Выбрать главу

Ze wilde net opnieuw en wat luider roepen, toen een touwladder langs de zijkant van het schip omlaag rolde. Van het dek kwam geen antwoord, maar dit leek uitnodigend genoeg. Egwene klom. Het was moeilijk – niet de klim zelf, maar om haar rok netjes bij elkaar te houden, en ze snapte waarom de Zeevolk-vrouwen broeken droegen – maar eindelijk bereikte ze de omheining.

Meteen vielen haar ogen op een vrouw die twee pas verder op het dek stond. Haar hemd en broek waren van blauwe zijde met een donkerblauwe broeksband. Ze droeg drie fijn bewerkte gouden ringetjes in elk oor, en een fijn kettinkje met heel kleine, glinsterende penninkjes liep van een oorring naar een ring in de neus. Elayne had het haar beschreven en zelfs in Tel’aran’rhiod getoond, maar nu ze het in het echt zag, kromp Egwene ineen. Er was nog iets anders. Ze voelde de vaardigheid om te geleiden. Ze had de windzoekster gevonden. Ze wilde wat zeggen en een donkere hand met een glimmende dolk flitste vlak langs haar ogen. Nog voor ze kon schreeuwen sneed het lemmet de touwen van de ladder door. Zich nog steeds aan het nu nutteloze ding vastklemmend stortte ze omlaag.

Toen pas krijste ze, een hartenklop lang, voordat ze – haar voeten eerst – in de rivier onderging en de diepte inschoot. Water stroomde haar open mond in en smoorde haar gil, en ze meende de halve rivier te hebben ingeslikt. Verwoed worstelend draaide ze haar rok van haar hoofd los en bevrijdde zich van de touwladder. Ze was niet in paniek. Dat was ze niet. Hoe diep was ze? Hieronder was het een en al modder en duisternis. Welke kant was boven? IJzeren banden snoerden zich om haar borst, maar ze liet adem door haar neus ontsnappen en zag de belletjes. Ze had de indruk dat ze omlaag en iets links voorbij stroomden. Ze draaide en werkte zich met forse slagen omhoog. Hoe ver? Haar longen brandden.

Haar hoofd kwam weer in het zonlicht en ze zoog kuchend en proestend lucht naar binnen. Tot haar verbazing stak de roeier zijn hand uit en trok haar stukje na stukje het bootje in, mopperend dat ze moest ophouden met wild rond te slaan voor ze eruit vielen. Hij voegde eraan toe dat het Zeevolk een prikkelbaar volkje was. Hij boog zich nogmaals opzij om haar omslagdoek te redden voor die voorgoed omlaag zou zinken. Ze griste hem uit zijn handen en hij schoot naar achter alsof hij dacht dat ze hem wilde slaan. Haar rok hing zwaar en plakkerig om haar benen. Hemd en ondergoed kleefden aan haar huid en de hoofdband zakte scheef over haar voorhoofd. Op de bodem van de boot vormde zich onder haar voeten een plas.

Het bootje was zo’n twintig stappen van het schip weg gedreven. De windzoekster stond nu aan de boordrand met twee andere vrouwen naast haar, de een in eenvoudige groene zijde en de ander in rood brokaat afgewerkt met gouddraad. Hun oorringen, neusringen en kettinkjes glinsterden in de zon.

‘Jou wordt het geschenk van oversteek geweigerd,’ riep de vrouw in het groen. De rode riep: ‘Zeg dat tegen de anderen. Een vermomming bedriegt ons niet. Je maakt ons niet bang. Jullie allen wordt de gave van overtocht geweigerd.’

De oude roeier pakte zijn riemen weer op, maar Egwene stak vlak onder zijn neus haar vinger omhoog. ‘Stop daarmee, nu.’ Hij stopte. Haar in het water gooien. Geen enkel beleefd woord. Ze haalde diep adem, omhelsde saidar en geleidde vier stromen voor de windzoekster er iets tegen kon doen. Dus ze wist veel van het weer, hè? Kon zij haar stromen op vier manieren verdelen? Er waren niet veel Aes Sedai die daartoe in staat waren. Eén stroom was Geest, een schild dat ze over de windzoekster klapte zodat die niet kon ingrijpen. Als ze al wist hoe. Elk van de andere drie was Lucht, dat ze heel fijntjes rond de drie vrouwen weefde, waardoor de armen tegen hun zij werden geklemd. Optillen was niet echt moeilijk, maar ook niet gemakkelijk.

Een luid geroep klonk op van het schip toen de vrouwen de lucht in zweefden en boven de rivier hingen. Egwene hoorde de roeier kreunen. Ze negeerde hem. De drie Zeevolk-vrouwen trappelden niet eens. Met moeite hees ze hen hoger, tien tot twaalf pas boven het water. Hoe ze zich ook inspande, dat leek zo’n beetje haar grens. Nou ja, je wilt ze niet echt kwaad doen. Ze maakte de golven los. Nu gaan ze wel gillen. De drie vrouwen krulden zich tot een bol zodra ze begonnen te vallen. Ze tolden rond en staken hun armen recht voor zich uit. Met drie heel lichte plonzen kwamen ze in het water terecht. Enkele tellen later verschenen drie hoofden boven het oppervlak en zwommen de vrouwen snel naar het schip.

