Balwer knipperde niet eens met zijn ogen. De man zou niet verbaasd zijn als zijn paard op een dag iets tegen hem zei. ‘Het probleem zijn verse paarden nadat hij de grens over is, mijn heer. Gewoonlijk zou ik zeggen: twintig dagen heen en terug, misschien enkele dagen minder met wat geluk. Maar nu, als hij geluk heeft tweemaal zo lang. Jazeker, tweemaal zo lang om Tanchico te bereiken.’ Een kuil die een bode kon verzwelgen en zelfs geen botten achterliet. Een terugkeer was niet noodzakelijk, maar dat hield Nial voor zich. ‘Regel het, Balwer. Ik heb binnen een uur een brief klaar en ik spreek zelf met de bode.’ Balwer boog gehoorzaam het hoofd maar waste tegelijk zijn droge handen alsof hij beledigd was. Hij mocht van Nial.
Er bestond een kleine kans dat dit afgehandeld kon worden zonder Varadin te verraden. Een overbodige voorzorg als de man waanzinnig was natuurlijk, maar zo niet... hem bekendmaken zou de zaken niet versnellen.
Terug in de ontvangkamer bekeek Nial Varadins boodschap nogmaals voor hij het strookje in de vlam van een lamp hield en het zag branden. Hij verkruimelde de as tussen zijn vingers.
Hij volgde vier regels wat betreft handelen en inlichtingen. Maak nooit een plan zonder zoveel mogelijk van je vijand te weten. Wees nooit bang je plannen aan nieuwe inlichtingen aan te passen. Geloof nooit dat je alles weet. En wacht nooit tot je alles weet. De man die wachtte om alles te weten zat nog steeds in zijn tent, terwijl de vijand reeds verschroeiend over zijn hoofd heen rolde. Nial volgde die regels. Slechts eenmaal in zijn leven had hij ze opzij gelegd om een inval te volgen. In Jhamara, enkel vanwege een gekriebel ergens in zijn hoofd, had hij het derde deel van zijn leger de bergen in het oog laten houden. Iedereen zei dat ze onbegaanbaar waren. Terwijl hij de rest van zijn legermacht opstelde voor een verpletterende nederlaag van de Morlanders en Altaranen kwam een Illiaans leger, dat naar men aannam honderden spannen verder lag, uit een van die ‘onbegaanbare’ bergpassen. De enige reden dat hij zich terug had kunnen trekken zonder verpletterd te worden was een ‘gevoel’. Nu voelde hij dat gekriebel weer.
‘Ik vertrouw hem niet,’ zei Tallanvor ferm. ‘Hij doet me denken aan een jonge straatschelm die ik een keer op een kermis zag, een kerel met een kindergezichtje die je recht in je ogen keek, maar ondertussen grijnzend de erwt onder het kopje liet verdwijnen.’ Ditmaal kostte het Morgase geen moeite haar drift te onderdrukken. De jonge Paitr had doorgegeven dat zijn oom eindelijk een manier wist om haar de Burcht van het Licht uit te smokkelen, haar en de anderen. Die anderen was het lastige geweest. Torwijn Barshaw had zich al heel lang in staat verklaard haar weg te krijgen, maar ze wilde de anderen niet aan de genade van de Witmantels overlaten. Zelfs Tallanvor niet.
‘Ik zal een aantekening maken van je gevoelens,’ zei ze toegeeflijk. ‘Zorg echter dat ze jou niet hinderen. Heb je een passend spreekwoord, Lini? Iets voor de jonge Tallanvor en zijn gevoelens.’ Licht, waarom vond ze het zo verrukkelijk hem te pesten? Hij zat op het randje van verraad maar ze was zijn koningin, niet zijn... De rest van de gedachte wilde niet komen.
Lini zat bij het raam en rolde een bol blauwe wol van de streng die Breane op haar gestrekte armen voor hield. ‘Paitr doet me denken aan die jonge hulpdienaar, vlak voordat je naar de Witte Toren vertrok. Die jongen die twee meisjes met een kind opscheepte en gepakt werd toen hij met een zak vol zilver van je moeder wilde wegsluipen van het landgoed.’
Morgases kaak verstrakte, maar niets kon haar plezier vergallen, zelfs Breanes blik op haar niet, alsof haar eveneens toegestaan zou moeten worden een mening te uiten.
