanhollen; hij drukte zijn vuist tegen zijn gemaliede borst voor een ijverige groet. ‘Het Licht verlichte u, mijn heer kapitein. U had zeker een voorspoedige rit uit Tar Valon?’ Hij had bloeddoorlopen ogen en een stank van brandewijn walmde om hem heen. Er was geen verontschuldiging voor drinken overdag.
‘In ieder geval een snelle,’ gromde Valda, die zijn ruiterhandschoenen uittrok en achter zijn zwaardgordel stak. Ze hadden het lange stuk snel afgelegd. Hij was van plan zijn legioen bij wijze van beloning een avond in de stad te gunnen als ze eenmaal het kamp hadden opgezet. Een snelle reis, maar hij keurde de bevelen af die hem terug hadden geroepen op het ogenblik dat een ferme duw de kreupele Toren om had kunnen laten vallen om die feeksen onder het puin te begraven. Een opmerkelijke rit, want elke dag had slechter nieuws gebracht. Altor in Caemlin. Het deed er feitelijk niet toe of de man een valse Draak was of de echte. Hij kon geleiden en elke man die dat kon, moest een Duistervriend zijn. Dat gespuis van draakgezworenen in Altara. Die zogenaamde Profeet en zijn schorremorrie in Geldan, zelfs in Amadicia. Het was hem tenminste gelukt een paar van die smeerlappen te doden, hoewel het moeizaam vechten was tegen vijanden die vaker wegsmolten dan standhielden. Die in de vervloekte stroom vluchtelingen konden opgaan of verdwenen tussen die hersenloze zwervers die blijkbaar dachten dat Altor alle orde op zijn kop had gezet. Hij had echter een oplossing gevonden, zij het niet naar volle tevredenheid. De wegen die zijn legioen achter zich had gelaten, lagen nu bezaaid met lijken. De raven vraten zich daar te barsten. Als het onmogelijk was de straatschuimers van de Profeet te onderscheiden van het schuim van de vluchtelingen, nou ja, dan moest je iedereen die de weg verspert doden. De onschuldigen dienden thuis te blijven, waar ze hoorden. De Schepper zou hen toch wel beschermen. Wat hem betrof, voegden de zwervers pruimen toe aan zijn taart.
‘Ik hoorde in de stad dat Morgase hier was,’ zei hij. Hij geloofde het niet – bijna iedereen die hij in Andor had gesproken, had zijn vermoedens geuit over wie Morgase had vermoord – dus schrok hij echt op na het knikje van Dain.
Verbazing ging over in afkeer, toen de jongeman vertelde over Morgases vertrekken en haar jachtpartijen, over hoe goed zij werd behandeld en hoe zij er zeker van was dat elke dag de ondertekening van een verdrag met de Kinderen kon plaatsvinden. Valda lachte openlijk honend. Hij had van Nial ook niets beters mogen verwachten. De man was in zijn tijd een van de beste krijgsheren geweest, geroemd als een groot kapitein, maar hij werd oud en zacht. Valda had dat geweten zodra zijn bevelen in Tar Valon waren aangekomen. Nial had op volle sterkte naar Tyr moeten trekken, zodra het eerste nieuws van Altor bekend was geworden. Hij zou onderweg meer dan voldoende manschappen hebben aangetrokken. Tegen een valse Draak zouden de naties zich achter de Kinderen hebben geschaard. Tenminste, dat zat erin. Nu zat Altor in Caemlin, sterk genoeg om de weifelmoedigen angst aan te jagen. Maar Morgase was hier. Als hij haar in handen had, zou ze dat verdrag de eerstvolgende dag moeten tekenen; al moest iemand haar hand vasthouden om de pen te leiden. Bij het Licht, hij zou haar leren springen als hij ‘spring’ zei. En als ze tegenstribbelde om met de Kinderen naar Andor terug te keren, zou hij haar polsen aan een stok binden. Dat zou een mooie banier zijn voor de inval in Andor. Dain holde afwachtend met hem mee. Hij hoopte zeker op een uitnodiging voor het eten vanavond. Als jongere kapitein kon hij geen oudere officier uitnodigen, maar ongetwijfeld hoopte hij op een gesprek met zijn oude bevelhebber, over Tar Valon misschien, en over zijn dode vader. Valda had eigenlijk weinig achting voor Geofram Bornhald. De man was te zacht geweest, ik zie je in het kamp voor het eten, sober, Kind Bornhald.’