Egwene deed haar mond dicht. Als ik ze aan hun enkels omhoog hijs en dan met hun hoofden onder... Wat haalde ze zich nu in haar hoofd? Moesten ze gillen omdat zij dat had gedaan? Zij was niet natter dan die drie. Ze moest eruitzien als een verzopen rat! Ze geleidde behoedzaam – als je aan jezelf werkte deed je altijd voorzichtig, omdat je de stromen niet duidelijk kon zien – en het water spoot van haar af, stroomde uit haar kleren en vormde een aanzienlijke plas. Doordat de roeier haar met open mond en grote, wijd open ogen aanstaarde, besefte ze wat ze had gedaan. Geleid, midden op de rivier, waar ze zich nergens voor een Aes Sedai kon verschuilen die toevallig ergens kon staan waar ze alles kon volgen. Ondanks de zon voelde ze zich koud tot op haar botten.

‘Je mag me nu terug naar de oever brengen.’ Wie er in de haven was, viel niet te zien, op deze afstand kon ze nog geen vrouw van een man onderscheiden. ‘Niet naar de stad. De oever verderop.’ De man wierp zich zo hard op de riemen dat ze bijna achterover tuimelde. Hij bracht haar naar een plekje waar de oever bestond uit gladde rotsstenen, zo groot als haar hoofd. Er was niemand te zien maar ze sprong uit de boot zodra die over de stenen schraapte, trok haar rok op en schoot hard hollend de schuine oever op. Dat hield ze de hele weg tot haar tent vol, waar ze in een hijgend hoopje zweet neerplofte. Ze zou niet meer in de buurt van de stad komen. Behalve natuurlijk om Gawein te ontmoeten.

Dagen verstreken en de nu onophoudelijk waaiende wind droeg dag en nacht zand en gruis aan. Op de vijfde avond vergezelde Bair Egwene naar de Dromenwereld, enkel een snel uitstapje bij wijze van proef, een wandeling in dat deel van Tel’aran’rhiod dat Bair het beste kende. De Aiel Woestenij was een uitgedroogd en gehavend land dat zelfs het door droogte geteisterde Cairhien weelderig en mooi deed lijken. Een kort uitstapje en daarna kwamen Bair en Amys haar wekken om te zien of het nare gevolgen had gehad. Niet dus. En hoe vaak ze haar ook lieten hollen en springen, hoe vaak ze ook diep in haar ogen keken en haar hart beluisterden, ze waren het eens dat ze mee kon. Desondanks nam Amys haar de volgende nacht weer maar voor even mee naar de Woestenij en werd ze wederom onderzocht, zodat ze blij was in haar slaapzak te kruipen om in een diepe slaap te vallen. Die twee nachten keerde ze niet naar de Dromenwereld terug, maar dat kwam meer door uitputting dan door wat anders. De weken ervoor had ze zich iedere avond in het hoofd geprent ermee te stoppen – het zou mooi zijn als ze nét wanneer zij bereid waren de beperkingen in te trekken, gepakt zou worden omdat ze zich er niets van aantrok – maar op de een of andere manier besloot ze altijd dat een kort uitstapje best kon, een heel kort uitstapje, zodat de kans op betrappen heel klein was. Ze vermeed alleen die plek tussen Tel’aran’rhiod en de wakende wereld waar de dromen rondzweefden. Ze vermeed die in ieder geval, nadat ze merkte dat ze erover dacht toch heel voorzichtig in Gaweins dromen te gluren, zonder erin te worden getrokken, en dat het laatste ook niet erg was omdat het toch maar een droom was. Ze herinnerde zichzelf er ferm aan dat ze een volwassen vrouw was en geen dwaas meisje. Ze was wel blij dat niemand anders wist wat voor warboel de man van haar gedachten had gemaakt. Amys en Bair zouden lachen tot de tranen over hun wangen biggelden. In de zevende nacht bereidde ze zich zorgvuldig op het slapengaan voor, deed schone nachtkleren aan en borstelde haar haren tot ze glansden. Voor Tel’aran’rhiod was het zinloos, maar daarmee werd ze afgeleid van haar rondbuitelende maag. Vannacht zouden er Aes Sedai wachten in het Hart van de Steen, niet Nynaeve of Elayne. Dat zou geen verschil mogen maken, tenzij... De ivoren borstel verstarde midden in een slag. Tenzij een van de Aes Sedai onthulde dat ze slechts een Aanvaarde was. Waarom had ze daar niet eerder aan gedacht? Licht, wat zou ze nu graag met Elayne en Nynaeve willen praten. Maar ze zag niet in hoe dat zou kunnen helpen, en ze wist zeker dat de droom van de brekende voorwerpen inhield dat het verschrikkelijk slecht afliep als ze iets tegen hen zei.