Paitr was overgelukkig met de komende ontsnapping van Morgase. Natuurlijk kwam dat gedeeltelijk doordat hij een soort beloning van zijn oom verwachtte voor zijn aandeel – enkele van zijn opmerkingen gaven haar tenminste dat idee – iets over goedmaken van iets dat thuis was misgegaan. Maar de jongeman danste zowat na haar instemming met het plan dat hen allen vandaag nog de burcht uit zou brengen en voor de dageraad uit Amador. Weg uit Amador en op weg naar Geldan, waar geen soldaten zouden komen met banden die Andor bonden. Twee dagen geleden was Barshaw zelf het plan komen voorleggen, vermomd als een handelaar in breinaalden en wol. Een gezette man met een grote neus, gejaagde ogen en een spottende mond, hoewel zijn woorden heel eerbiedig klonken. Het was moeilijk te geloven dat hij Paitrs oom was. Ze zagen er zo verschillend uit, hij leek amper op een koopman, maar zijn plan was een wonder van eenvoud, wel niet echt waardig, maar er waren weinig mensen buiten de burcht nodig om het plan te laten slagen. Morgase zou de Burcht van het Licht uitrijden, begraven onder een karlading keukenafval. ‘Goed, jullie weten allemaal wat je te doen hebt,’ zei ze. Zolang zijzelf in haar kamers verbleef, konden de anderen met aanzienlijke vrijheid gaan en staan waar ze wilden. Daar hing alles van af. Nou ja, niet alles, maar ieders ontsnapping, behalve die van haarzelf. ‘Lini, jij en Breane moeten op het waserf zijn wanneer de hooggong klinkt.’ Lini knikte inschikkelijk, maar Breane keek met opeengeperste lippen naar haar terug. Ze hadden dit al twintig keer nagelopen. Desondanks was Morgase niet van plan een fout te maken waardoor iemand achter moest blijven. ‘Tallanvor, jij laat je zwaard hier en wacht in de herberg De Eikendoorn.’ Hij wilde wat zeggen, maar ze bracht hem meteen ferm tot zwijgen. ‘Ik heb alle redenen gehoord. Je kunt wel weer een ander zwaard vinden. Zij nemen aan dat je van plan bent terug te komen wanneer je hem achterlaat.’ Zijn gezicht betrok, maar uiteindelijk knikte hij. ‘Langwin wacht in Het Gouden Hoofd en Basel in...’ Er werd haastig geklopt en de deur ging ver genoeg open voor het kalende hoofd van Basel. ‘Mijn koningin, er is een man... een Kind...’ Hij keek om naar de gang. ‘Er is een Ondervrager, mijn koningin.’ Tallanvors handen gingen natuurlijk naar zijn gevest en hij liet ze pas weer zakken toen ze hem tweemaal wenkte en een bars gezicht trok. ‘Laat hem binnen.’ Het lukte haar kalm te spreken, maar vlinders zo groot als vossen fladderden heftig rond in haar buik. Een Ondervrager? Alles was zo goed gegaan; zou het nu onverwachts op een ramp uitlopen?
Een lange man met een haviksneus duwde Basel opzij en sloot de deur vlak voor hem. De witgouden wapenmantel met de vuurrode staf op zijn schouder gaven zijn rang van inquisiteur aan. Ze had Einor Saren nooit ontmoet, maar hij was haar aangewezen. Er lag een trek van onveranderbare zekerheid op zijn gezicht. ‘U wordt geroepen voor de kapiteinheer-gebieder,’ zei hij koud. ‘U komt met me mee.’ Morgases gedachten schoten sneller rond dan vlinders. Ze was het gewend geroepen te worden. Nial kwam niet naar haar toe, nu ze in de Burcht verbleef. Ze moest vaak bij hem komen voor weer een lezing over haar plicht jegens Andor of voor een zogenaamd vriendelijk babbeltje om haar te laten merken dat Nial haar en Andors beste belangen op het oog had. Dat was ze gewend, niet dit soort boodschapper. Als ze aan de Ondervragers overgedragen zou worden, zou ontsnapping onmogelijk zijn. Asunawa zou genoeg mannen sturen om haar en iedereen mee te slepen. Ze had hem kort ontmoet en haar bloed had ijs geleken. Waarom was er een inquisiteur gestuurd? Ze verwoordde de vraag en Saren antwoordde weer met ijzige stem. ik was bij de kapiteinheer-gebieder en moest deze kant uit. Ik ben klaar met mijn zaken en ik zal u er nu heenbrengen. U bent uiteindelijk koningin en verdient een gepaste eerbied.’ Het klonk allemaal lichtelijk verveeld, ietwat ongeduldig tot er in zijn laatste woorden een toon van wrange spot sloop. Maar geen enkele warmte. ‘Heel goed,’ zei ze.