Выбрать главу

De rest van de dag en de avond sleepte zich voort alsof hij in de modder was gezakt. Er was zo weinig te doen dat ze dacht van ergernis open te barsten. De Wijzen die toezicht hielden op Arilyns herenhuis, meldden dat er geen andere Aes Sedai waren. De wakers die gekozen waren uit de geleidsters, vertelden dat de Aes Sedai zonder onderbreking dag en nacht de Kracht geleidden. Egwene durfde niet dichterbij te komen, en als ze dat had gedaan, had ze zonder de stromen te zien toch niet kunnen zeggen wat er geweven werd. Als de Wijzen minder geprikkeld waren geweest, had ze misschien geprobeerd de tijd door te komen met in haar tent te lezen. Ze had een keer overdag een boek gepakt, maar Bair had toen wat gemopperd over meisjes die hun dag verknoeiden met lui te liggen, zodat Egwene iets over wat vergeten mompelde en haastig de tent uit snelde, voordat er voor haar nuttiger werk werd bedacht. Een kort gesprekje met een andere leerlinge kon ook gevaarlijk zijn. Ze zat een keer te praten met Surandha die zich in de schaduw van een tent van de Steenhonden verborgen hield. Sorilea zag hen daar, en toen mocht ze een middag lang de was doen. Ze was best blij geweest met dat werkje, ze had iets te doen, totdat Sorilea de smetteloos schone was bekeek die vanwege het steeds aanwezige stof in een tent was opgehangen, snoof en vertelde het nogmaals te doen. Daarna deed ze dat een tweede keer, en ook hierbij keek Sevanna toe.

Als ze in de stad was, keek Egwene altijd over haar schouder, maar op de derde dag zocht ze zich behoedzaam een weg door de havenwijk, zo voorzichtig als een muis die iets van een kat steelt. Een bejaarde man met een smal bootje krabde in zijn dunne haardos en vroeg een zilvermark voor het overzetten naar het Zeevolk-schip. Alles was duur, maar dit was belachelijk. Ze keek hem strak en effen aan, vertelde hem dat hij een zilverpenner kon krijgen – eigenlijk ook nog te veel – en hoopte dat het onderhandelen haar niet de hele beurs zou kosten, want ze had niet zoveel. Iedereen sprong op en kromp in elkaar voor de Aiel, maar wanneer het op loven en bieden aankwam, vergaten ze elke cadin’sor en speer en vochten als leeuwen. Hij opende zijn tandeloze mond, deed hem weer dicht, keek haar aan, mompelde iets binnensmonds en vertelde haar tot haar verrassing dat ze hem het brood uit de mond stootte.

‘Stap in,’ gromde hij. ‘Stap in. Ik kan niet voor zoiets armzaligs mijn hele dag verpesten. Een man koeioneren. Brood van hem stelen.’ Zo ging hij door, zelfs nadat hij de riemen had opgepakt en het bootje het brede water van de Alquin op roeide.

Egwene wist niet of Rhand deze golfvrouwe al had ontmoet, maar ze hoopte van wel. Volgens Elayne heette de Herrezen Draak bij het Zeevolk de Coramoor, de Gekozene, en hij hoefde slechts zijn gezicht te tonen om op zijn wenken door hen bediend te worden. Ze hoopte echter dat ze niet al te onderdanig zouden doen. Dat maakte Rhand al veel te veel mee. Het kwam echter niet door Rhand dat ze tegenover een mopperende roeier zat. Elayne had enkele mensen van de Atha’an Miere ontmoet. Ze had op hun schip gereisd en verteld dat de windzoeksters konden geleiden. Sommigen in ieder geval, misschien de meesten. Dat was een goed bewaard geheim van de Atha’an Miere, maar de windzoekster op Elaynes schip was bereid geweest haar kennis ruimschoots te delen nadat haar geheim was ontdekt. De windzoeksters wisten veel van het weer. Elayne beweerde dat ze er meer van wisten dan de Aes Sedai. Ze had gezegd dat de windzoekster op haar schip met enorme stromen aan een gunstige wind had gewerkt. Egwene wist niet hoeveel daarvan waar was en hoeveel aan Elaynes geestdrift ontsproot, maar iets meer van het weer te weten komen zou zeker veel beter zijn dan met haar duimen draaien en zich afvragen wat erger was: door Nesune gepakt te worden of door de Wijzen en Sevanna. Met wat ze nu wist, kon ze nog geen regen maken als de hemel zwart zag, alleen bliksems. Maar momenteel brandde de zon goudgeel in een wolkeloze hemel en waren er hittekringetjes boven het donkere water zichtbaar. Gelukkig kwam het stof niet zo ver over het water. Toen de roeier eindelijk zijn riemen stilhield en het bootje naast het schip dreef, stond Egwene op, zijn gemopper negerend dat ze zo allebei in de rivier zouden vallen. ‘Hallo!’ riep ze. ‘Hallo? Mag ik aan boord?’

Ze was op verschillende rivierschepen geweest en was er trots op de juiste woorden te kennen – het scheepsvolk leek akelig gevoelig in hun woordkeus – maar zo’n vaartuig had ze nog nooit gezien. Ze had langere rivierboten gezien, maar geen die zo groot was. Enkele bemanningsleden stonden in het want of klommen langs de schuine lijnen omhoog. De donkere mannen, met blote borst en barrevoets, droegen ruime, kleurige broeken onder fleurige buikbanden, net zo kleurrijk als de hemden van de vrouwen.