Выбрать главу

Bornhald was zeker een drinker. Zijn mond viel open en hij stamelde wat voor hij groette en wegging. Valda vroeg zich af wat er gebeurd was. Dain was een goede jonge officier geweest. Een die zich te veel zorgen maakte over frutsels als een schuldbewijs wanneer je dat onmogelijk kon krijgen, maar desondanks een goed man. Niet zo zwak als zijn vader. Het was schandalig dat hij zich zo aan brandewijn vergooide.

Binnensmonds mompelend – dronken officieren in de Burcht van het Licht zelf wezen er ook op dat Nial wegrotte in de kern – ging Valda op weg naar zijn kamers. Hij was van plan in het kamp te slapen, maar een heet bad zou hij zeer waarderen.

Een jong Kind met vierkante schouders kwam hem in de eenvoudige stenen gang tegemoet, de scharlakenrode herdersstaf van de Hand van het Licht achter de vlammende gouden zon op zijn borst. De Ondervrager bleef niet staan, keek niet naar Valda maar mompelde eerbiedig: ‘Mijn heer kapitein wil misschien de Koepel der Waarheid bezoeken.’

Valda keek de man fronsend na. Hij hield niet van Ondervragers. Op hun manier deden ze goed werk, maar hij kon zich nooit aan het gevoel onttrekken dat ze de staf hadden opgenomen, omdat ze dan nooit tegenover een gewapende vijand hoefden te staan. Hij wilde zijn stem al verheffen en de man aanspreken, maar hield zich in. Ondervragers waren slordig met krijgstucht maar een gewoon Kind zou nooit zomaar iets tegen een kapiteinheer zeggen. Misschien kon zijn bad even wachten.

De Koepel der Waarheid was een wonder dat eindelijk iets van Valda’s wezen weer herstelde. Vanbuiten puur wit, vanbinnen vol goudblad, kaatste de koepel het licht van duizend hanglampen omlaag. Dikke, witte pilaren omringden de ruimte en rezen eenvoudig en glimmend naar de koepel omhoog, die een doorsnede had van honderd pas en nergens zichtbaar werd gesteund. De koepel verhief zich vijftig pas boven de eenvoudige wit marmeren verhoging die precies in het midden van de wit marmeren vloer lag. Daar stond de kapiteinheer-gebieder van de Kinderen van het Licht om de verzamelde Kinderen toe te spreken op belangrijke ogenblikken, bij hun hoogste plechtigheden. Hij zou hier op een dag staan. Nial had niet het eeuwige leven. Tientallen Kinderen liepen in de enorme ruimte rond, want het was een bezoek meer dan waard, hoewel natuurlijk alleen de Kinderen hier kwamen. Maar de boodschap was hem niet gegeven om de koepel te bewonderen, dat wist hij wel zeker. Achter de hoge pilaren bevonden zich rijen kleinere zuilen, even eenvoudig, glanzend en glimmend, en hoge nissen waar in de loop van duizend jaar muurschilderingen waren aangebracht van overwinningen van de Kinderen. Valda schreed rond en keek in iedere inham. Eindelijk zag hij een lange grijzende man die een schildering bekeek. Serenia Latar die het schavot werd opgedragen, de enige Amyrlin die de Kinderen ooit hadden opgehangen. Ze was natuurlijk al dood geweest; het was moeilijk levende feeksen op te hangen, maar daar ging het niet om. Zeshonderddrieënnegentig jaar geleden was volgens de wet gerechtigheid geschied. ‘Voel je je bezwaard, mijn zoon?’ De stem was zacht, haast mild. Valda verstrakte enigszins. Rhadam Asunawa mocht dan Grootinquisiteur zijn, hij bleef een Ondervrager. En Valda was kapiteinheer, een Gezalfde van het Licht, geen ‘mijn zoon’. ‘Niet dat ik weet,’ zei hij effen.

Asunawa zuchtte. Zijn magere gezicht was een toonbeeld van gemarteld lijden, zodat zijn zweet als tranen uitgelegd kon worden, maar zijn diepliggende ogen leken te vlammen van een hitte die al het vlees had weggebrand. Zijn mantel vertoonde alleen de staf, niet de vlammende gouden zon, alsof hij geen deel uitmaakte van de Kinderen, of misschien boven hen stond. ‘De tijden zijn woelig. De Burcht van het Licht herbergt een feeks.’

Valda onderdrukte al een minachtende blik voor die zichtbaar werd. Lafaards of niet, een Ondervrager kon ook voor een kapiteinheer gevaar betekenen. De man zou misschien nooit toekomen aan het hangen van een Amyrlin, maar waarschijnlijk droomde hij van het ophangen van een koningin. Het kon Valda niet schelen of Morgase stierf, als het maar plaatsvond nadat elk nut uit haar was geslagen. Hij zei niets en de dikke grijze wenkbrauwen van Asunawa bewogen diep omlaag tot zijn ogen uit grotten leken te turen.

‘Het zijn woelige tijden,’ zei hij weer, ‘en Nial mag niet worden toegestaan de Kinderen van het Licht te vernietigen.’ Heel lang bleef Valda het schilderij bekijken. Misschien was het van een goede kunstenaar, misschien ook niet; hij wist niets van dit soort zaken en gaf er ook niet om. De man had de wapens en de wapenrustingen van de schildwachten juist geschilderd en het touw en het schavot leken net echt. Dat waren dingen die hij kende, ik ben bereid te luisteren,’ zei hij eindelijk.

‘Dan zullen we praten, mijn zoon. Later. Waar minder ogen kunnen zien en minder oren kunnen horen. Het Licht verlichte je, mijn zoon.’ Asunawa schreed zonder iets te zeggen weg. De witte mantel bolde lichtjes op en zijn laarzen galmden alsof hij elke stap in het marmer wilde vereeuwigen. Enkele Kinderen bogen diep toen hij langs hen liep.

Vanuit een smal raam, hoog boven het voorplein, zag Nial Valda afstijgen en met de jonge Bornhald spreken, waarna hij woest wegbeende. Valda was altijd woedend. Als er een kans had bestaan om de Kinderen uit Tar Valon thuis te brengen en Valda daar te laten, had Nial die met beide handen aangegrepen. De man was zeer goed in een veldslag, maar meer geschikt voor opstandige menigten. Zijn enige idee van strijd was aanvallen en van de krijgskunde de aanval. Hoofdschuddend begaf Nial zich naar de ontvangkamer. Hij had belangrijker zaken dan Valda aan zijn hoofd. Morgase verweerde zich nog steeds als een goed opgesteld leger met voldoende water en sterke trots. Ze weigerde toe te geven dat ze eigenlijk in een dal zat, zonder water en zonder uitweg, en dat haar vijand de hellingen bezette. Balwer stond op achter zijn tafel toen Nial binnenkwam. ‘Omerna was hier, mijn heer. Hij heeft dit voor u achtergelaten.’ Balwer raakte een stapel papieren aan die met een rood lint bijeen werden gehouden. ‘En dit.’ Smalle lippen verstrakten terwijl hij een buisje van been uit zijn zak trok.

Nial nam het buisje mompelend aan en stampte naar zijn eigen kamer. Omerna werd om de een of andere reden elke dag nuttelozer. Dat hij zijn rapporten bij Balwer achterliet was al erg, al bevatten ze grotendeels onzin, maar zelfs Omerna moest beter weten dan iemand een buisje te geven dat drie rode strepen vertoonde en dus alleen door Nial mocht worden opengemaakt. Hij hield de buis dicht bij een lichtje om de lak te bekijken. Ongebroken voor zijn duimnagel erdoorheen sneed.

Hij moest maar een vuurtje onder Omerna stoken en hem de vrees voor het Licht in zijn lijf jagen. De zot was zelfs als afleiding niet goed, terwijl hij de uitmuntende verspiedermeester goed en vaardig diende te spelen.

Het bericht kwam van Varadin en was gesteld in Nials persoonlijke geheimschrift, een vreemd spinachtig gekriebel op een reepje papier. Hij verbrandde het bijna ongelezen, maar toen viel zijn oog op iets aan het eind. Hij begon vooraan en las zorgvuldig alles door, met het geheimschrift in zijn hoofd. Hij wilde er volkomen zeker van zijn. Net als de vorige keer ging het over Aes Sedai aan riemen en vreemde beesten, maar aan het eind... Varadin had voor Asidim Faisar een schuilplek in Tanchico gevonden. Hij wilde proberen Faisar weg te smokkelen, maar de Voorlopers hielden zo goed de wacht dat zelfs gefluister niet zonder toestemming de muren voorbij kon. Nial wreef nadenkend langs zijn kin. Faisar was een van degenen die hij naar Tarabon had gestuurd om te onderzoeken of er nog iets te redden viel. Faisar wist niets van Varadin en Varadin hoorde niets van Faisar te weten. De Voorlopers bewaakten alles zo goed dat er niet eens gefluister over de stadswallen kwam. Gekrabbel van een gek. Hij stopte het papier in zijn zak en keerde naar de voorkamer terug. ‘Balwer, wat is het laatste nieuws uit het westen?’ Onder elkaar betekende het westen altijd de grens met Tarabon. ‘Geen veranderingen, mijn heer. Legergroepen die heel diep in Tarabon doordringen, keren niet terug. De grootste moeilijkheden bij de grens geven de vluchtelingen die de grens over willen.’ Soldaten die te diep naar binnen drongen. Tarabon was een kuil vol kronkelende gifslangen en bijtende ratten, maar... ‘Hoe lang duurt het voor een bode in Tanchico kan zijn?’